Hieronder staat de reactie die Jan Verhagen schreef op het artikel “Malta en de rol van vrijwilligers in de archeologie 3” gepubliceerd in Westerheem juni 2011.Ook andere reacties of bijdragen hierover zijn van harte welkom bij de werkgroep belangenbehartiging RO. Mailadres:
We zullen zoveel mogelijk uw reacties ook toevoegen aan deze web-discussie-pagina.
De rol van vrijwilligers in de archeologie binnen de regels van het Rijk
Met belangstelling heb ik de artikelen van Tonnie van de Rijdt onder de titel “Malta en de rol van vrijwilligers in de archeologie” gelezen. Ze bieden een goed leesbaar overzicht van de stand van zaken en geven aan dat er voor AWN-ers genoeg te doen valt, zeker als we enige moeite doen om te weten welke ruimte de huidige regelgeving ons biedt. In dit opzicht trof ik in het derde artikel1 twee discussiepunten aan, waarop ik hier graag wil ingaan.
Booronderzoeken
In het gedeelte over booronderzoeken (pag. 117) staat dat voor het boren naar archeologische waarden toestemming van de RCE nodig is. Dit verbaast mij. In 2006 heeft Leonard de Wit van de (toen nog) ROB in Westerheem2 immers de benodigde duidelijkheid gegeven. Hij gaf aan dat alleen boorwerk bij Inventariserend Veldonderzoek, dat dient ter voorbereiding op besluiten over bodemverstorende projecten, als opgraven wordt beschouwd en gebonden is aan vergunning. “Al het andere archeologisch booronderzoek is een vrije activiteit die door iedereen kan worden bedreven”. Dit was geënt op de beleidsregel “boren = opgraven” en de bedoeling die het ministerie erbij had aangegeven. Het ging er namelijk om de kwaliteit van beroepsmatige archeologische boringen te kunnen bewaken en het was uitdrukkelijk niet de bedoeling om archeologische boringen door anderen met administratieve rompslomp te belasten. Het was toen dus helder. Nu is de regelgeving kennelijk weer aangescherpt met opnieuw bureaucratische rompslomp tot gevolg. Ik ben benieuwd naar de achtergrond en motivatie van deze gewijzigde regelgeving.
Eigen opgraving op vrijgegeven gebied
In het gedeelte over eigen opgravingen op vrijgegeven gebieden (pag. 115) wordt het noodzakelijke negatieve selectiebesluit van het bevoegd gezag genoemd. Er wordt echter met geen woord gesproken over de mijns inziens nog steeds bestaande eis van de RCE dat er (ook) een negatief selectieadvies van een (senior)archeoloog nodig is. De oorsprong van deze (nogal bekritiseerde) regel van het selectieadvies ligt in 2003, samenhangend met het toenmalige interimbeleid. In een brief3 gaf Saskia van Dockum (toen plv. directeur ROB) aan dat amateurs mogen opgraven als er geen onderzoek wordt geadviseerd door een overheidsarcheoloog (negatief selectieadvies).
Gedurende enkele jaren was deze regel zelfs bij medewerkers van de Rijksdienst nauwelijks bekend en werd in de praktijk uitgegaan van een negatief selectiebesluit. Dat veranderde in 2006, toen er van de kant van de Rijksdienst een stroomschema4 kwam, waarin is weergegeven wanneer amateurs toestemming voor archeologisch graafwerk kunnen krijgen. Het schema is gebaseerd op het negatief selectieadvies. Door publicatie van dit schema kreeg deze regel meer bekendheid. De achtergrond is natuurlijk dat de Rijksdienst wilde tegengaan dat gemeentes te gemakkelijk zouden afwijken van het advies van de betrokken archeoloog.
Inmiddels zijn we vijf jaar verder en is er veel veranderd in de Nederlandse archeologie. Het stroomschema is nog maar beperkt bruikbaar. Zo valt op dat, terwijl binnen de AMZ-cyclus de rol van het bevoegd gezag essentieel is, deze term in het stroomschema in het geheel niet voorkomt. Verder houdt het schema geen rekening met de oppervlaktegrenzen voor het archeologisch onderzoek. Bij een bodemverstoring beneden die grens (die per gemeente kan variëren) wordt überhaupt geen selectieadvies uitgebracht. Inmiddels is gelukkig in een aanvullende regel bepaald dat amateurs in deze situatie toestemming krijgen.
Blijft bij mij de vraag of het negatieve selectieadvies nog steeds van toepassing is. Daarom heb ik de websites van AWN en RCE geraadpleegd.
Op de website van de AWN staat5:
De voorwaarden voor het verlenen van toestemming blijven zoals die nu ook reeds gelden:
■er moet sprake zijn van een negatief selectiebesluit, waaronder dus ook begrepen wordt geen archeologische onderzoeksplicht op basis van het gemeentelijk beleid;
■of er moet sprake zijn van een toevalsvondst waarbij de archeologische resten dezelfde dag of de dag erop worden vergraven (dan achteraf toestemming aanvragen);
De RCE maakt bij een besluit wel of geen toestemming te verlenen een eigen afweging maar overlegt ook steeds met de gemeente- of provinciaal archeoloog.
Op de website van de RCE staat6:
In een beperkt aantal gevallen is het ook mogelijk dat amateurarcheologen zelfstandig onderzoek verrichten onder de opgravingsbevoegdheid van de Rijksdienst. Het betreft twee situaties:
■In het geval van een toevalsvondst, waarbij geen andere oplossing voorhanden is omdat de archeologische resten dezelfde dag of de dag erop worden vergraven
■Wanneer er geen indicatie van de provinciaal of gemeentelijk archeoloog of de Rijksdienst is dat er een professionele opgraving moet plaatsvinden.
Het lijkt dat de websites van AWN en RCE elkaar tegenspreken, omdat de AWN een benodigd negatief selectiebesluit noemt en de RCE een benodigd negatief selectieadvies. Toch is dat maar schijn, omdat op de website van de AWN verder staat dat de RCE een eigen afweging maakt. We mogen er van uit gaan dat deze afweging in het verlengde van het benodigde negatief selectieadvies zal liggen. Vraag is daarbij of het stroomschema uit 2006 nog steeds geldig is, of het is vervallen, of dat er een geactualiseerde versie gaat komen?
Hoe is nu de praktijk? In verreweg de meeste gemeenten is de implementatie van Malta goed op weg. Dat van selectieadviezen van archeologen wordt afgeweken komt zelden of nooit voor en als het voorkomt, ligt er een afweging van belangen aan ten grondslag. Het Rijk heeft de gemeenten immers tamelijk autonoom gemaakt op het gebied van de archeologie. Waarom dan nog vrijwilligers toestemming weigeren en in feite verbieden reddingswerk uit te voeren, in dat zeldzame geval dat er een positief selectieadvies en een negatief selectiebesluit is? En dat met op de achtergrond overtreding van de monumentenwet, terwijl er door de aanstaande vernietiging van dat bodemarchief niets meer te overtreden valt. Betrokken amateurs hanteren een Malta-ethiek7 en willen “hun” bodemarchief niet ongezien verloren laten gaan. Zij stellen het doel van Malta (in dit geval behoud ex situ) dan boven het meningsverschil tussen de twee overheden. Heel bekend is de stelregel: “In geval van nood mag en moet men dopen”. Wordt het daarom niet tijd dat de archeologie een volgende stap naar volwassenheid zet en de regel van het negatief selectieadvies afschaft?
Jan G.M. Verhagen
Afbeeldingen

Afb. 1. Leden van AWN afdeling Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland verrichten in 2003 booronderzoek op de plek van het voormalige kasteel Harselo te Bennekom. Hierbij kon het verloop van de kasteelgracht in beeld worden gebracht. (Foto Diederik Mittendorp)
Noten
1. Van de Rijdt, 2011.
2. De Wit, 2006.
3. Brief van april 2003 van de R.O.B. aan het hoofdbestuur van de AWN over het verrichten van opgravingen door amateurarcheologen. Deze brief is weergegeven in Westerheem 52, 108-110.
4. Van Rooijen en Manders, 2006.
5. www . awn-archeologie . nl
6. www . cultureelerfgoed . nl
7. Verhagen, 2003, pag. 232.
Literatuur
Rijdt, T. van de, 2011: Malta en de rol van vrijwilligers in de archeologie [3]: Meewerken aan archeologisch onderzoek. Westerheem 60, 114-121.
Rooijen, C. van, & Manders, M., 2006: De gang naar zelfstandig veldonderzoek door de amateur-archeoloog. Westerheem 55, 178-183.
Verhagen, J., 2003: Amateur-archeologie: Van negatief gevoel naar positieve actie? Westerheem 52, 230-239.
Wit, L. de, 2006: Boren is opgraven. Mogen we dan helemaal niks meer? Westerheem 55, 2-4.