Voorgeschiedenis, ontstaan en verdere ontwikkeling van de landelijke werkgroep archeologie onder water

 

Sinds 24 september 1994 is de AWN een werkgroep rijker. Op die datum werd in Utrecht met veel enthousiasme van de toenmalige voorzitter Pieter van der Voorde, de Landelijke Werkgroep Archeologie Onder Water (LWAOW) opgericht. Het initiatief  hiertoe was beslist bijzonder, want de leden van de AWN bestonden tot op dat moment uitsluitend uit op het land gerichte amateur archeologen.

 

De aansluiting van archeologisch geïnteresseerde duikende leden bij de AWN was zeker geen vanzelfsprekende zaak. Dit ondanks het feit dat het nederlandse grondgebied voor het overgrote deel uit water of voormalig water bestaat en dus ook de archeologische restanten zich voor een groot deel in deze gebieden bevinden. Denk daarbij niet uitsluitend aan maritieme restanten zoals schepen, maar ook aan bruggen en verdronken dorpen. Hoog tijd dus om de duikende en archeologisch actieve leden in een werkgroep samen te brengen.

 

Onder de zich sinds 1980 ontwikkelende beroepsgroep van onderwater archeologen leefde deze wens al langer. Voor hen was en is duidelijk dat, wil de archeologie onderwater zich verder kunnen ontwikkelen, dat niet kan zonder de gewaardeerde hulp en inzet van de vele sportduikers die waterrijk Nederland kent.

 

Bovendien zou het eeuwige dilemma waarin deze groep duikers zich bevindt nu eindelijk eens opgelost moeten worden. Namelijk een groep die duiken als sport beoefent en tijdens dat duiken, vaak als enige waarnemer, zaken tegenkomt die van archeologisch belang zijn, maar die in eerste instantie niet het hoofddoel vormt van hun sportbeoefening. Wat hiermede bedoeld wordt is dat de achtergrond van de gemiddelde duiker een andere is dan die van het gemiddelde AWN lid.

 

AWN leden starten met hun hobby vanuit een diep gevoelde passie voor de archeologie. Duikers starten hun hobby met een diep gevoel voor de bijzondere onderwater wereld. Het initiatief van september 1994 was er vooral op gericht om de archeologisch geïnteresseerde groep duikers te plaatsen binnen de wereld van de archeologie, waarbij het duiken als een nuttig hulpmiddel beschouwd dient te worden.Dat het bovenstaande geen loze kreet is mag blijken uit de vele in het verleden ondernomen pogingen de archeologie onderwater handen en voeten te geven. Al in de zestiger jaren  ontwikkelden zich twee groepen uit de Nederlandse Jeugdbond ter Bestudering van de Geschiedenis (NJBG). Namelijk de Stichting Onderwater Onderzoek (SOWO) en de werkgroep Submarine Archeologisch Onderzoek (SAO). In 1963 voerde de SOWO, onder leiding van wijlen prof. J. Bogaers, het onderwater onderzoek uit bij de Romeinse brug in Maastricht.

 

Interessant is te bedenken dat in die tijd de ROB en prof. Bogaers volstrekt afhankelijk waren van de inzet van amateur archeologen voor dit type van onderzoek. Ruim tien jaar later (1976) was een kerngroep van de Stichting Onderwater Archeologie (STOA) betrokken bij het onderzoek naar een 18e eeuws scheepswrak in het Oostvoornse meer. Later werkte de kersvers aangestelde coördinator onderwater, dr. Th. J. Maarleveld van het toenmalige ministerie van W.V.C., veelvuldig en succesvol samen met bestaande duikclubs en individuele duikers om  inzicht te krijgen in het grote aantal archeologisch interessante vindplaatsen die bij betrokkenen bekend was.

 

De eerste jaarverslagen maken dat meer dan duidelijk. Deze pioniers kan men niet genoeg waarderen. Zij hebben ervoor gezorgd dat de Nederlandse overheid inzicht kreeg in de rijke onderwater wereld, die tot dan toe buiten zicht was gebleven. Opvallend is ook dat de monumentenwet van 1961 pas in 1988 van toepassing is verklaard voor de onderwater gelegen vindplaatsen.Een wat recenter initiatief in dit veld is de Stichting ter Bevordering van de Onderwater en Scheepsarcheologie (de stichting BOS), die al snel een congres in het scheepvaartmuseum te Amsterdam organiseerde teneinde er achter te komen hoe verschillende partijen als het bedrijfsleven, de marine en bijvoorbeeld de maritieme historie tegen de onderwater archeologie aankeken.

 

De stichting ondersteunt nog steeds projecten die verband houden met de scheepsarcheologie als zodanig. Als één van haar activiteiten op dit vlak kan genoemd worden de ondersteuning door middel van een sponsoringactie van het project Romeinse Maasbrug bij Cuijk. Een project waarbij de overheid en amateurs van de toenmalige Werkgroep Onderwaterarcheologie Oostelijk Rivierengebied (WOOR) hebben samengewerkt. Ook de Stichting Maritiem Onderzoek Nederland (STIMON) moet worden genoemd.

 

Veel van de al genoemde duikclubs en individuele duikers maken deel uit van de STIMON. Zij waren het ook die in eerste instantie bezwaar maakten tegen de in hun ogen forse beperking die de nieuwe monumentenwet hen oplegde. Ook de STIMON stelt zich op het standpunt dat de hoeveelheid archeologisch interessante vindplaatsen een eindige is en dat eenmaal door menselijk ingrijpen verstoorde vindplaatsen veel zo niet alles aan hun informatiewaarde verliezen.

 

Tegenwoordig ondersteunen de LWAOW en de STIMON elkaar als zusterpartijen met elk een eigen invalshoek, waarbij als dat nuttig en nodig is wordt samengewerkt. De STIMON kenmerkt zich door activiteiten op de grote open wateren als de Waddenzee, de Zeeuwse voordelta en de Noordzee.

 

De oprichtingsvergadering van de LWAOW in de Kargadoor in Utrecht trok ongeveer vijftig belangstellenden en werd bijgewoond door de toenmalige voorzitter Pieter van der Voorde en Jan Bakker, secretaris van de AWN. Tevens waren aanwezig Jaap Morel, Thijs Maarleveld en Jef van den Akker van het NISA.  In een eerste schrijven van de secretaris van de AWN aan degenen die zich hebben opgegeven voor wat toen nog heette ‘de Werkgroep AWN, afd. Onderwater’, wordt meteen al de nadruk gelegd op de archeologie. Zo worden bijvoorbeeld niet alleen duikers uitgenodigd aan de werkgroep deel te nemen maar ook  niet-duikers.

 

De eerste vergadering van wat inmiddels de Landelijke Werkgroep Onderwaterarcheologie (LWO) heet, vindt plaats op 6 oktober 1994 te Amersfoort. Uit de aanwezigen wordt een bestuur gevormd, bestaande uit Boudewijn Goudswaard (voorzitter), Joop Werson (secretaris), Jan Schreurs (penningmeester en techniek en tekenen), Hans Hardenberg (contacten werkgroep en hoofdbestuur AWN), Maaike Trachter (contacten duikers en coördinatoren), Doeke Roos (coördinatie Zeeland), Joost van den Besselaar (coördinatie binnenland), Ed Beugel (coördinatie noord Nederland en Waddenzee) en Jef van den Akker (contact en overleg met het NISA).

 

Uit bovenstaande opsomming blijkt dat in eerste instantie het land werd opgesplitst in drie regio’s, namelijk:

–       Zeeland en zuid Nederland

–       Binnenland

–       Noord Nederland en Waddenzee

 

Echte concrete archeologische activiteiten worden nog niet besproken, wel de diverse vormen van lidmaatschap van de AWN.  Veel aanwezigen zijn immers al lid van een duikvereniging en willen gebruik maken van het geassocieerd lidmaatschap van de AWN, waarbij de betreffende duikclub lid is van de AWN en de leden van die duikclub geassocieerd lid van de AWN. De coördinatoren zullen zo snel mogelijk de aanwezigen van de oprichtingsvergade-ring in de afzonderlijke regio’s benaderen en ze informeren over mogelijke projecten in de betreffende regio’s.

 

Van het begin af aan vormen de coördinatoren de centrale spil in de organisatie. Zij zijn degenen die lokaal op de hoogte zijn van de archeologische ontwikkelin-gen in de regio en regelmatig contact onderhouden met toen nog de Afdeling Archeologie Onderwater (AAO) en later met het NISA. Rond Joost van den Besselaar is dan al de Werkgroep Onderwaterarcheologie Oostelijk Rivierengebied (WOOR) actief, die ook participeerde in het onderzoek naar de Romeinse brug bij Cuijk. Rond Doeke Roos opereert al enkele jaren de Stichting Behoud Onderwaterschatten Zeeland (SBOZ).

 

De regio noord Nederland, met als coördinator Ed Beugel, moet nog helemaal opgezet worden, terwijl de groepen op de waddeneilanden voornamelijk nog onder de STIMON opereren. De indeling in regio’s is op dat moment nog geheel georiënteerd  op de in het land gelegen watergebieden. Het is echter van cruciaal belang ook archeologisch geïnteresseerde duikers en clubs te benaderen die al veel langer op de Noordzee en de Waddenzee actief zijn, zoals de al genoemde STIMON leden.  Door overleg, wederzijdse participatie in elkaars activiteiten en goede voorlichting is ook dit streven in de loop der jaren gelukt.

 

Direct al tijdens de tweede vergadering wordt onder leiding van Boudewijn Goudswaard gewerkt aan een beleidsplan. Belangrijke punten daarin zijn:

–       de archeologie beoefening staat centraal

–       theoretische en praktische scholing

–       uitwisseling van ervaringen

–       werken volgens een planmatige aanpak

–       voorlichting door middel van een bulletin.

 

Bij de start was het aantal leden ongeveer veertig. Twee jaar later was dat ongeveer honderd en in 1999 is dat aantal al gestegen tot rond honderdtwintig leden. Gezien de sterke groei kan worden gesteld dat het initiatief van september 1994 goed is aangeslagen.

 

Een eerste belangrijk succes van de nieuwe werkgroep was het studie/werk weekend te Ketelhaven op 11 en 12 maart 1995. Aan de deelnemers (ongeveer 50) werd gevraagd vooraf delen van de Engelstalige NAS guide (Nautical Archaeology  Society) te lezen, zodat daar plenair over gediscussieerd kon worden. De guide is een theoretisch en praktisch standaard-werk op het gebied van de archeologie onderwater. Daarnaast werd een aantal lezingen gehouden en werden de tweede dag een aantal praktische meetoefeningen uitgevoerd. De reacties op het weekend waren zeer positief. Nog niet eerder had in Nederland iets dergelijks plaatsgevonden en ook niet eerder ontdekten duikers van elkaar dat zij zoveel gemeenschap-pelijke ervaringen deelden.

 

Een tweede belangrijk succes was de brief d.d. 10 april 1995, die secretaris Jan Bakker van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ontving als antwoord op zijn vraag aan welke verplichtingen duikende amateur-archeologen zouden moeten voldoen binnen de nieuwe Arbo-wet en het besluit Arbeid Onder Overdruk. Zowel de rijksoverheid (het NISA) als de LWAOW hadden behoefte aan een duidelijk standpunt.  In reactie op beider inspanningen werd in de brief duidelijk gesteld dat sportduikers, actief als amateur-archeologen of biologen, niet onder het besluit arbeid onder overdruk zouden vallen. Tevens werd een aantal samenwerkingssituaties met bijvoorbeeld de beroepswereld uitgewerkt. Deze brief staat nog altijd centraal bij allerlei vormen van samenwerking en wordt tot op de dag van vandaag als standaard gehanteerd.

 

In de loop der jaren zijn ook contacten gelegd met de diverse buitenlandse amateur-organisaties, zoals de reeds genoemde NAS. Daarnaast zijn er contacten met de Duitse organisatie DEGUWA . De Engelse organisatie had naast de guide al een compleet opleidingsprogramma klaar. Na overleg is besloten dit programma met aanpassingen ook in Nederland te hanteren. Ongeveer vijftien LWAOW leden hebben daartoe een opleiding gevolgd en kunnen zich nu instructeur noemen. Als gevolg daarvan loopt de LWAOW landelijk voorop waar het gaat om scholing en opleiding van de amateur archeoloog. Dat wil zeggen praktijk en theorie cursussen die in het Nederlands worden gegeven.

 

Diverse praktijk en theorie weekenden zijn al met succes georganiseerd. Bijzonder daarbij is dat er in Zeeland een onderwater locatie is gevonden waar bij hoogwater metingen worden verricht en detailtekeningen worden gemaakt met moderne hulpmiddelen.  Door het weinige zicht en de vertekening onderwater komen vrijwel alle kandidaten met ervaringen boven die sterk afwijken van hetgeen ze op hun leitje hebben genoteerd. Toch wordt gevraagd de gegevens uit te werken. Bij laagwater, als de vindplaats droog ligt, blijkt dan tot ieders verbazing dat de moderne hulpmiddelen gelijk hebben. Dat zijn nog eens leermomenten! Ook deze cursus-weekenden worden door de leden hogelijk gewaardeerd.Tot slot moet nog het nodige worden gezegd over het uiteindelijke doel van dit alles, namelijk de archeologie! Jaarlijks wordt in navolging van de AWN een schervendag georganiseerd, die de laatste tijd tot aan honderd deelnemers telt. Alle groepen uit het binnenland en de kustprovincies ontmoeten elkaar en tonen de resultaten van de werkzaamheden. Lezingen worden gehouden over afwisselende onderwerpen door zowel beroepsarcheologen als leden van de LWAOW.

 

Het belang is dat over inhoudelijk belangrijke onderwerpen, zoals bijvoorbeeld de dendrochronologie goede voorlichting wordt gegeven, terwijl de leden van de LWAOW vooral verslag doen van hun locale activiteiten en zodoende elkaar op de hoogte houden van hetgeen er in de afzonderlijke regio’s plaatsvindt  Contact met elkaar en het kunnen uitwisselen van ervaringen blijkt heel belangrijk te zijn en wordt ook hoog gewaardeerd. Samenvattingen van de onderzoeken die in de regio’s hebben plaatsgevonden zijn over zoveel jaren moeilijk te geven. Het volgend overzicht schiet daarom bij voorbaat te kort.

 

Allereerst moet vermeld worden dat de drie regio’s die bij de eerste vergadering gedefinieerd werden zich inmiddels hebben opgesplitst in meerdere regio’s:

–   regio Noord, coördinator Winfried Walta

–   subregio Waddeneilanden, coördinator Nico Brink

–   subregio Groningen, coördinator Jules de Jagher

–   regio Noordwest  (vacature)

–   regio Oost, coördinator Hans Bruggeman

–   regio Zuidoost (vacature)

–   regio Zuidwest, coördinator Dik Vuik

–   subregio Zeeland, coördinator Ber Sterkendries.

 

Het bestuur wordt op dit moment gevormd door:-   Jan Venema, voorzitter en lid hoofdbestuur van de AWN.-   Albert Zandstra, secretaris-   Jules de Jagher, penningmeester-   –   Arthur Klaphake, webmaster-   Martijn Manders, vertegenwoordiger ROB/NISA (geen lid van het bestuur).

 

Diverse onderzoeken zijn door de regio Noord uitgevoerd in zowel de Waddenzee (Burgzand en de Jetting) als het IJsselmeer (voor de kust bij Stavoren en Hindelopen). Nauwe banden worden door de regio Noord met de duikverenigingen op vrijwel alle Waddeneilanden (zowel STIMON als LWAOW leden) onderhouden. In samenwerking met het NISA zijn in het verleden door Texelse LWAOW leden onderzoeken uitgevoerd op het Burgzand in de Waddenzee, door Terschellingse LWAOW leden onderzoeken op vier plaatsen in de Waddenzee en de Noordzee.

 

De regio Noordwest heeft zich vooral met het vermoede kasteel van Floris de vijfde voor de kust van West-Friesland in het IJsselmeer beziggehouden en doet nu onderzoek naar  diverse scheepswrakken in het IJsselmeer  bij onder andere Medemblik en de Hoornse Hop.

 

De regio Oost heeft het gezien haar ligging wat moeilijker, maar te noemen valt het onderzoek naar het kasteel Hulcestein in het randmeer bij Nijkerk, verkenningen in de Byland bij de Rijn, onderzoek bij Doesburg in de IJssel,  het onderzoek in de Waal te Hattem en het onderzoek naar het veenbos te Zwolle.

 

Al jaren voor de oprichting van de LWAOW werkte de regio Zuidoost, onder de vlag van de WOOR (Werkgroep Onderwaterarcheologie Oostelijk Rivierengebied), mee aan het onderzoek naar de Romeinse brug bij Cuijk en de Romeinse brug in Maastricht. Vele, vele meldingen en onderzoeksverslagen zijn gekomen uit de Maas. O.a. een laatmiddeleeuws scheepswrak bij de Neer en scheepsvondsten de Waal (o.a. Heesselt en Nijmegen). Wat bijzonder is, is dat de groep er in geslaagd is als eerste tot een rapportagevorm te komen die nu als standaard binnen de LWAOW wordt gehanteerd en die activiteiten systematisch vastlegt.

 

Tot slot de regio Zuidwest. Ook daar was al een voorloper in de vorm van de Stichting Divem et Emergo, die onderzoek deed naar het verdronken dorp Bommenede in de Grevelingen. In LWAOW verband zijn onderzoeken uitgevoerd in het Brielse en Oostvoornse meer, tevens is twee jaar geleden opnieuw gekeken naar de plaatsbepaling van de Brittenburg in de Noordzee en het wrak van de Delft eveneens in de Noordzee.

 

De subregio Zeeland ontwikkelt zich voorspoedig. Zij doet onderzoek in de Ooster en Westerschelde en op de Noordzee. Te noemen valt het hernieuwde onderzoek naar de Nehalennia altaarstenen in de Oosterschelde. Het lijkt er op dat veel meer bewaard is gebleven dan aanvankelijk gedacht. Er lijkt niet alleen sprake te zijn van een heiligdom maar ook van een nederzetting. In ieder geval is in overleg met de provinciaal archeoloog van Zeeland en het NISA besloten de ontwikkelingen nauwkeurig te volgen en mogelijk tot bescherming van de vindplaats over te gaan. Op de Noordzee valt te noemen onderzoeken in het Brouwershavensegat en de Roompot.

 

De LWAOW ontwikkelt zich  voortreffelijk  en op 2 oktober 2004 kon in Lelystad het tienjarig jubileum worden gevierd. Ook Internet en de E-mail worden steeds meer door de LWAOW benut .Waar we zeker trots op zijn is dat de LWAOW voorop loopt waar het gaat om theoretische en praktische scholing.