‘Onze’ Drentse hunebedden hebben Franse wortels

Bron: DvhN 17 maart 2019

Door:  Job van Schaik, Cultuurjournalist Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant en schrijver van het boek ‘Hardloper Huizenga’.

De bouw van stenen grafmonumenten, zoals hunebedden, ontstond in Noordwest-Frankrijk. De uitwisseling van de technische kennis over de prehistorische bouwcultuur vond hoogstwaarschijnlijk vooral over zee plaats.

  • Dolmen bij Carnac, boven en hunebed bij Loon, onder

De eerste megalieten – grote stenen, prehistorische grafmonumenten zoals hunebedden – werden rond 4500 voor Christus gebouwd in Noordwest-Frankrijk. Dat zegt Bettina Schulz Paulsson in een artikel in het Amerikaanse wetenschappelijk tijdschrif PNAS. De Zweedse archeologe komt tot haar conclusie na het analyseren van alle beschikbare C14-dateringen: ouderdomsbepalingen die gemaakt zijn van organisch materiaal bij de megalieten.

Grote stenen

Van de ongeveer 35.000 megalieten (letterlijk: ‘grote stenen’) in Europa zijn 2410 dateringen bekend. Door deze te vergelijken kwam Schulz Paulsson tot de conclusie dat de gewoonte om grote stenen monumenten te bouwen 6500 jaar geleden ontstond in Bretagne. Binnen 200 tot 300 jaar verspreidde de nieuwe grafcultuur zich naar de Kanaaleilanden, Zuid-Frankrijk, Catalonië, Corsica en Sardinië.

Mogelijk behoren ook de stenen grafmonumenten uit Andalusië, Galicië en Noord-Italië tot deze eerste periode van megalietenbouw. Die vertonen qua structuur grote overeenkomsten, maar van deze locaties zijn geen dateringen beschikbaar.

Omdat de oudste megalieten vooral in kuststreken worden gevonden en de verspreiding van de prehistorische bouwcultuur in relatief korte tijd plaatsvond, vermoedt de Zweedse onderzoekster dat de uitwisseling van de technische kennis vooral over zee plaatsvond.

Uniform

De architectonische kenmerken van de wijdverspreide megalieten zijn opvallend uniform. Het gaat vooral om ganggraven en hunebedden, die veelal gebouwd zijn in de richting van de opkomende zon. Daarom vermoedt de archeologe dat de oudste stenen grafmonumenten de bron zijn waarop alle latere verschijningsvormen teruggrijpen.

Dat geldt ook voor de hunebedden in Noord-Nederland. De Nederlandse megalieten – er zijn er nog 52 in Drenthe en twee in Groningen – dateren wel uit een veel latere fase. Zij zijn gebouwd tussen 3400 en 3000 voor Christus.

Passy-graven

De C14-dateringen hebben een vrij grote onzekerheidsmarge, al zijn sommige dateringen kwalitatief beter dan andere. Een belangrijk argument voor Schulz Paulsson om de Noordwest-Franse megalieten toch als bron aan te merken, is dat het de enige regio is waar nóg oudere grafstructuren van enorme omvang zijn aangetroffen: de Passy-graven ten zuiden van Parijs.

Deze graven zijn van aarde gemaakt, met constructies die tot 280 meter lang zijn. Ze werden tussen 5000 en 4500 voor Christus gebouwd en zijn waarschijnlijk de oudste monumentale graven in Europa.

Waarom mensen rond 7000 jaar geleden opeens kolossale grafstructuren gingen bouwen, is nog een raadsel. De nieuwe gewoonte hangt waarschijnlijk samen met economische en sociale veranderingen in Europa. Ook de maritieme vaardigheden en zeevaarttechniek maakten, gezien de snelheid van de verspreiding van de nieuwe grafcultuur, destijds waarschijnlijk een spectaculaire ontwikkeling door, zegt Schulz Paulsson.

Reactie van Raemaekers GIA/RUG

‘Hunebedden stonden in schemergebied tussen de levenden en de doden’

Revolutionair zijn de conclusies die Bettina Schulz Paulsson trekt niet, zegt Daan Raemaekers, hoogleraar Archeologie van Noordwest-Europa aan de Rijksuniversiteit Groningen. „De winst is vooral dat er nu een hardere basis is voor de vermoedens die er al waren”, zegt hij. „Het levert ook een fraai plaatje op, met een aantal zones die vooral langs de kust liggen.”

 Monnikenwerk

De directeur van het Groninger Instituut voor Archeologie is vol bewondering voor het werk van zijn Zweedse collega. „Dat iemand de moeite heeft genomen om al die C14-dateringen naast elkaar te leggen is heel erg waardevol”, zegt Raemaekers. „Vergis je niet: het is monnikenwerk om al die publicaties in verschillende talen door te vlooien.”

Eigenlijk zou er nog veel meer vergelijkbaar onderzoek moeten worden gedaan naar andere culturele fenomenen uit de nieuwe steentijd, vindt Raemaekers. „Als je het ook doet voor bijvoorbeeld de verspreiding van zogeheten ‘causewayed enclosures’ – een speciaal soort grote aarden monumenten –, dan krijg je een heel andere kaart, met heel andere contactroutes. In Nederland zijn deze bijvoorbeeld nog niet gevonden.”

Er waren niet alleen contacten langs de kust, maar ook dwars door het Europese continent, zegt Raemaekers. Hoe meer van zulke onderzoeksgegevens op deze manier worden ontsloten, hoe meer zicht je kunt krijgen op de context van dit soort verschijnselen. „Die culturele context ontbreekt in het artikel van Schulz Paulsson”, zegt Raemaekers. „Haar onderzoek is vooral technisch van aard.”

Niet te dateren

Raemaekers zou graag meer willen weten over de ouderdom van de Nederlandse hunebedden. „Van de meeste hunebedden zijn geen ouderdomsbepalingen”, vertelt hij. „Probleem is dat de stenen zelf niet te dateren zijn. Je moet het doen met wat je vindt bij opgravingen. En omdat het rijksmonumenten zijn, heb je toestemming nodig om te graven. Dat gaat niet zo makkelijk.”

De Groningse hoogleraar is vooral geïnteresseerd in de betekenis en functie van de megalitische bouwwerken. „Wij doen momenteel onderzoek in het Vechtdal bij Dalfsen. Daar waren geen grote stenen aanwezig, in de tijd dat de hunebedden werden gebouwd en er zijn dus ook geen hunebedden. Maar er is wel een aarden monument gevonden. Vervulde dat een vergelijkbare rol?”

Dat hunebedden plekken waren waar mensen werden begraven, is duidelijk. „Maar waarschijnlijk vonden er meer activiteiten plaats. En misschien verschilden die wel per plek. Bij Nederlandse hunebedden zijn bijvoorbeeld veel meer grafgiften gevonden dan bij Deense hunebedden. Ook als de vormen overeenkomen, kunnen de betekenis en functie verschillen.”

Schimmige periode

De Nederlandse megalieten bevinden zich doorgaans op de flank van lage dalen, vertelt Raemaekers. „De mensen woonden op de hogere delen. De hunebedden stonden dus tussen de wereld van de levenden en de grote moerasgebieden, waar aan de voorouders werd geofferd.” Het is geen toeval dat hunebedden zich in het schemergebied tussen de wereld van de levenden en de doden bevinden, denkt Raemaekers.

„Sterven is een schimmige periode, waarin de overgang plaatsvindt van de wereld van de levenden naar de wereld van de voorouders. Ook wij hebben allerlei regels voor de rituelen die dan plaatsvinden. Die hadden de hunebedbouwers ook. Veel hunebedden hebben een opening naar de onderkant van de heuvelflank. Logisch, want uiteindelijk moeten de overledenen naar de wereld van de voorouders. Dan is het prettig als de opening alvast de goede kant op staat.”

Acht generaties

Wat Raemaekers fascineert in het artikel van Schulz Paulsson is dat er 200 jaar zit tussen de bouw van de hunebedden in Zuid-Zweden en die in Drenthe. „Je hebt het wel over een verschil van acht generaties. Hebben de Drenten acht generaties lang gedacht: ‘Dat is niks voor ons’? Of kloppen de Nederlandse dateringen misschien niet? Hoe zeker zijn die? Ik zou het graag uitzoeken.”

Nu wordt er op basis van vormovereenkomsten en de voorhanden zijnde dateringen nog van uitgegaan dat de Nederlandse hunebedden geïnspireerd zijn op de Zweedse. „Als uit nieuw onderzoek zou blijken dat de Nederlandse ouder zijn, dan kan het wel eens andersom zijn. Dan ligt de inspiratie voor de Nederlandse hunebedden waarschijnlijk meer naar het zuiden.”

 

 

Post a comment