Veldwerk 2018

Veldverkenning Ginkel Heijdenstadt, Ede, zaterdag 27 januari
Op zaterdag 27 januari ondernamen we een archeologische gebiedsverkenning op de Ginkelse Heide bij Ede. De aanleiding hiervoor was een kaart uit 1632, gekopieerd in 1731, waarop bij het oude buurtschap Ginkel een plek staat aangegeven als “Heijdenstadt”.
(Hiervan is verder niets bekend, maar in andere regio’s komen soms ook wel van dit soort aanduidingen voor, bijvoorbeeld “Heijdense plaats”. Vaak is er dan iets te zien in het landschap, dat men indertijd niet kon verklaren, zoals bijvoorbeeld een raatakker.)
           
Het doel van dit kleine project was het lokaliseren van de Heijdenstadt en vast te stellen of we aanwijzingen konden vinden voor de aard van de plek. De verkenning had ook een cursuskarakter, met name het leren herkennen van de verschillende aspecten van het landschap en deze te duiden.
 
Om 10 uur was iedereen verzameld. Na een korte introductie vertrokken we naar een plaats waar op de AHN-kaart ronde cirkels te zien waren die mogelijk duiden op houtskoolmeilers.Op weg naar ons uiteindelijke doel passeerden we nog enkele grafheuvels. Met behulp van GPS en kaarten (ook online AHN-kaarten) bekeken we hoe het reliëf in de omgeving was. Van specifieke waarnemingen en objecten legden we de coördinaten vast. Het reliëf, dat mogelijk verband houdt met de Heijdenstadt, was duidelijk te herkennen als een ovale cirkel van duinen, duinen die niet alleen door verstuiving ontstaan waren maar misschien ook door de mens opgeworpen waren. We combineerden de oude kaarten met de AHN-gegevens en onze eigen waarnemingen. Nadat nog enkele metingen verricht werden en een bodemmonster genomen was vervolgden we onze weg naar de Mechelse Kuil.
Deze dag, waarbij meerdere deelnemers hun bijdrage leverden, was leerzaam en gezellig. Deze eerste veldverkenning verdient zeker een vervolg.

Archeologisch onderzoek Bennekom Huize Boekelo 14 en 28 april 2018
Mede op aanwijzing van de eigenaar is een boorraai uitgezet haaks op de voorgevel van het woonhuis, met boorpunten per 2 m. In diverse boringen werd de ongeroerde grond bereikt tussen 1/2 en 1 meter diepte. Op enkele naast elkaar liggende boringen was de grond diep geroerd, tot meer dan 2 meter diepte. Onze voorlopige interpretatie is dat dit de gracht is, die te zien is op een plattegrond uit de 17e eeuw, die de eigenaar ons liet zien. Deze gracht moet parallel aan de voorgevel van het woonhuis lopen. De boring (nr. 4) bij de binnenrand (woonhuiszijde) van de gracht liep op een diepte van ongeveer een halve meter vast op puin. Hier bleek niet doorheen te komen. Mogelijk is dit puinstort in de gracht bij het binnentalud. De overige boringen leverden alleen wat kleine puinfragmentjes op. Op basis van deze bevindingen werd afgeweken van het plan van aanpak en besloten tot het direct graven van een sleufje parallel aan de boorraai. Doel was om meer zicht te krijgen op de aard van het puin en een profiel van de binnenoever van de gracht te maken. Op het talud kunnen zich immers (bereikbare) lagen bevinden die iets zeggen over de ouderdom en fasering van de gracht. Het werk aan het sleufje kon nog niet worden voltooid. De eigenaar vindt het geen probleem als het sleufje nog open blijft liggen. Het aangetroffen schervenmateriaal is overwegend uit de 16e – 18e eeuw. Ouder zijn een bodemfragment met pootje van blauwgrijs aardewerk en een scherfje dat mogelijk uit de vroege of volle middeleeuwen dateert.