Harnas van Dordrecht
In Westerheem van december 2012 betoogt C vd Esch het harnas van Dordrecht kan stammen uit de tijd van het beleg van de stad. De conservator van het legermuseum schreef over deze vondst onderstaande advies. Conservator J.P. Puype komt hier tot een datering rond 1460.  
 
ENKELE OPMERKINGEN OVER HET HARNAS VAN DORDRECHT

door J.P. Puype, conservator oude wapens van het Legermuseum [zie naschrift]

De kennis die wij thans over Middeleeuwse en latere harnassen hebben is ontleend aan vier soorten van bronnen:

1) corporele documenten: echte harnassen die sinds hun oorspr­ong bewaard zijn en doorgegeven werden aan volgende gene­rat­ies;

2) iconografisch documenten: harnasafbeeldingen in allerlei vormen (schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerken, driedimen­sionale nabootsingen (b.v. modellen op schaal);

3) tekstbronnen: rekeningen, oorkonden, inventaris­sen, roman­teksten, gedichten, voorschriften e.d.;

4) archeologische bronnen: harnassen en harnasdelen die over de eeuwen heen toevallig bewaard bleven en later tevoorschijn zijn gekomen.


De rijkste bronnen vormen de corporele en iconografische documenten. Op basis daarvan is het mogelijk een idee te krijgen over de vormen en stijlen van harnassen. Op basis van de corporele bronnen alleen zou men geen compleet over­zicht hebben gehad, omdat er van vóór 1500 maar enkele tientallen en van vóór 1450 slechts een han­dje­vol authentieke harnassen best­aan. Getalsma­tig vormen de ar­cheologische har­nas­vondsten verreweg de minderheid, hetgeen toe te schrijven is aan de kwetsbaar­heid en ver­gankelijkheid van hun voor­naamste materia­al: ijzer. Wetenscha­ppelijk gezien echter zijn deze harnas­sen het belang­rijkst en wel om drie redenen: 1) het zijn altijd unieke vondsten, immers elk harnas werd geheel of grotendeels met de hand gemaakt, 2) meestal bevestigen zij in natura de bestaande kennis, 3) soms geven zij nieuwe inzich­ten die de grenzen van onze kennis verleggen.


Uiteraard hebben de bovengenoemde opmerkingen alleen betrek­king op de ontwikkeling van het harnas per se d.w.z. op het voorwerp als zodanig, zijn plaats in een typologische (mo­rfologische, stilistische, wapentechnische, ambachtstechnische e.d.) ontwik­keling. In het geval van het Dordtse harnas hebben wij geen andere keus dan het alleen in de vorengenoemde con­text te analyseren aangezien het in een omgeving werd gevon­den zonder onder­steunende andere contextuele voorwerpen, met andere woorden het maakt geen deel meer uit van een bij elkaar behorend vondstcom­plex. Eerdere pogingen om een verbinding te leggen met een historische Dordtse gebeurtenis uit de eerste decennia van de vijftiende eeuw zijn om deze wetenschappelijk-methodologische reden alleen al af te wijzen; het enige wat men met zekerheid kan zeggen is dat het harnas in Dordtse bodem is gevonden. De oorspronkelijke context is verstoord omdat deze recentelijk elders in Dordre­cht werd gedumpt om nieuw land te creëren en het harnas pas op deze nieuwe loca­tie is gevonden. De datering van het harnas dienst dus in de eerste plaats op stilistische gronden te geschieden, zonder de vooroordeel-vormende laatste context, de door de vinder genoemde historische Dordtse gebeurtenis (n.l. het beleg van 1418), erbij te betrekken.


Het Dordtse harnas bestaat uit een borstplaat met een aan­gehechte buikkraag alsmede drie beweeglijke (in elkaar schuiv­ende) buikstroken. Al deze onder­delen werden los van elkaar gevonden. In een alsnog te schrij­ven artikel zal het harnas precies worden beschreven.


De borstplaat van het Dordtse harnas is tamelijk bol, maar heeft niet de opvallend grote bijna kogelvormige bolling die borstplaten in de eerste helft van de vijftiende (en ook in de eerste helft der zestiende) eeuw hadden.


Door sinds de negentiende eeuw plaatsgehad hebbende studie door wapenhistorici van corporele en tekstuele bronnen zijn twee grote stromingen in harnasstijlen van de vijftiende eeuw zichtbaar geworden, die intensief zijn bes­tudeerd en waarover veel is gepubliceerd: een Duitse en een Italiaanse. Er bestonden ook Zuid­duits-Italiaanse mengvormen, vooral in de periode 1475-1525. Er hebben zeer waarschijnlijk naast deze grote stromingen ook lokale stijlen in Europa bestaan, maar er zijn nog geen duide­lijke bewij­zen voor hun eventuele invloed op de twee hoofdric­htin­gen, wel sterke aanwijzingen dat deze af en toe inderdaad hebben plaatsgehad. Er wordt thans aangenomen dat veel harnas­sen die tot dusverre als Italiaans of Duits werden beschouwd, heel goed uit andere gebieden afkomstig (lees: aldaar gemaakt) kunnen zijn. Enkele van die andere gebieden moeten om allerlei redenen afvallen, maar in de Franstalige gebieden in Europa bevonden zich een aantal belangrijke streken en centra van de harnas­makerij. Daarvan werd vooral Bourgondië, in de vijftiende eeuw het machtigste rijk in West Europa, toonaangevend op allerlei terreinen, waaron­der harnassen.


Bourgondië had op harnassengebied in ieder geval tot het derde kwart van de vijftiende eeuw de grootste uitstraling, vooral naar de omrin­gende landen waaronder de Nederlanden, welke overigens tot in de zestiende eeuw grotendeels deel uitmaakten van het Bourgondische rijk. Alhoewel de in Vlaanderen en vermoedelijk ook in de noor­delijke Nederlanden gemaakte harnassen een zekere Duitse invloed tonen, is er vooral een sterke Italiaa­nse invloed merkbaar. Ook is waarschijnlijk dat de 'Bourgo­ndische stijl' een eigen ontwikkeling doormaakte die op zijn beurt de al­gemene Duitse en Italiaanse stijlen beïnvloedde. Met andere woorden, bepaalde stijlkenmerken op vijftiende-eeuwse harnas­sen kunnen in onze gebieden eerder zijn voorgekomen dan in de Duitse en Italiaanse. In het licht van het bovenstaande moet o.i. het Dordtse harnas geanalyseerd worden.


Wat stilistisch het meest aan het Dordtse harnas opvalt zijn de radiale ribbels, die centraal uit de taille ontspringen en zowel over de borstplaat als over de buikstro­ken (die in deze zin als één gestrookte of gelede plaat kunnen worden beschouwd) naar buiten toe uitwaaieren. In het algemeen versterkten zulke ribbels natuurlijk de gehele ijzeren oppervlakte waar­van zij deel uitmaakten, want de plaatdikte kon met behoud van dezelfde sterkte dunner worden gehouden dan bij een geheel gladde oppervlakte.


Af en toe ziet men zulke ribbels al op borstplaten uit het begin van de vijftiende eeuw. Echter, anders dan op het Dordt­se harnas hadden de buikstroken bij bolle borstplaten toen geen versterki­ngsribbels; zij waren geheel glad. Welis­waar zijn er uit die tijd geen of nauwelijks origi­nele har­nassen meer over­gebleven, maar wij kennen hun vormen en details van stenen beelden en afbeel­din­gen, vooral uit Duitse gebie­den. De twee hoofdvormen van bolle borstplaat uit eind 14e-begin 15e eeuw waren of kogel­rond (Italiaa­ns) of ‘zak’vormig d.w.z. met een brede bolling onderaan (Duit­s). Naast deze bolle borstplaten bestond er nog een vaak voorkomende, praktisch uitsluitend Duitse vorm die zeer hoekig was en Kastenbrust werd genoemd.


Bij het harnas van Dordrecht echter hebben de ribbels behalve een functie ook een decoratieve taak. Zij hebben een zodanig eigenwil­lige nadrukkelijke vorm dat het net lijkt alsof ze iets willen onderstrepen. Juist hun voortzetting in tegengestelde richting op de buikstroken (alwaar ze gezien de smalte van de stroken nauwelijks tot versterking b­ijdroegen) moest het totale harnas een indruk van slankheid geven. Dat is een typisch kenmerk van de zogenaamde hooggotiek uit de tweede helft der vijftiende eeuw. Vooral op Duitse harnassen en Duits-Italiaanse mengvor­men van na ca. 1475 zal deze zucht tot benadrukking van slank­heid leiden tot nog veel meer radiale ribbels, die in meerdere groepjes worden gerangschikt en ook op andere platen van het harnas te vinden zijn. Ook de helm krijgt dan zulke ribbels, die bijvoorbeeld uit de voorhoofdsplaat ontspringen, maar ook de dijbeenplaten, de handschoen- en de elleboogkappen. Aan het eind van de vijftiende eeuw worden de ribbels steeds meer gecombineerd met groeven of cannelures die er tussenin lagen. Zelfs de randen van sommige platen die tot dan toe cirkel- of boogvormig waren, worden dan gekarteld, waarbij de ribbels en groeven op de kartelingen aansluiten. Dat is zichtbaar op het zgn. gotische harnas, een in feite verkeerde naam omdat het tijdperk der gotiek al veel eerder ontstond.


Pas kort na 1500 – in feite in details al heel kort daarvóór - zou de invl­oed der Renaissance op harnassen herkenbaar worden en door de nadruk op brede vormen te leggen, die van slankheid wegnemen: de zogenaamde Maximiliaanse stijl. Maar nu zijn we te ver vooruit in de tijd gegaan met het Dordtse harnas, dat nog duidelijk laat-gotisch is.


Het harnas van Dordrecht komt nog het meest overeen met een eveneens opgegraven (bij Tongeren in België) borstplaat plus buikstroken, die op omstreeks 1460 wordt gedateerd. Men kan er echter gevoegelijk van uitgaan dat het Dordtse harnas een zogenaamd munitieharnas is d.w.z. een goedkoop seriematig ver­vaardigd exemplaar bestemd voor een voetsoldaat. De toch vrij dunne borstplaat mist bijvoorbeeld een onderborstplaat, een zgn. plackart, die op vrijwel alle kwaliteitsharnassen uit die tijd voorkomt. Harnassen uit serieproductie waren natuur­lijk niet van de allernieuwste stijl. Dan kon ook niet omdat een nieuwe stijl doorgaans door vorsten en rijke ridders het eerst werd gedrag­en. Het waren harnassen voor vermogende bestellers die gewend waren e­isen te stel­len, en die moesten evenals kleding voldoen aan de aller­nieuwste eisen van de mode. Binnen enkele jaren werd zo'n nieuwe stijl dan door mindere goden nageaapt. Voordat nog eenvoudigere voetsoldaten harnassen van een nieuwe stijl gingen dragen, was men vijf tot tien jaren verder. Daarom kan het Dordtse harnas veiligheidshalve op zijn vroegst op 1465-1470 gedateerd worden; het kan heel goed nog zelfs iets later zijn.


(Delft, 6 mei 1999)




Naschrift door J.P. Puype, januari 2012

Het bovenstaand oordeel heb ik, destijds hoofdconservator van het Legermuseum in Delft, gegeven op verzoek van Johan Hendriks, gemeentelijk archeoloog, afd. Stadsontwikkeling Dordrecht, en aan hem opgestuurd per fax op 6 mei 1999, briefnummer 0776/99 KNLWM. De kwestie waar het om ging was dat de vinder het harnas in verband bracht met het beleg van de stad door Jacoba van Beieren in 1418 en dat de gemeentelijk archeoloog van Dordtrecht dit bevestigd of ontkracht wilde zien door een deskundige van het Legermuseum, die daartoe werd verzocht een zo gefundeerd mogelijke datering van de vondst te geven.

De bovenstaande versie van het oordeel is door mij taalkundig enigszins, doch zeer terughoudend, geredigeerd t.o.v. het origineel uit 1999.

De reden dat het alsnog wordt geplaatst is het verschijnen in Westerheem jrg.60 (2011) nr.6 (p.288-297) van het artikel “Het harnas uit Dordrecht : een unieke vondst onder de Dubbeldamse weg” door de heer C. van der Esch, de oorspronkelijke vinder. In zijn artikel verwijst de auteur herhaaldelijk naar het mijn oordeel uit 1999 dat tot nu toe echter nooit was gepubliceerd.


(email: jppuype@gmail.com; website: www.adviesoudewapens.nl)


 

Home         Sitemap         Contact