December 2020

De Banscheiding tussen Hilversum & Laren
Veelal hebben wij in het kader van ons rubriek aandacht gevraagd voor vrijwel onbekende en anonieme archeologische overblijfsels, aan de hand waarvan we af en toe direct of indirect iets over oude grenzen poogden vast te stellen.
Met de banscheiding tussen Hilversum en Laren echter hebben wij te maken met één van de bekendste archeologische monumenten uit onze streken. We weten precies wie, wat, wanneer en waarom deze er ligt. En een groot deel ervan is nog voor allen af te speuren door bos en hei. Een mooie gelegenheid alleen, met vrienden of familie tot enig oudheidkundige toerisme net buiten de deur.
Het verhaal achter de aanleg van de banscheiding is redelijk bekend. Op 4 maart 1424 krijgt Hilversum “om menigen trouwen dienste wille, die ons goede luyde van Hilfershem onsen voirvaders en ons menichwerve gedaan hebben, en wilt God ook noch doen sullen.”, de zelfstandige status van Jan (zonder Genade) van Beieren , ruwaard van Holland, Zeeland en Henegouwen tussen 1418 & 1425, “om menige cost en schade die sy in onser laetster vede tegen die van Utrecht kenlic geleden hebben”.
Dat was natuurlijk groothartig van de ruwaard. Het zal ook gepast hebben in zijn politieke afwegingen toentertijd. Maar deze emancipatie van het dorp Hilversum moet niet los gezien worden van de algemene economische ontwikkeling van het Gooiland. Het ontbreekt ons helaas aan administratieve bescheiden van het dorp in die tijd. Wat er geweest is, is waarschijnlijk bij één van de twee grote branden van Hilversum in de 18de eeuw verloren gegaan. Vooral in 1766 wordt heel veel verondersteld verloren te zijn gegaan. Waarschijnlijk omdat enige stukken toevallig bij de buurmeester de Blinde thuis lagen, hebben wij het geluk dat onze perkament tot ons is gekomen.
Reeds in 1417 is Hilversum tot zelfstandige parochie verheven. Een kapel aan de brink aan de westzijde van het dorp werd de officiële parochiekerk en deze brink werd het logistisch centrum van het dorp, de Kerkbrink. Om de kerkfabriek en pastoor te onderhouden, moesten verschillende maatregelen getroffen worden. De pastorij kreeg onder andere landen op de Comes Heul Eng, aan het (Hilversumse) einde van de Laarderweg, niet ver van de banscheiding.

Hierbij kwam nog dat Hilversum zich als afscheidende partij de overblijvende parochie Larenkerspel (Laren en Blaricum) moest vergoeden voor het verlies aan inkomsten. Dit was blijkbaar allemaal binnen de mogelijkheden van het dorp. Maar een eigen kerk, geestelijke bijstand in huis en een begrafenis in eigen boezem zal de dorpslieden enige gevoelens van trots en welbehagen hebben gegeven.
De verlening van ook administratieve zelfstandigheid door een landsheer kostte een dorp in de regel ook het één en ander. Gezien de motivering van de ruwaard zal het dorp de grafelijkheid niet de volle mep hebben hoeven over te maken. Toch kwamen hierbij natuurlijk nog allerlei kosten om een eigen administratie te voeren. Dus ondanks de oorlog met Utrecht zal Hilversum ook weer geen desolate boedel hebben gehad. Een vergoeding aan Laren, vanwege enig verlies, lijkt bij deze wereldlijke scheiding niet van toepassing te zijn.
We hoeven in de zelfstandigheid van Hilversum niet een degradatie van Laren te zien. Laren en Blaricum zullen waarschijnlijk niet veel minder kost & schade hebben geleden. Waar geen woorden van zijn overgeleverd, kunnen we slechts met enige slagen om de armen duiden. Maar er is geen reden te veronderstellen dat de andere dorpen van Larenkerspel minder ‘trouwen dienste wille’ aan de ruwaard hebben betracht of van oorlogsschade gespaard zijn gebleven.

Het voorrecht dat de buurschap van Hilversum voortaan zou samenvallen met het eigen gerecht van schout & schepenen was boven alles ook voor het eigen genoegen. En het mes sneed van twee kanten. De schout in Laren of Blaricum hoefde er nooit meer op uit te trekken om in het verre Hilversum op te treden. Ook als een schout van Larenkerspel die in Hilversum woonde, hetgeen gedocumenteerd is, hoefde niet meer naar het verre Blaricum.
Hiertegenover hebben de buren van Laren en Blaricum tot aan de Franse tijd nimmer de behoefte gerealiseerd gerechtelijk zelfstandig te worden. Aldus konden buurmeesters van één van de dorpen elkaar afwisselen met plichtplegingen buiten de kerspel. Dat kwam beiden dan weer goed uit. Van enig onderdrukking van Blaricum door Laren moeten wij óók niet uitgaan, al zal de legendarische rivaliteit tussen de twee buurschappen wellicht een kern van waarheid hebben gehad. Wel heeft óók Blaricum zich reeds in de middeleeuwen kerkelijk geëmancipeerd.

De groothartigheid van de ruwaard zal niet zo groot geweest zijn, dat hij ook voor een banscheiding heeft willen betalen. Het zullen de buren van Hilversum en Laren geweest zijn die dit onderling regelden. Hoewel hierover natuurlijk weer geen enkel administratie is overgeleverd, zullen beiden enkele knapen hebben geleverd om de baljuw te assisteren. Deze zullen uit de eigen dorpskas een vergoeding hebben ontvangen. Of Blaricum ook heeft mee betaald? Waarschijnlijk alleen als deze ook knapen leverde. Wie weet?
Reden tot de aanleg van zo’n substantiële grensaanduiding moet waarschijnlijk gezocht worden in de schapendrift. Het (recht om deel te nemen aan het) drijven van schapen vanuit het dorp naar de heide. De naam is af en toe op de gebruikte wegen overgegaan. De schapenteelt was in de 15de eeuw van belang voor beide dorpen en een eigen administratie hield nu eenmaal ook een eigen grondgebied in en dus een eigen heide. Een flinke banscheiding was wellicht een onvoorziene maar uiteindelijk noodzakelijk gevoeld werk om toekomstige misverstanden te voorkomen.

De tekst van de op 2 januari 1428 gedateerd document is als volgt:
Splinter van nyenrode, baliu van nairden muden, weespe ende Goylnt doe kondt en te weten alle goeden luden dat ik bij beuele mijns liefs genadiches here Htoge iohan van beijeren een banscheydinge gedaen en geraed hebbe mit dat kerspel en gerecht van hilfersom en vanden gerechte van larekerspel nae wtwysinge der bezegelder handvesten die sy dair aff hebben
– in gaende van die husinge die nu in die vuers betymert staen
– voirt op baerbergen gelegen tusschen larekerc ende hilfersom
– dair off voirt op aertges berch gelegen op lange hulle
– dair off voirt op Wegelsberch gelegen tusschen nairden en hilfersomer sant
– dair off voirt op cruysbergen
– en dan anden gesticht
In kennisse der wairheyt so hebbe ic splinter van n baliu mijn zegel hier aen gehangen int jair ons Here Xc IIII seuen en twyntich twee dagen in Januario. (Hebbende een zegel in groene was aan een dubbele Franse staart).

Ten eerste zal het de aandachtige lezer opvallen dat “seuen en twyntich” geen 28 is. Toch is dit geen fout. In de middeleeuwen ging het nieuwe jaar vaak niet in op 1 januari. Verschillende datums werden door verschillende autoriteiten aangehouden. Alles tussen Kerst en Pasen was mogelijk. 1 januari kwam wel voor maar ook bijvoorbeeld Maria Boodschap op 25 maart. Er bestond nog niet zoiets als een gestandaardiseerde jaarwisseling. Binnen een stad kon één dag gelden terwijl binnen de immuniteit van een klooster in dezelfde stad een ander dag werd aangehouden. En het hoefde niet eens per se ieder jaar hetzelfde datum te zijn, een jaar behoefde niet uit 365 of 366 te bestaan. En niemand lijkt zich hierover te hebben druk gemaakt. Het was, letterlijk, een kwestie van stijl. De kanselarij van Holland hield sinds de dertiende eeuw de Paasstijl aan. Onze januari 1428 viel aldus voor hen in 1427.

In sommige lezingen van het stuk staat er op de vijfde regel, één woord van rechts Kaarbergen. De schrijver dezes leest hier Baerbergen. Enklaar deed dit ook, ik ben dus in goed gezelschap. Paleografie kent vele valkuilen. Ik lees het waarschijnlijk zo omdat het zó moet staan. Baerbergen was de naam van het geaccidenteerde terrein waarlangs tot 1417 de baar trok om de overleden Hilversummer op zijn bedje stro ten grave te dragen op het kerkhof van St. Jan. De Hilversumse straat van die naam bevindt zich, tegen de traditie in rond veldnamen voor straten, grosso modo en pars pro totem op de historisch juiste plaats.Van de eerste strekking van de banscheiding vanaf de Vuursche tot aan Baerbergen, aan de Larenseweg is vrijwel niets over. Er moeten nog wel zeldzame oude luchtfoto’s bestaan, van bijvoorbeeld de Eemnesserweg, waar die nog op valt te herkennen. Wij beschikken er op het moment niet over. Als u ons hieraan zou kunnen helpen, plaatsen wij graag deze retroactief onder dit stuk. Geldt ook voor andere aanvullingen.

Wat ons nog rest van het eerste stuk bewalling is een schamele relict, achter de hek van het waterbedrijf. Hoewel op het terrein de wal vrijwel weg is, vormt dit restantje dan toch een belangrijke rol. De banscheiding maakte op dit terrein een knik, Op de plaats waar geprojecteerd die knik gezeten moet hebben, lijkt een gat te zitten waar ooit een steen gestaan zou kunnen hebben.
Ook is dit relict van de wal ons enige aanwijzing in het veld welke richting de banscheiding richting de Vuursch nam. De streep die wij hiermee trekken, komt uit op de noordwestelijke punt van de voormalige heerlijkheid uit, bij het tegenwoordige landgoed Kievitsdal. Dit is ook de omgeving van het Laapersveld, waar later een blokhuis stond. Anderen hebben de streep getrokken ‘richting de Roskam’, bij hotel de Hooge Vuursche, tegenwoordig en voorlopig ‘restaurant Vuur’. Ach u trekke uw eigen lijn maar..

Ieder bezoek aan de banschieding echter zou moeten beginnen of eindigen op de Larenseweg. Want hier zijn ons enkele mooie en flinke banstenen overgebleven. Drie stuks zult u aan de Larenseweg voor Huize De Klingel vinden. (Nog een andere steen verderop, aan het begin van het fietspad naar rechts, achter de huizen, is ook nog historisch, alle tussenliggende stenen zijn recent en staan hier slechts voor de sier.) De meest noordelijke van deze drie banstenen lijkt iets te ver naar Laren te liggen. Kan verschoven zijn ten behoefte van een oprijlaan. Kan ook zijn dat een vierde aan de Hilversumse kant er ooit nog erbij hoorde. Voor zover we weten kunnen deze stenen over verschillende oude banen van de weg verspreid hebben gelegen. Wat met archeologische zekerheid vaststaat is de functie van deze steen hier. En dat deze Banstenen deel uitmaken van de Banscheiding. We moeten ze koesteren.

Ook is het meest noordelijke deel van onze banscheiding weg. Deze zal gelopen hebben langs het traject van de Franse Kampweg tot aan de polders van Kortenhoef. ’s Gravenland bestond nog niet. Helaas is begin jaren 1970 een groot gat hier gegraven voor de zand door de Huizer cementfabriek, vrijwel zonder dat hier enig archeologische of cultuurhistorische schouw heeft plaatsgevonden. Wie weet wat er allemaal toen is verloren gegaan? Ook als u hiervan toevallig nog wat materiaal mocht tegenkomen, houden wij ons van harte aanbevolen.
Van de banscheiding is echter het middenstuk vrijwel geheel als één rechte lijn over de hei ons overgeleverd. De ware spoorzoeker kan met de nodige moeite het traject oppakken in het bos, achter het hek van het waterbedrijf. Maar op de open heide, achter hek van het Goois Natuurreservaat is de bewalling reeds voor de beginnende padvinder makkelijk waarneembaar. Aan de Doodweg op ’s Graveland geeft een vliegeden de plaats aan waar die zal opdoemen.

Die plaats vormt tevens een complexe kruispunt, waar verschillende wallen en sporen samenkomen. Met name naar het noordoosten zijn deze waar te nemen. De hoogtekaart geeft dit goed weer. Deze zijn allen de moeite waard als cultuurgeschiedenis. Het zal echter moeite kosten van al deze sporen in al hun anonimiteit in een groter verband hun juiste betekenis vast te stellen.
Er loopt echter over deze Westerheide een eind lang, iets ten noorden van de Banscheiding, een wal parallel hieraan. Perk spraak hier op zijn kaart van 1843 van de Varkensdrift, althans voor de route ingesloten door de twee wallen. Nu valt het niet uit te sluiten dat hier ook ooit eens iemand zijn varkens over de heide heeft gedreven. En het kan zijn dat dit vaker gebeurde en dat Perk hiervan had gehoord. Hij kan er zelf bijgestaan hebben. Toch moet het volgende gesteld worden.

De Varkensdrift is hier geen historische naam. Zo er varkensdriften bestonden, dit was er niet één. Schapendriften zijn in onze omgeving bekend genoeg. Ook hoe dus het recht om die schapen te drijven overging op het traject waarover dit gebeurde. Ook voor vee bestonden dit soort wegen. Dan was er sprake van een treek of een trek.
Waren er dan geen varkens in ’t Gooi? Zeker wel! En werden deze varkens niet gedreven, zoals koeien en schapen, naar buiten om hun kostje bij elkaar te scharrelen? Ongetwijfeld. Naar het eikenbos om zich aan eikels vet te vreten. Geeft het beste vlees, zeggen ze.
Maar een drift of een trek had altijd het kenmerk dat deze liep vanaf de boerderijen in het dorp, bij ons vanaf een plein die men in ’t Gooi een brink noemde, in de richting waar het voer te halen was. Voor schapen was dit duidelijk het heideveld. Voor varkens, als zij al een eigen drift kende (in de zin van een weg, niet als het recht tot drijven, dat ongetwijfeld wel bestaan zal hebben), zou die vanuit één der dorpen naar een eikenbos moeten lopen.

Daar zit dan de moeilijkheid. Vanuit welk dorp naar welk eikenbos zouden de varkens hier gedreven moeten worden. Achter Oud Bussem bevond zich nog in historische tijden een laatste restje Gooise oerbos. Maar moeten wij ons voorstellen dat Hilversumse varkens het voorrecht genoten helemaal achter Oud Bussem, onder Huizen hun kostje te scharrelen? Zullen wel moe en hongerig ’s avonds zijn teruggekeerd na al hun omzwervingen. Vanuit Laren of (Laag) Bussum had deze route geen zin. In Hilversum gaf de naam Eikbosserweg een hint waar knorretje zijn portie wél kon halen.
Het ontbreekt aan een bestaansreden voor een varkensdrift hier op de heide. Of een incidentele gebruik tot een veldnaam misschien kon geleid hebben, dit was zeker geen varkensdrift, mocht zo’n type weg ooit bestaan hebben.

Waar deze het best behouden is, namelijk tussen Aardjesberg en Lang Heul, is het duidelijk wwar te nemen dat de banscheiding bestaat uit een dubbele wal. Ook op de Westerheide is dit nog wel waar te nemen. Het valt op dat nergens deze wallen even goed, even scherp en omvangrijk behouden zijn. Voorts valt dan op dat op de Westerheide de Hilversumse zijde het meest vergaan is, terwijl op de Bussummerheide de noordelijke, Larense zijde het meest vergaan is. Over de Lange Heul lijkt er van een tweede wal zelfs geen sprake meer. Hetzelfde geld voor het object in het bos achter het hek van het waterbedrijf.
Dit kan natuurlijk verschillende redenen hebben. Het kan dat daar een zwakere zijde door natuurlijke of culturele invloeden al gewoon vergaan zijn en dat ons nog maar een schamel restje van één wal overblijft. Tenslotte is er in bos en veld naar de Vuursche toe helemaal niets van de banscheiding terug te vinden. Dit zou kunnen, het lijkt het meest waarschijnlijke. Maar we moeten wellicht toch rekening mee houden dat de banscheiding niet over zijn gehele lengte als dubbele wal is neergezet. Voor het verdwenen traject langs de Frans Kampweg ligt dit voor de hand. Dit grensde in 1428 aan Huizen, die er niets mee te maken had. Het ontbreken van verdere gegevens, zoals bijvoorbeeld luchtfoto’s, wreekt zich hier. Wat dit precies allemaal betekent, is dus niet evident.
Of de aanleg van de banscheiding daadwerkelijk een kleine vier jaar continu doorgraven heeft gevergd, valt te betwijfelen. Het ligt nog het meest voor de hand dat de dorpen een afgesproken aantal knechten leverden tijdens de rustige wintermaanden. De oplevering van het project in de winter, op 2 januari kan hier geen bewijs voor leveren maar spreekt dit zeker niet tegen.

In latere tijden is de grens tussen beide dorpen blijkbaar zo’n 50 Gooise roede in de richting van Laren verlegd, wel meer dan 270 meter. Het archief van Stad en Lande van Gooiland bezit een afschrift van een onderling overééngekomen vernieuwing van de banscheiding uit 1732, door die van Laren en Hilversum. Het is een vrij éénvoudige stuk. Wegens lankheit des tijds, zoals het er staat, is de oude banscheiding verduisterd. Ze komen, met goedkeuring van de baljuw van Gooiland, maar op eigen initiatief in alle vriendschappelijk overéén de banscheiding opnieuw zichtbaar te maken. Hoewel men pretendeert alleen de oude scheiding hier en daar opnieuw zichtbaar te maken met een paar boompjes of wat, wijkt men wel degelijk af van het verloop in 1428.
De omschrijving in 1732 is als volgt:
– vande Stigtse Banscheyding by de Maten Paal N° 8 tegenover Roeters Laan
– Vandaar westwaarts aan naer den Dorpe Hilversum langs de Emenesserweg tot op de Westerhoek Van de Laarder Wasmeer
– van daar Noortwaart aan lienie legt op een steen gelegen inde Weg tusschen Laren en Hilversum by ofte aan het Voetpad
– Vandaar vervolgens Noordwaart aan tot omtrent Aartgenberg (van ouds) gelegen op Langenhul
– Strekkende Vervolgens Vandaar Zuydwaards aan, (!!!) met een Schuynte, op de Berg gelegen, op langenhul
– Van daar Linie legt langs de Weg loopende Van het Laarderkerkhoff op het Noordend van sGraveland
In 1828 blijkt Hilversum nog weer ten koste van Laren gegroeid. Er is dan nog die taartpunt op de Westerheide gekomen, die de beide gemeentes nog steeds delen. Bij een oude landweg die tussen de VAM-weg in Hilversum naar Hoog Hoefloo bij Laren loopt, die tevens geraaid is op de mooie grafheuvel bovenop de de berg, maakt de grens nu een flinke knik noordwaarts richting het zogenaamde Vier Gemeentenpunt bij Crailo. De AHN zet die knik een paar meter ten noorden van die weg. De facto zal hier een klein inschinkeling zijn aangehouden.

De latere grensomschrijvingen houden lijnen aan tussen bepaalde stenen of zijn daar tenminste naar op zoek. Van wallen is er echter in het grensverloop geen sprake meer. Voor of wellicht in 1732 moet de ban verlegd zijn. Maar meer dan een grenspad (óók erfgoed) zal de nieuwe scheiding niet behelsd hebben, met hier en daar een steen en enkele bomen op een vrijwel kale heide. Voor zover dit pad nog wel te traceren is in het veld, grotendeels is het relict inmiddels te gering om het op een standaard AHN hoogtekaart eruit te focussen. Probeer deze ook maar eens af te lopen. Vanaf de heide achter de Hilversumse straat Aardjesberg tot net over de wal van het voormalige militaire oefenterrein Crailo, zou u kunnen proberen. U kunt gewoon de grens volgen.

Na drie eeuwen zal de oude, middeleeuwse bewalling in 1732 reeds aan verval onderhevig zijn geweest. Maar gezien de ruime hoeveelheid nieuw grond die de Laarders hun Hilversumse buren vergunden, moet er wel iets meer aan de hand zijn geweest, dat buiten ons gezichtsveld blijft. We kunnen ons voorstellen dat de schapenteelt later meer op de achtergrond kwam en dat de zomerse boekweitteelt op de kale heide, vanuit Hilversum een nieuwe regeling wenselijk maakte. Hoe dan ook, het is dus onderling geregeld. En boekweittelers behoeven geen wal zoals schapen. Aldus, kunnen wij ons voorstellen, voldeed een pad tussen enkele stenen en bomen.
