ALLE OBJECTEN VAN DE MAAND

Mei 2021

Twee onbekende bijenschansen op de Westerheide

Ogenschijnlijk een contradictie. Zullen de schansen bij deze niet bekend zijn gemaakt? Maar deze schansen blijken onbekend in de archieven. Dus in die zin. Daar hoeft op zich niets mysterieus te zijn. De archieven zijn wat dit betreft verre van compleet.

Een al te grote verrassing bijenschansen op de Westerheide terug te vinden is het ook weer niet. Uit de schaarse bronnen over de Westerheide weten we dat hier ooit boekweit verbouwd werd. Er bestaat een verslag uit 1713 van een schouwing van de grens tussen Hilversum en Laren door eigen mensen. Hierin wordt mededeling gedaan dat bekeken vanaf de Aardjesberg er een lijn zichtbaar was, waar aan één zijde boekweit geteeld werd. Welke zijde wordt er niet bij gezegd. Voor de lieden was dat blijkbaar evident. Klaarblijkelijk werd dit boekweit aan de Hilversumse kant verbouwd.

Want boekweit was afhankelijk van bestuiving door bijen. Zonder bijen geen boekweit. Dus geen boekweit zonder bijenschansen. De Vrankrijker heeft in zijn boek Naerdinklant enig aandacht gegeven aan de imkerij in ‘t Gooi. Hopelijk komt dit boek spoedig online. Hoewel deze schansen er dus niet in voorkomen, heeft hij in 1947 een kaartje getekend met de locaties van alle hem bekende bijenschansen in ‘t Gooi.

In zijn tijd waren er al veel verdwenen, sindsdien is dat niet gestopt. Vele verdwenen tezamen met de akkers die zij op de eng bedienden onder nieuwe woonwijken. In gebieden van het GNR bevinden zich nog de schamele resten van wat ooit een belangrijke nering was. Hoewel er weinig of geen aandacht voor is, vormen zij een cultuurhistorisch monument van de ooit zo belangrijke teelt van boekweit, dat zich in de gemeente wapens van Hilversum en Bussum zijn plaats heeft verworven.

de kleinere rechthoekige schans

Van boeren in Soest is wel bekend dat deze al vroeg verplicht waren bijenwas jaarlijks op te brengen voor de kaarsen van hun kerk. Zij waren aldus wastijnsplichtig. Voorbeelden hiervan gaan in ons land terug tot de vroege middeleeuwen. Maar het boekweit wordt hier pas in de late middeleeuwen verbouwd, niet voor de 14de eeuw.

Boekweit (Fagopyrum esculentum) is geen graan maar een plant uit de duizendknoopfamilie (Polygonaceae). In tegenstelling tot graan heeft het geen glutten. Omdat boekweitmeel geen gluten bevat is het voor gistdeeg (bijvoorbeeld brooddeeg) alleen in combinatie met een andere glutenrijke meel- of bloemsoort te gebruiken. Boekweitmeel en boekweitgrutten bevatten evenveel eiwit (10 g per 100 g) als tarwe- en roggemeel, en meer koolhydraten. Ze bevatten minder vet, minder mineralen en minder vitamines uit de B-groep dan tarwemeel. Bijen voeden zich graag met Boekweit. De bruine aromatische boekweithoning was zeer gewild.

Boekweit was een uitkomst voor de boeren die weinig hoefden te investeren. Zij konden door boekweit te verbouwen boer zijn zonder vee of kapitaal. Er waren lucratieve jaren in de boekweitteelt, maar als er nachtvorst nog laat in het jaar voorkwam kon de hele oogst van dat jaar verloren gaan. Stond boekweit ook bekend als jammerkoren, in goede jaren was het de 100 dagenwonder.

De zaaitijd ligt tussen half mei (na de ijsheiligen) en half juni, soms zelfs nog na de langste dag. Het oogsten gebeurde ven eind augustus tot in september. De bloemen bloeien maar één dag, verschillend per plantje. Alleen in de morgen gaan ze open en direct na de middag weer dicht. De bijen bevliegen de boekweit tussen negen en twaalf uur ‘s morgens (wintertijd). Ze halen zowel nectar als stuifmeel. Door de onregelmatige rijping kan niet gewacht worden tot alle zaden rijp zijn.

Dit in tegenstelling tot echte granen, waar de korrels gelijktijdig rijp zijn. Toch hadden de wilde voorouderrassen uit het Nabije Oosten van de granen ook een verspreide rijping. Voor de plant is dit in verband met nakomelingschap veiliger. De mens heeft de granen echter beter aan zijn wensen aangepast dan boekweit. Nog later heeft het door de komst van kunstmest als commerciële gewas afgedaan. In het begin van de 20ste eeuw verdwijnt het geruisloos van het land en dus ook deze imkerij.

de grote ronde schans

Uit bovenstaande blijkt de noodzaak te zorgen voor een geordend en stabiele imkerij. De plaatselijke besturen zagen hierop toe. Dit maakte het tevens mogelijk zich van enige inkomsten te voorzien.

De schansen nabij het dorp waren in particulier bezit. De eigenaar mocht echter deze verhuren. Het was in elk geval van belang de schansen in maanden na midzomer met voldoende volken te bezetten. Op korven die van buiten kwamen moesten voorzien worden van een letter B en werden aangeslagen voor één stuiver ten bate van de armen.

De buitenlanders kwamen met name uit het Utrechtse, de bongerds rond Jutfaas, IJsselstein en Woerden. Er waren ook Gooiers die juist daarheen in het voorjaar met hun Gooise volken togen.

De schansen verder van het dorp, behoorden echter sinds mensenheugenis toe aan de (dan inmiddels gereformeerde) kerk. Het archief te Hilversum bezit gelukkig enkele relevante papieren hierover van rond 1800. Onze schansen worden daar niet vermeld. In die periode zal er dus ook geen boekweit op de Westerheide verbouwd zijn. Dan kun je de bijenschans ook niet verhuren.

Desalniettemin kunnen wij ons voorstellen dat, tenzij hier iets bijzonders aan de hand was, ook de bijenschansen op de Westerheide kerkenbijenschansen waren. Hoewel het begin van de 19de eeuw niet één op één op het begin van de 18de eeuw mogen projecteren, mogen wij veronderstellen dat deze ook opgenomen waren in het systeem van boekweit teelt- imkerij zoals dat hier bestond.

Hoewel het landbouwareaal in ‘t Gooi voor de komst van kunstmest ernstig beperkt werd door een geringe voedingsstoffen kringloop met aanvulling van (stal)mest door heideschapen, kon boekweit in tijden van groter behoefte aan voedsel nog op het schrale land buiten de traditionele engen verbouwd worden. Ook op andere heide in ‘t Gooi zijn hier nog aanwijzingen voor.

voorbeeld van verhuur van enkele bijenschansen

De schansen werden per stuk of paarsgewijs verhuurd voor één of meerdere jaren bij opbod en afslag. In die tijd waarvoor we gegevens hebben blijkbaar voor 6 jaar achtereen. De huurpenningen moesten traditioneel voor 11 augustus ten huize van de president kerkmeester worden afgedragen, al blijkt uit de kanttekeningen in de stukken dat vaak dit enkele weken later gebeurde.

De huurder verplichte zich tenminste 15 volken neer te zetten op straffe van dubbele huur. De huurder mocht voor eigen kosten verbeteringen aanbrengen maar mocht niets vernielen eraan bijvoorbeeld de eiken hakhouten heg. We weten voor 1808 dat de ongeveer helft van de huurders van buiten kwamen.

De waarde van een schans hing natuurlijk af van de verwachte opbrengst. De afweging hoe hoog in te zetten op een schans zal bepaald zijn door lokale kennis en ervaring. Maar verhuurd moest er tenslotte altijd worden, wilde men sowieso enig boekweit kunnen oogsten.

De huurwaarde van onze schansen is aldus onbekend, zoals de opbrengsten voor de huurder ook onbekend zijn. Om een idee te geven, in de eerste aflevering van deze rubriek hebben wij aandacht besteed aan twee schansen aan de Kolhornse Weg te Hilversum, ooit staand in het zogenoemde Nieuwe Land. In 1808 werden ze verhuurd aan Hendrick van der Kroogt uit Zegveld, tegenwoordig gemeente Woerden, voor de duur van 6 jaar en brachten samen hiermee 81 gulden op ten bate van de kerk.

schansen met de hillshade filter van AHN3

De hillshade filter van de AHN hoogtekaart geeft het oppervlakte reliëf weer van de Westerheide. Het grondpatroon van de beide schansen, de een rechthoekig, de ander rond, is er goed op te herkennen. We kunnen ons afvragen of ook iets van die boekweit teelt hierop te herkennen is. Dat lijkt minder eenvoudig.

We weten dat in verschillende perioden deze heide als bouwland diende. Op de Aardjesberg zijn sporen van vroeg middeleeuwse bewoning. Even verderop heeft tot 1200 een boerderij gefunctioneerd op de Lange Heul. Landbouw heeft hier dus een lange, al misschien discontinue traditie. We weten in welk seizoen de boekweit verbouwd werd, echter niet hoeveel jaren, Gebeurde dit slechts uitzonderlijk of werd deze grond regelmatig bij het landbouwareaal betrokken? We weten het niet. Een hoewel het oppervlakte reliëf van alles suggereert, lijkt het moeilijk daar iets concreets over te zeggen. Wie er chocola van kan maken, die mag zijn gang gaan.

Als we de kleinere, rechthoekige bijenschans beschouwen, zit het er precies uit hoe we dat zouden verwachten. Kwamen die wallen ooit nog boven de knie uit, tegenwoordig komen de wallen nauwelijks boven de schoen uit. Toch lijkt in dit geval geen twijfel mogelijk. We zouden kunnen denken aan een klein huisje of een ander soort gebouw maar hier prompt verloren op de heide, waar we weten dat boekweit ooit verbouwd werd, past precies zo’n omwalling in wat we kunnen verwachten. Deze zit vlak bij het (overigens natuurlijk veel jongere) fietspad. Hij is niet zo moeilijk terug te vinden. Erg spectaculair zijn de restanten niet maar als cultuurhistorisch herinnering zeker de moeite waard één keer in je leven in je op te nemen.

De grote ronde schans is anders. Hij wijkt dus af in vorm van wat normaal is. Maar ook zijn grootte maakt hem bijzonder. Het minimum van 15 schansen lijkt hier niet echt van toepassing. Er kunnen eerder tientallen zo niet honderd schansen gepast hebben.

Van het naburige Laren was wel bekend dat zij daar een gemeenschappelijke schans hadden. Of dat hier ook het geval is geweest is (uiteraard) onbekend. Het zou gekund hebben. Van wat wij na kunnen gaan, is de ronde vorm uniek in de regio. Echter er is zo weinig bekend of overgebleven van de ooit zovele schansen, dat we daar niet teveel van moeten maken. Er lijkt in elk geval geen reden te bestaan dat een bijenschans niet rond zou mogen zijn.

Het kan haast niet anders dan dat dit een bijenschans is geweest. Vanwege zijn uitzonderlijkheid moeten wij een kleine slag om de arm houden. Zou deze ringwal iets anders zijn, hebben wij hier mogelijk met iets heel bijzonders te maken, een onverklaarbaar stuk prehistorie. Iets militair of administratief lijkt niet voor de hand te liggen.

Qua dimensies kan deze omwalling het op nemen met de grote grafheuvels nabij. Rechtsboven de wal zien wij één van die beroemde grafheuvels. Ertussendoor loopt de banscheiding van 1428 tussen Hilversum en Laren.

De ring ligt in een bocht van een kromme spoor. Deze is ongetwijfeld jonger dan de grote rechtdoor gaande sporen, wegen die het omringt. Wat er eerst was, de ringwal of de weg erlangs, is hier niet eenvoudig te bepalen. In het algemeen kunnen karrensporen veel verder in de tijd terug gaan dan deze bijenschansen. Toch heeft het pad ten zuiden van de wal al enig complexiteit opgebouwd. Dat gebeurt niet overnacht. Het pad naar het noorden loopt bergopwaarts en heeft de nodige uitspoeling ondergaan.

Hoewel tegenwoordig behoorlijk verweerd, is de schans goed terug te vinden vlak bij die boom in de bocht van het pad. Met een grote ronde bijenschans hebben we reeds een bijzonder stuk cultuurhistorie. Mocht het iets anders toch blijken, is het waarschijnlijk nog veel bijzonderder. Dan zullen er ander schansen wel in de buurt zijn geweest waarvan nu elk spoor ontbreekt. Want hier is boekweit verbouwd en geen boekweit zonder bijen.

Indien het zo gegaan is, komt er één terrein voor in aanmerking, gelegen in het Baarnse Bos. Nabij het uiteinde van één van de lanen rond de grote vijver zit een merkwaardige terreintje vergelijkbaar met de Wolfsdreuvik. Het is een beetje rechthoekig, de omwalling van binnen uit gegraven zonder greppel. Het is het laagste punt in de omgeving met uitzondering van de vijvers.

Het ligt misschien voor de hand, de kuil te associëren met het complex van greppels ten oosten van de kuil, waarmee die inderdaad nu verbonden is. Echter dat verklaart niets, is zelfs in tegenspraak met die omwalling. Ook een vistank of zoiets lijkt niet van toepassing op zo’n plek. Wel lijkt er een relatie met een noordelijk lopend wal, waarmee die ook verbonden is. Dan lopen nog twee wallen bijna parallel aan elkaar bij de van Heutszlaan. Er loopt ook nog een wal aan de andere zijde van het bos. Ze lijken het terrein van de latere park te omsluiten tezamen met de hoogten in het zuiden.

Saillant is dat op een plattegrond van het park uit 1754 de plaats van onze kuil wit is. Blijkbaar hoorde het toen nog niet tot de verzameling landen horende bij het goed Soestdijk. Wat we niet weten, kunnen we niet weten. Maar mogelijk was ook deze plaats in gemeenschappelijk bezit of was dit nog, toen de landerijen zich vormden. Het hoorde er in 1754 nog niet bij, stond los of was nog niet aangelegd. En een aanleg na 1754 lijkt toch ook niet voor de hand te liggen.

kaart bos uit 1745 Coll. Soestdijk

Ook hier is dus in elk geval iets aparts aan de hand. De overeenkomst met de Wolfsdreuvik is erg opvallend. Ten opzichte van op de Vuursche is deze veld een slag gedraaid. Dat zou de pret niet mogen drukken. Het pad erdoorheen is ongetwijfeld jonger.

Zou er dan nog latere vergaderplaatsen te vinden zijn, van nadat Baarn van Soest werd afgesplitst. Soest zou blijven verenigd blijven met Hees. Hees zou echter aan zandverstuivingen ten onder gaan. Het meest in het oog springend is de naam van een Waerberg, in de buurt van de Stompert. Hier zou heel goed de waarschap van de verenigde buren nog bijeengekomen kunnen zijn. Maar een duidelijk omwalde kuil lijken er niet meer terug te vinden. Later lijkt men toch gewoon in de dorpen te zijn vergaderen, op een brug of bij het ontbreken hiervan, zoals in onze streken, in de kerk, op het kerkhof of in de herberg. Wel zo handig.

Bij Alpertus van Metz is misschien een indirecte verwijzing naar de Wolfsdreuvik. Hij schreef rond 1020 over De diversitate temporum, Gebeurtenissen van (zijn) Tijd. Volgens zijn vertaler, Hans van Rij moet hij dit geschreven hebben in de abdij van St. Paulus op de Hohorst bij Amersfoort. Hij is de oudste regionale geschiedschrijver voor ons gebied. Er valt veel te zeggen over zijn werkje. Stilistisch wat houterig, hij verzuimt de strijd om het prefectuurschap te koppelen aan het optreden tegen de ‘Hollandse’ graaf in Vlaardingen in 1018, hetgeen de plot zeker geholpen had. Hij is geobsedeerd door klassieken die hij kent, vooral Caesar, naar wie hij vele allusies insluit. Ook de bijbel komt regelmatig terug. Toch is hij als oudste bron in al zijn partijdigheid toch een rijke bron voor anders onbekende feiten uit onze vroegmiddeleeuwse geschiedenis.

In een hierin opgenomen ode aan bisschop Ansfried van Utrecht komen deze merkwaardige regels voor: “De cane fecit ovem Deus hic, ut fecerat olim, ad se cum Paulam rapuit de sorte luporum” (hoofdstuk 1, 13 regel 20). Dit laat zich vertalen als: “Een wolf werd een lam, zoals God eertijds ook bewerkte, tot uit de Wolfskuil hij Paulus tot zich had geroepen.” (vertaling van Hans van Rij). In elk geval een meute wolven.

Ansfried was bisschop van 995 tot 1010. Hij was een keizergetrouwe, strijdvaardige graaf, die op latere leeftijd door de keizer werd gevraagd orde op zaken te stellen in het bisdom. Hij had in de wildernis aan de Eem de eerste abdij in de regio gesticht aan de Hohorst, gewijd aan de apostel Paulus. Later is deze naar Utrecht verhuisd. Zij waren groot grondbezitters in de buurt. Zij waren gegoed in onder andere Soest en Zeist en bezaten de tienden te Eemnes. Alpertus is waarschijnlijk dus als monnik aldaar, zeer goed op de hoogte van het wel en wee in de regio. Hoewel hij daar weinig details van geeft, zal dit wel de achtergrond zijn van zijn verhaal. De verhalen zouden zo over tafel kunnen zijn gegaan in de klooster.

Uiteraard zou Alpertus, de bijbel in gedachte, het over de leeuwenkuil moeten hebben. Er komen geen wolfskuilen voor in de bijbel. Een verkeerde beeldspraak. Een vergissing valt niet uit te sluiten. “de sorte luporum” is letterlijk slechts “vele wolven”. Maar als we aannemen dat hij wel degelijk dat allemaal wist, nergens anders blijkt zijn onkunde, dan is de vraag wat hij ermee bedoelde.

Aan het begin van de elfde eeuw was Nederland christelijk maar de gewone luide in de buurschappen stonden, naar wij mogen aannemen nog met één voet in de oude tijd.

Als de Wolfsdreuvik een oude vergaderplaats was, zou de ‘wolf’ naar een oorspronkelijke verhul/transformatie ceremonie kunnen verwijzen. Dan is het ook een beeldspraak van de heiden. Dan heeft Alpertus wellicht geprobeerd hier te zeggen dat Ansfried, zoals Paulus voor hem, uit de kuil, menigte van heidenen zich omhoog trok om hen christen, het lam te maken.