Een vroeg-mesolitisch “vuursteenatelier” uit de Engbertsdijksvenen, gemeente Twenterand

Artikel verschenen
Een vroeg-mesolitisch “vuursteenatelier” uit de Engbertsdijksvenen, gemeente Twenterand.
Onder deze titel is inmiddels een artikel verschenen door Marcel Niekus en Ben Klein Nagelvoort in “Overijssels Erfgoed, Archeologische en Bouwhistorische Kroniek 2018”.

Korte Samenvatting
Eind februari 2018 liep ik te wandelen met de hond in dat prachtige veengebied boven Almelo, de Engbertsdijksvenen in beheer bij Staats Bosbeheer. Het had flink gevroren en de vorst zat in de grond. Langs één  van de paden die vaak liep waren 2 grote graafmachines bezig om de turfachtige veenlaag te verwijderen hier en daar tot op het onderliggende zand.

Als ik zoiets zie kan ik het nooit laten om op verkenning te gaan en zo liep ik recht tegen een groepje vuurstenen aan. Ik heb verzameld wat ik er vond en ben later nog enkele keren teruggegaan om nog meer te verzamelen waaronder ook houtskool.

De eigenlijke vindplaats was maar klein, misschien 2 á 3 vierkante meter, maar in totaal konden 307 stuks vuursteen worden geborgen waaronder slechts 5 stuks met bewerking (retouche). Daarvan 2 mogelijke stekers (soort beiteltje). Daarnaast 55 klingen (spanen die langer zijn dan breed).

De ligging van de vindplaats, onder aan een lichte helling en op één van de diepst gelegen punten in de omgeving en vooral helemaal onder het ooit meters dikke veen gaf al aan dat het om een vindplaats met een behoorlijke ouderdom moest gaan.

De houtskool die in opdracht van Het Oversticht door de universiteit Groningen kon worden gedateerd plaatst de vindplaats in het vroege Mesolithicum (Midden-Steentijd) tussen 8418 en 8242 voor Chr. Dus ruim 10.000 jaar oud. En dat was een mooie verrassing!

Na analyse door Marcel Niekus is de conclusie mbt de vindplaats als volgt (en deze is integraal overgenomen uit het artikel):

Conclusie en slotopmerkingen
Ons beknopte onderzoek heeft uitgewezen dat de vindplaats in de Engbertsdijksvenen een speciaal type kampement uit het Mesolithicum betreft, namelijk een primaire vuursteenbewerkingslocatie.

Vanwege de doorgaans geringe grootte van dit type vindplaats en het (nagenoeg) ontbreken van formele werktuigen zullen dit soort locaties meestal aan de aandacht ontsnappen of opgaan in het grotere geheel wanneer het vindplaatsen betreft waar sprake is van meerfasige bewoning (palimpsesten). Het mag dan ook een wonder heten dat de vindplaats van slechts enkele vierkante meters groot is ontdekt en in feite betreft het een toevalsvondst die niet ‘gevonden’ had mogen worden. Er moeten echter vele honderden van dit soort bewerkingslocaties zijn geweest, maar tot dusver is slechts een handjevol gepubliceerd. De bekendste voorbeelden zijn de vindplaatsen Uffelte in Drenthe (Mesolithicum) en Waubach in Limburg (Laat-Paleolithicum).[i] Nu kunnen we dus nog een bewerkingslocatie aan het toch al kleine bestand toevoegen; de eerste die we met zekerheid aan het vroeg-boreale Mesolithicum kunnen toewijzen.

Vatten we onze bevindingen samen dan levert dit de volgende reconstructie op. Tijdens het Vroeg-Mesolithicum verzamelde een groepje jager-verzamelaars vuursteenknollen op het stuwwallencomplex Garstelanden-Kloosterhaar. Misschien werden de knollen ter plaatse al even getest en nam men de geschikt bevonden exemplaren – men had blijkbaar een voorkeur voor fijnkorrelige vuursteen zonder veel inclusies en fossielresten – mee naar het lager gelegen dekzandlandschap van de Engbertsdijksvenen.

Op de locatie werden de meegebrachte knollen verder getest en ‘ontschorst’ met een klopsteen van een hard gesteente, vermoedelijk kwartsiet. Hierbij kwamen interne vorstscheuren aan het licht en werden sommige stukken al in een vroeg stadium afgedankt. Geschikte knollen en blokken werden verder geprepareerd.  Met een klopsteen van een zachtere steensoort (of een vuursteenknol met cortex) werden vervolgens klingen geproduceerd in de kenmerkende ‘Coincy-stijl’; tussendoor werden bewerkingsfouten voor zover mogelijk gecorrigeerd tot het moment dat verdere exploitatie van de kernen geen zin meer had. Afgekeurde klingen (te gekromd, met steps en hinges) werden ter plaatse achtergelaten, terwijl de beoogde producten, een serie meer regelmatig gevormde klingen, mee werd genomen naar een volgende bivak. De mogelijke steker en de artefacten met vermoedelijke gebruikssporen kunnen er op wijzen dat er ook andere werkzaamheden zijn uitgevoerd. Waarschijnlijk hebben de activiteiten naast een haard plaatsgevonden.

Al met al heeft de vindplaats in de Engbertsdijksvenen veel informatie opgeleverd over allerlei aspecten van het gedrag van mesolithische jager-verzamelaars die we kunnen samenvatten onder het begrip chaîne opératoire. Dit is het samenspel van de doorlopen stappen of stadia van vuursteenbewerking en de ideeën hierachter, van de selectie van grondstoffen en de gebruikte percussietechnieken tot het afdanken van artefacten. Omdat er uit de Engbertsdijksvenen maar weinig andere vondsten en vindplaatsen uit de Steentijd bekend zijn vormt de locatie een welkome aanvulling op het archeologisch bestand en wordt hiermee het belang van het gebied voor de archeologie onderstreept.