ALLE OBJECTEN VAN DE MAAND >>

OvdM april 2022

De noorderportaal van de Willibrordus kerk te Nederhorst den Berg

Het oude kerkje op de berg in Nederhorst heeft verschillende zaken van oudheidkundig interesse. Volgens de overlevering stichtte Liudger hier de eerste kerk van de streek, gewijd aan zijn leermeester Willibrord, bisschop van Utrecht en zou het de moederkerk zijn van heel Gooi- en Vechtstreek.

De deur van de consistorie kamer heeft een meer dan respectabele oudheid. De zuiderportaal heeft in al zijn romaanse bescheidenheid een zeer grote zeldzaamheid voor een dorpskerk in ons land. Daar was eeuwenlang het oude, middeleeuwse altaar als drempelsteen geplaatst. Een duidelijk antikatholieke gebaar, waarschijnlijk in 1579 gebeurd onder leiding van Jan Harmansz, sinds 1556 oorspronkelijk de pastoor, die toen, naar wij mogen veronderstelling predikant werd van de Gereformeerde Kerk van de Verenigde Nederlanden. Bij de laatste restauratie in 2008 heeft het toch een ereplaats gekregen, tegen de muur in de kerk.

Er is de mooie oude toren en bovenop de kerk, op het dak, bij de overgang van koor en schip, wordt de nok gekroond door een Januskop met granaatappel. Volgens sommigen Willibrord, misschien Willibrord en Liudger samen. Misschien om tegelijk vooruit naar de toekomst en naar het verleden te kijken, wat de oude Romeinse godheid gewoon was te doen.

Maar boven alles heeft de kerk zijn vermaarde noorderportaal. De problematische opschrift op de zandstenen omlijsting is beroemd en mysterieus. Maar ook de houten deur is heel bijzonder, in bouw en door zijn oude graffiti, inkrassingen die een even boeiende als zeldzame inkijkje geven in de volkscultuur van voorbije eeuwen.

De inscriptie op de omlijsting heeft een bijna drie eeuwen lange plaats in de literatuur. Op het moment is de tekst nog goed te lezen. Sommige letters zijn in de loop der jaren ietwat gesleten, door weer en wind maar toch ook ter hoogte waar talloze rokken en jasje erlangs schuurden.

G.W. Verheul in Het raadsel van de oude Willibrordkerk beklaagt zich al in TVE 1993-2, heeft het over “Door luchtverontreiniging (en misschien mede door slordig gebruik van verfafbijtmiddelen) zijn gedurende de laatste decennia de letters in de zandsteen sterk vervaagd. Als er niet wordt ingegrepen vormen wij na honderden jaren de laatste generatie die zich nog kan bezighouden met het raadsel van de oude Willibrord.” Hij merkt ook terecht op “Niet minder dan schandalig is het elektrische lampje dat dwars door de bovendorpel is aangebracht”. Maar gedane zaken nemen geen keer.

Het fysieke object

Van een ander orde is de dreigende ramp die zich NU afspeelt. Het is niet direct de schuld van iemand. Het is iets eigen aan de gebruikte steen, intern. Aan de horizontale bovensteen is links de rot in gekomen. Waarschijnlijk is hier sprake van zogenaamde scaling, waarbij een zouthoudend laag onder het oppervlakte gaat uitspoelen. Een vrij complex probleem. Het is aan de huidige schade aan de oppervlakte helaas nog niet af te zien hoe diep het zit. Bij een dragende functie zit er vaak niets anders op dan vervanging. Gezien de cultuurhistorische betekenis van de inscriptie is dat hier niet aan de orde. Maar de situatie moet goed bekeken worden om een kleine ramp te voorkomen.

De tekst op de linker vertikale steen loopt door op de horizontale bovensteen. Op die steen staan links de letters SALVA, waarbij de A en L aan elkaar zitten. Ergens tussen 2008 en 2013 is het onderste deel van de S weggevallen. Tussen 2013 en 2020 is er links en rechts van de AL verdere stukjes verloren gegaan. Vorig maand is de uiterste kwetsbare toestand opgemerkt en zijn alle verantwoordelijken op de hoogte gesteld. Het is nog een geluk dat zoveel van de originele letters nog over is. De close-up vertoont de vele haarschuurtjes en open randen die op het moment zich manifesteren. Bij niets doen zal zeker dat deel van de inscriptie verloren gaan. We weten op het moment ook niet hoe diep dat zout zit en dus hoe erg het nog kan worden

Volgens Hendrik Tolboom van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed is het geen sinecure het probleem te verhelpen “Het is wel een lastige klus om hier iets aan te doen; het gaat om kolenzandsteen, waarschijnlijk uit Luik, en deze steen vertoont helaas dit type verwering op den duur. Deze steen is veel gebruikt ook in Maastricht ( Helpoort, stadsmuren) en daar zien we dezelfde fenomenen”.

Het heeft de aandacht en hopelijk komt er een oplossing. Deze zal dan toekomstig als addendum aan dit verhaal worden toegevoegd.

Epigrafie

De inscriptie raakt aan meerdere studiegebieden. Er zijn dan ook vele vragen te beantwoorden.

De epigrafische beschouwing is het verhaal van de letters. Het verhaal van de tekstdrager, normaal de codicologische beschouwing is het verhaal van de tekstdrager, het fysieke boek, de codex, in casu de stenen omlijstijg van de deur. Dit raakt hier de bouwhistorische beschouwing, waarvan de hierboven aangeroerde petrologie, het verhaal achter de steen hier deel van uitmaakt. De betekenis van de tekst heeft een taalkundige zijde maar zeker ook een meer historische aspect. Het wie, wat, wanneer, hoe en waarom van de inscriptie worden in verschillende beschouwingen op verschillende wijzen behandeld. Het is hiervoor een dankbaar object. De letters zijn als volgt met de eerste regel links verticaal van beneden naar boven en de tweede horizontaal boven van links naar rechts:

QVIPETITHACAVLAPETATELBVRGAFORESALVA

ETPEĀNVLLVSINTRETN

Op de eerste lijn geven de onderstrepingen aan waar letters aan elkaar vastzitten, een lijn delen. Op de tweede regel heeft de P een streep door zijn been en de A een streep erboven. Dit zijn zogenaamde ligaturen, officiële afkortingen, die extra letters aangeven.

Bij P moet er een R plus klinker gelezen worden. Dus PRO, PRE of PER, in Nederlands meestal te vertalen met voor, voor of vóór.

Een streep boven de A, Ā geeft of een extra N of M aan. Welk moet uit de context dan maar blijken.

Er heeft een grote vrijheid geheerst waar en hoe twee letters aan elkaar te zetten. Niet al te lang geleden kenden wij nog een Æ. Gedurende de middeleeuwen waren er wel trends maar lijken er weinig harde regels. Alleen het lezen van de samenstelling, waarbij eerste letter de laatste is van een woord en de tweede de eerste van het volgende, lijkt uit te sluiten. De OR, waar de R vast zit aan de rechter ronde van de O, lijkt zo’n opmerkelijke vrijheid met de lettervorming.

Curieus is de Q aan het begin, die omgekeerd, retrograde is uitgevoerd. Soms werd er op inscripties hele woorden of zinnen retrograde uitgevoerd. Waarschijnlijk speels bedoeld, om dan net een beetje typografisch op te laten vallen, het een beetje op te leuken. Een enkel retrograde Q is wel een grote zeldzaamheid maar zal ook op zo’n manier moeten worden geïnterpreteerd.

deur van de consistorie kamer

Nu moet bij de lezing van een inscriptie rekening worden gehouden dat naast formele ligaturen er ook, te pas of te onpas van afkortingen gebruik gemaakt kan zijn. Soms waren die algemeen in gebruik. Vaak gebeurde dit uit ruimte gebrek of om het woordbeeld te verfraaien. Toen zullen de gebruikte afkortingen voor de betrokkenen wel duidelijk zijn geweest. Achteraf kan de interpretatie ervan aanleiding tot uiteenlopende lezingen geven. Het is trouwens in de traditie toegestaan hier en daar letters te lezen, die er niet staan, om tot een grammaticale en logisch juiste oplossing te komen. De context is dan leidend. Het is niet anders.

Epigrafisch zijn de letters allemaal in de middeleeuwen te plaatsen. Vaak voegt men haast in een bijzin toe dat de letters typisch elfde, twaalfde of dertiende-eeuws zijn, al naar gelang de historische analyse van onze inscriptie. Epigrafie als steunwetenschap. Welbeschouwd zijn voorbeelden van alle lettertypen te vinden tot ver terug in de vroege middeleeuwen. Ver genoeg terug om naar de tijd van Luidger te reiken. De 15de eeuw lijkt als uiterst datum wellicht nog mogelijk, als we hier niet met een historiserende grapje of een vervalsing te doen hebben. We gaan hier niet vanuit.

De steen wordt ook reeds zeer lang gewonnen in het Luikse. Echter het staat vast dat de context van de inscriptie ooit veranderd is. De deur bevindt zich in het noordertrancept, die uit de jaren 1551-1552 stamt. Een zestiende-eeuwse toeschrijving van de tekst lijkt onmogelijk. Dus het lijkt vast te staan dat portaal met inscriptie of op een ander plaats stond, of op dezelfde plaats kwam in een geheel nieuw ombouw. Hoe dan ook, we hebben er rekening mee te houden dat de plaats en/of de functie van de inscriptie veranderd is.

De tekst gelezen

Bijna alle interpretaties van de tekst focussen in op de letters ELBVRGA. Wat of wie hiermee bedoeld wordt, bepaalt voor een groot deel hoe de volledige tekst geïnterpreteerd wordt.

kerk vanuit het zuidoosten foto-Philip-Verhagen

De literatuur omtrent de inscriptie begint bij Jan Wagenaar. In 1739-1744 schreef hij de vijf eerste delen van den Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, terwijl de volgende delen van een anderen zijn, die echter bij het opstellen Wagenaar’s handschrift gebruikten.

In Tirion’s 12de deel staat, handelende over Nederhorst den Berg (provincie Utrecht), “op de Oosterpoort en boven den drempel van de Noorderdeur der kerke “ een oud opschrift staat dat ,, niet verstaanbaar schijnt.” Nu heeft de kerk geen oosterpoort, waarschijnlijk nooit gehad. Wel die zuidelijke romaanse poort waarnaast aan het begin van het koor een tweede toegang zich bevindt. Wellicht is deze bedoeld De hoofd toegang bevindt zich onder de toren aan de westzijde.Misschien zou je ook nog mogen denken aan een Westerpoort in plaats van Oost. Toch is ook hiervan niet iets bekend.

Er staan wel enige foutjes in het boek. Lange tijd is deze mededeling beschouwd als een van de vele slordigheden in het boek. Ook ontbreekt elk beschrijving van die inscripties. Tot nu was dit aldus niet meer dan een voetnoot in deze geschiedenis. Echter in het licht van de problemen die zich na eeuwen plots met de huidige inscriptie aan de noordelijke poort zich voordoet, kunnen wij ons afvragen of het mogelijk is dat er toch eens een ander, soortgelijke inscriptie op de kerk te lezen was. Wellicht was in Wagenaars tijd deze reeds erg beschadigd en dus “niet verstaanbaar”. Maar het kan ook zo zijn dat er een misverstand ontstond via Wagenaars aantekeningen en er nooit een ander inscriptie te lezen is geweest. Dan zou het terecht maar een voetnoot zijn.

De eerste die ons iets meer inlicht is Mr. C.A. van Wachtendorf die in 1775 ELBURGA identificeert met het havenstadje Elburg. Hij herinnert aan de stormramp die Elburg teisterde in 1367. De heer van Nederhorst of een ander lokaal persoon kan in een bepaalde relatie tot Nederhorst hebben gestaan.

Een volgende is ook topografisch van aard. Ds. A. Noordbergh ziet in “Opheldering eener oude inscriptie, geplaatst om eene der kerkdeuren te Nederhorst gezegd de Stichtsche Berg” in het Nederlands archief voor kerkelijk geschiedenis VIII (1848), 433-440, verband met de rijksban die keizer Sigismund in 1410 over het stadje uitsprak. In beide gevallen wordt een bijzondere band tussen Elburg en Nederhorst den Berg verondersteld. Maar daarvan is niets bekend, zegt Verheul in het blad van TVE in 1993. Toch geven enkele stukken uit het streekarchief noord west Veluwe enig gewicht aan deze redenering, namelijk 1001 Stadsbestuur Elburg, 1320-1813, Regesten: 165 1419 Januari 31, 166 [1419] Februari 22, 180 1422 Juli 7 en 181 1422 September 7. Toch heeft het topografische argument weinig navolging gekend.

noordertrancept (1552)

De grote dichter en oudheidkundig liefhebber ,taalkundige en advocaat Willem Bilderdijk schrijft in een brief van 28 januari 1815 aan de Amsterdamse boekhandelaar van der Hengst: “het opschrift herhaalde malen ’geëxpliceerd en gesupplieerd’” te hebben. Hij meende rechts op de bovensteen iets van letters STIP te zien. Deze zullen niet gehouwen zijn, het heeft althans geen sporen nagelaten. Ontsproten uit zijn fantasie? Speling van het licht? Wellicht waren de letters lichtelijk voorgekrast voor de te houwen tekst en is het er verder niet van gekomen.

Echter de aanwezige letters leest Bilderdijk ook anders. In plaats van ’salva’ las hij ’trivalva’, wat hij vertaalde met: driedelige deur. Hij vulde de tekst aan met: ‘stipe salva’. Aldus las hij:

QUI PETIT HAULA, PETIT ELBURGAM FORE TRIVALVA

ET PER EAM NULLUS INTRET NISI STIPE SALVA

“Die naar het hof wil, ga door (de kerk van) Elburga door de in drieën staande deur

En niemand ga door deze, dan behoudens een aalmoes”

Hierop in gaat de eerste stadsarchivaris van Amsterdam, P. Scheltema en leest in plaats van die trivalva: ’en bidt voor de heilige van Elburga’.

“Dat hij die deze kerk bezoekt, in zijne gebeden aan de Heilige Elburga denke

En niemand ga door deze, dan behoudens een aalmoes”

Er is dan wel een Engelse koningsdochter die in aanmerking komt. Maar wat zou haar relatie met Nederhorst zijn? Echter gemeentesecretaris J. Krol zegt in zijn De Geschiedenis van Nederhorst den Berg hierover:“zo zei men, “men behoeft voor een heilige niet te bidden, zij bidt voor anderen.” Daarom moet zij als stichteres gezien worden en bidde men voor haar zaligheid”.

De heer A. B. Halberstadt te Leeuwaarden zag dat de werkwoord ‘Petere’ verschillende vertalingen kan hebben (bijvoorbeeld ‘vraagt’, ‘verzoekt’, ‘stelt’ of ‘wenst’, (yjk)) en als de letters STIP vroeger zichtbaar waren, kan met de inscriptie een distichon met hexameter en pentameter bedoeld zijn.

“Qui petit ha(n)c avla(m) petat Elburga fore salva(m)

et pe(t’)am ullus intret, n(i stipendia det)”

“Wie deze hal betreedt, bidde voor het heil van Elburga.

En ik zou willen vragen of wel iemand kan binnengaan zonder aalmoes te geven.”

Hij vermoedde de meervoud ‘stipendia’, vanwege verschillende bussen voor kerk en voor armen & wezen en voor een beter metrum. Dit is verder niet van belang, ‘dia’ of ‘dium’ zijn slechts hypothetisch. Zelf heeft die die extra letters niet gezien

In pet’am, kan trouwens TA als verbinding kan best gelezen worden. De ligatuur van een streep boven de A impliceert zelfs een M, maar die M zit niet voor ULLUS. Daar staat duidelijk een N. Dus dan zou er staan ‘geen’ in plaats van ‘iemand’ of ‘ieder’. Dat zou nog kunnen. Maar de ligatuur van de P, een streepje door de stam van de letter, geeft altijd een R aan, dus ‘pro’ of ‘par’. Dat lijkt een betekenis van ‘ik vraag’ uit te sluiten. Of was die P ligatuur een fout en was het juist de reden het afmaken van het project af te blazen?

Van Lennep en Ter Gouw geven in “Het boek der opschriften” een wat vrijmoedige verklaring voor de incompletie van de tekst. Zij ontdekten erin een Latijnse hexameter in met een fout in de prozodie, hier het metrum. Die fout zou ook al ontdekt zijn bij het aanbrengen van de tekst. Een geleerde monnik die toevallig langs kwam, zag het en zou tegen de steenhouwer gezegd hebben: Hou maar op. Er zit een fout in. In de tweede regel gezondigd tegen de prozodie; lettergreep LUS (NULLUS), als begin derde voet moet lang zijn, want volgend vocaal IN(tret) moet kort zijn.

In de negentiende eeuw was het blad De Navorscher voor menig onderzoeker het voornaamste medium voor gedachtewisseling. Reeds in de eerste jaargang lezen we: “Kerkopschrift. Wat beteekent het geschrift voor de kerk te Nederhorst den Berg : “qui petit hanc Aulam, petat Elburgam fore salvam et per eam nullus intrat n.” QUAESTOR.”

Het volgend jaar is er een reactie.

“Zonder dit opschrift voldoende te kunnen verklaren, breng ik echter onder de aandacht van QUAESTOR , dat de eerste woorden een zuiver en zeer verstaanbaar hexameter uitmaken : Quipetit hanc Aulam , petat Elburgam fore salvam d. i. wie dit hof(portaal?) bezoekt , bidde , dat Elburg veilig moge zijn. Zoodanig opschrift komt meermalen voor; waarschijnlijk had Elburg de kerkgesticht of verneuwd. De overige woorden : et per eam nullus intrat n. wijken echter van de maat of; de zin wordt plotseling afgebroken. Waarschijnlijk behelsde ’t een nieuwe opwekking tot gebed : en niemand trede hier door binnen, ten zij . . . . hij aan haar gedenke in zijne gebeden.

CONSTANTER.”

foto RCE jaren zeventig

In 1894: (schrijver had zijn bronnen gelezen) “Ik vond alleen dat van de Noorderdeur nog aanwezig. Mijne lezing er van luidt aldus:

Qui petit hac aula petat celibus clarnore salva et pietate. Nullus intret n(isi ? enz).

De steenhouwer is hier blijkbaar blijven steken, want de steen is. glad voor de rest. De woorden staan op de rechterdeurpost en boven de deur ingehakt. Celibus zal een fout zijn voor coelibus. De ,,S” is niet waar te nemen, doch de ruimte er voor is open. Het opschrift zegt dus aan den kerkganger : Wie dit gebouw binnentreedt, hij wijde zijn aandacht aan de hemelsche dingen, zonder gedruisch en met godvruchtigheid. Niemand trede hier binnen ……

Weet een onzer Navorschers mij te zeggen hoe oud dit opschrift is? R. C. SIX.”

binnenzijde deur

Het volgend jaar deze reacties:

“Opschrift (XLIV, 708). — Als dat opschrift zóó was, zou de vertaling van den Heer Six niet juist kunnen zijn, want het zou eenvoudig onvertaalbaar zijn. Hac aula zou niet te verklaren zijn, achter petit; celibus is geen woord; coelibus evenmin, enz., enz. Maar er staat ook iets anders, namelijk:

Qui petit hanc aulam ; petat Elburgam fore salvam ;

Et per eam nullus intret — — — Zie Nav. I, 218 en II, 40.

Over de beteekenis is veel gegist, door Bilderdijk, Van Lennep en Ter Gouw, Scheltema, Nijhoff, en anderen, ’t Waarschijnlijkste is, dat Van Wachendorff gelijk had, die aldus vertaalde: Die dezen voorhof intreedt, bidde, dat Elburga zalig zjj ; en niemand trede er door binnen, dan — — — (verder gaat het op- schrift niet.) De vrouwenaam Elburga kan dus aanduiding zijn van iemand, die de kerk stichtte, of wel, mildelijk begiftigde. E. LAURILLARD.”

En even verderop “Opschrift (XLIV, 708). — Het opschrift op de Oosterpoort zal geluid hebben : Qui petit hac aula (hanc aulam) petat Elburgam esse salvam , d. i. alwie dit voorhof bezocht, verzoeke, dat Elburga moge welvaren (bidde voor het behoud, het heil der ziel, van Elburga.)

Elburg, Helburg, Helborg of Helburgis was in de Middeleeuwen een gebruikelijke vrouwennaam. Ook Helmborg, bijv. Helmborg van Delen, in 1405 weduwe van Johan van Wely, te Welie o. Hien (bij Dodewaard, in Neder-Betuwe).

Daar in den „Tegen woord. Staat” t. a. pl. bl. 129 Filips van Wassenaer + 1225 genoemd wordt als de stichter der oude ridder- hofstad Nederhorst, mag men vermoeden dat Elburga, denklgk stichteres dier aula, ook of eene v. Wassenaer geweest is, óf tot dit edelgeslacht in nauwe betrekking heeft gestaan. Komt in de stamlijst der Wassenaeren eene Elburga voor? Hoe heette de gade van Jo r . Filips?

Beide opschriften, die van Oosterpoort en Noorderdeur, kunnen dus uit den tijd van dezen edelman spruiten. jac. a.”

Voor het eerst is hier een hypothese omtrent de historische stichteres Elburga. Die zijn tegenwoordig het populairst.

Toch volgt hier nog een bijzonder elegante klassieke verklaring.

Dr D.A.W.H. Sloet vult, op grond van die hexameter, de tekst aan met: ‘non credulus’.

Hij gaat in op de distichon met hexameter en pentameter.

Hexameter:

“Qui petit ha(n)c avla(m)

Petat Elburg

a(m) fore salva(m)”

Dat rijmt.

Pentameter begint:

Et per eam nullus

Intret n

LUS is een afgeknot dactylus, een versvoet bestaande uit een beklemtoonde lettergreep gevolgd door twee onbeklemtoonde lettergrepen. Is eigenlijk kort maar wordt lang door de pauze voor IN.

INTRET is een spondaeus, een versvoet bestaande uit twee beklemtoonde lettergrepen. Hierop verwacht hij de eerste lettergreep van volgend afgeknot dactylus.

NON ligt als lange lettergreep hier voor de hand. Dan moeten twee korte volgen en tenslotte nog één lettergreep.

Dus: “Wie deze hal wenst (binnen te gaan) bid dat Elburga behouden wordt En niemand trede haar binnen…” Iets wat daar in de tekst thuishoort en dus niet in de kerk? Een niet-gelovige, ‘non fidelis’ misschien? Maar de ‘de‘ in ‘fidelis’ is lang maar daar moet iets kort komen. ‘non credulus‘, wat eerder een lichtgelovige betekend, past echter precies. “Waarom ’credulus’ en niet het gebruikelijke ’fidelis’?” vraagt Verheul zich in 1993 voor TVE af. Dat is niet helemaal eerlijk van Verheul. Want ook hij heeft bij Krol gelezen wat Sloet hierover zegt. In poëtische zin is ‘credulus‘ volgens Sloet toelaatbaar.

Sloet voert verder aan dat ‘non credulus‘ zelfs beter past als het de zin krijgt van goedgelovig, “die niet gelooft dat zijn gebed verhoord wordt d.w.z. die geen vertrouwen heeft.” Omdat er in die tijd eigenlijk geen ongelovigen waren en er zo een gedachtenverband bestaat tussen de twee verschillende zinnen, houdt hij dit voor de (bedoelde) ware.

Dan, dus twee rijmen in een distachon:

Qui petit ha(n)c avla(m)

Petat Elburga(m) fore salva(m)

Et per eam nullus

Intret non credulus”

Zou dit juist zijn en zo zijn gehouwen, merkt Sloet op dat er dan een chronicum in te vinden is. Letters die in het Latijn ook cijfers zijn, kun je dan optellen, waarmee je dan bijvoorbeeld een bouwjaar kun gedenken.

VIICVLLLVVCVICDVLV

Dat wordt dan 1038, een aantrekkelijk jaartal, hoewel maar liefst 660 van de hypothetisch ‘non CreDVLLVs‘ afkomstig zijn. En hoewel Sloet een elegante hypothese uiteenzet, verklaart dit niets waarom de inscriptie nooit is afgemaakt. Juist als de distichon klopte en het uitgewerkte chronicum juist optelde, is het helemaal frappant dat de inscriptie nooit is afgemaakt.

restauratie en onderzoek in 2008

Voor wie & door wie?

In recentere studies gaat men eigenlijk steeds uit van een ‘stichteres’ Elburga en houdt men zich vooral bezig wie, wanneer en waarom het gedenken van haar op die steen. Of deze Elburga bij leven de aula heeft laten bouwen of na haar dood, met instemming van haar familie er plaats en middelen voor heeft vrijgemaakt, valt buiten ons gezichtsveld. Over wie Elburga geweest zou kunnen zijn en wie en waarom het nodig vond haar te gedenken, is wel meer gespeculeerd.

Een historische Elburga was wellicht de oma van Luidger. Zij heette eigenlijk Ætelburga. Dan vond men die eerste letters niet nodig. Misschien was Elburga haar roepnaam, zoals een Elizabeth Liesje kan heten. Uit Ætelburga zijn vele bisschoppen en heiligen voortgesproten. Zij lijkt, gezien de overlevering van de bouw van de eerste kerk door Luidger een degelijke kandidaat. Maar zovele adellijke dames die vrouw, moeder of oma van mogelijke kerkbouwers zijn naamloos. Elburga was inderdaad een populaire naam in oude tijden en één van hun kan ook de bedoelde Elburga zijn geweest.

binnenzijde-van-de-kerk-op-21-juni-2008-foto-J.W.-Leijenhors

Een familiale band zou een goede aanleiding zijn te vragen om haar te gedenken. Bij Luidger kunnen we dit goed voorstellen. Maar die eerste kerk zal een houten geweest zijn en hoewel een stenen gedenkpoort niet onmogelijk is, het is dan extreem oud en zou deze vrijwel alleen staan. Maar dat doen unieke dingen wel vaker.

De meeste mensen gaan uit van een latere bouw, waarbij de opdrachtgever of zich uit het oude geslacht van Luidger gesproten achtte of een eigen Elburga in zijn gelederen had of er zonder familie verband toch deze vrouw het gedenken waard achtte.

De gouw Nifterlake, waar Nederhorst in lag wordt voor het eerst vermeld in 723 als de Frankische hofmeier Karel Martel diverse goederen schenkt aan de Utrechtse kerk. Gaandeweg wordt de gouw nog enkele malen genoemd tot in de 10e eeuw.

Waldger was begin 10e eeuw graaf in Nifterlake. Hij was een broer van Dirk I en een zoon van Gerulf, graven van wat later Holland heette. Daarnaast was hij graaf in één of enkele andere gouwen. Het was het tijdperk van de Noormannen. De Utrechtse bisschop die zijn zetel in Utrecht decennialang was ontvlucht, keerde uiteindelijk omstreeks 925 terug en poogde weer het beheer over oude bezittingen te krijgen. De bisschop zou gaandeweg steun krijgen van de Ottoonse koningen Hendrik de Vogelaar en Otto I de Grote. Waldgers zoon, Radbod, was de volgende graaf in Nifterlake. Radbod verloor het overgrote deel van zijn macht (waarschijnlijk) omdat hij in 939 in opstand was gekomen tegen de koning. Onder meer veel goederen zijn vervolgens door de koning aan de Utrechtse kerk geschonken.

2008

De abt van Egmond Walter (1030 – 1061) heeft blijkbaar vroegchristelijke plaatsen die historisch belangrijk waren aan zijn klooster willen betrekken. Het is bekend dat in 1261 de curtis Zwesen (Oud Zuilen) waar de heilige Luidger geboren zou zijn, door de abdij is verkocht. De plaats van de eerste kerk langs de Vecht aantrekken, zou in Walters streven gepast hebben. Walters abbatiaat (bestuursperiode van een abt) komt wel goed overeen met de door Sloet vermoedde chronicum Verder is er feitelijk echter niets van bekend.

De familie van Amstel blijkt de later de voornaamste familie in de buurt. Kan deze familie de Elburga als familielid hebben beschouwd.

inscriptie in betere tijden

Luit van der Tuuk en Anton Cruysheer (TVE 2013) leggen meer gewicht in het feit dat het Kapittel van Sint Marie in Utrecht vele eigendommen en rechten verkreeg in de streek. De verwijzing naar de oma van Luidger zou verwijzen naar Maria en haar moeder Anna. Het zou wijzen op een diepte-kerstening in de streek. De slot N, zou dan kunnen staan voor NISI, ’tenzij’, en de kerkbezoekers zouden dan het in hun hoofd weten af te maken. Wellicht na oorspronkelijk instructie vanaf de kansel.

Het kapittel van Sint Marie is in de tweede helft van de 11de eeuw tot stand gekomen.

De romaanse kerk is hier op de berg rond 1180 gebouwd. Als mogelijk bouwheer wordt Gijsbrecht I van Amstel (ca.1145 – tussen 1189 en 1201) beschouwd. Hij was schout en rentmeester van Amestelle en ministeriaal van de bisschop van Utrecht van 1172 tot na 1189.

Gijsbrecht I was de, vermoedelijk, oudste zoon van Egbert van Amstel. Met hem begon een reeks van vier naamgenoten, die in de vaderlandse geschiedenis aan het geslacht Van Amstel zijn bekendheid hebben verleend. Volgens de overeenkomt van zijn vader met bisschop Godfried van Rhenen in 1169, volgde hij hem op als schout en rentmeester in het rechtsdistrict Amestelle met de daaraan verbonden vergoedingen, het dienstgoed Amestelle en de dienstgoederen in de rechtsgebieden rond het Overmeer.

Gijsbrecht I van Amstel vervulde zijn dienstambt nog voor een deel uit tijdens het episcopaat van Godfried van Rhenen en dat van Boudewijn II van Holland, bisschop van Utrecht (1178-1196). Deze was een broer van Floris III, graaf van Holland.

De korte loopbaan van Gijsbrecht I wordt door slechts vijf vermeldingen gemarkeerd. In 1176 getuigt hij voor bisschop Godfried van Rhenen, en in datzelfde jaar treedt hij als bisschoppelijk ministeriaal op voor de proost van het kapittel Sint Marie in Utrecht!

Relaties van belangrijke families met kapittels liggen in de middeleeuwen voor de hand. Wellicht gingen de banden van de kapittel met de van Amstels terug naar het eerste begin en sluit die diepte-kerstening en een familieverband elkaar niet uit. Een Elburga is verder niet bekend uit die familie.

Wanneer de inscriptie gemaakt is toen de romaanse kerk reeds gebouwd is, zijn er wel meer mogelijkheden. Maar een totale geschiedkundige beschouwing van Nederhorst zou hier te ver voeren. Mocht daar onverhoeds een Elburga ooit opduiken, dan verdient zij nader aandacht.

Een laatste hypothese

Onbeantwoord blijft dan, wat er niet is. Waarom is de inscriptie niet afgemaakt? Ook het hele voorkomen van de tekst, het letterbeeld is merkwaardig.

Tussen de verticaal aangebrachte tekst en de horizontale regel zit een groot verschil. De laatste is in vergelijking met de eerste strak en professioneel aangebracht. De verticale tekst is echter slordiger. Terwijl de horizontale tekst gebruik maakt van ligaturen ontbreken deze links. Daar zijn wel samengestelde letters.

Bij de meeste lezingen van de tekst, zou enkele strepen verwachten boven bepaalde A’s, zoals bij de Ā op het horizontale stuk. Nu hebben de meeste A’s een plat dakje met paardenstaart. Maar die vallen niet samen met de te verwachten toevoegingen van N of M en kunnen dus niet voor ligatuur worden gehouden. Dat hoeft ook niet, maar de keuzes wel of niet hiervoor te kiezen zijn verticaal en horizontaal duidelijk anders gemaakt. Dan had die wel QVIPETITHĀCAVLAPETATELBVRGĀFORESAL gehouwen.

De schrijver dezes neigt ertoe een poort te zien waar eerst alleen ‘Nullus Intret’ stond. Wellicht ergens in de buurt van waar de steen gewonnen werd, misschien in Utrecht. Wellicht stond er al ‘ETPEĀNVLLVSINTRETN‘ of is dit later zo aangevuld. Op een of ander manier voldeed de steen niet aan de wensen en heeft iemand met een betrekking tot Nederhorst het daarom tegen een vriendelijk prijsje kunnen aankopen.

Een lokaal betrokkene had een idee, wellicht de pastoor. Ik vind de redenering van dr. Sloet redelijk overtuigend. Er lijkt een distichon met hexameter en pentameter in schuil te gaan. Waarom niet afgemaakt. Toch niet vanwege de slordige hand van de verticale tekst. Sloet vindt er een chronicum in terug. Dat zou een goed reden geweest zijn om al die aan te vullen M’s weg te laten. Anders wordt het jaartal erg groot.

‘Nullus’ rijmt goed op ‘credulus’. Dat kan op zich geen bezwaar geven. Maar stel dat de getalwaarde van het chronicum het probleem bleek. Als de uitvoerder/bedenker, misschien de pastoor, misschien een lokale grote, vanuit ging van 1088 in plaats van 1038. Als de bedenker lichte woordblindheid had, had hij wellicht de rijm ‘Nullus‘ – ‘Credullus‘ voor zich. Een extra L brengt je 50 jaar verder. Maar dat is geen Latijn. Als hij zich in het woordbeeld vergist heeft, het komt tegenwoordig nog vaak genoeg voor, had hij wellicht een ander jaartal voor zich.

Als dat de kern van het idee was geweest, zat hij dan wel met een probleem. met ‘Credullus‘ zou hij voor schut staan, met ‘Credulus‘ klopte het jaartal niet meer. Chronicum moeten kloppen, doen het ook. 1088 zou aardig kloppen met de ideeën van Luit van der Tuuk en Anton Cruysheer. Hoewel ik de diepte-kerstening moeilijk vind te begrijpen, sluit dit een gevoeld familieband niet uit. Nog hadden ligaturen boven de betreffende A’s niet misstaan maar daar is de maker wellicht teleurgesteld niet meer aan toegekomen.

Het blijft allemaal erg speculatief maar dit zou een logische verklaring kunnen zijn die het epigrafische, historische en letterkundige bewijs omvat.

Als dit zo is, is de inscriptie ouder dan de kerk. Helaas heeft deze veronderstelde, oudere situatie archeologisch nog geen onderbouwing kunnen vinden. Waarschijnlijk is dit archeologisch allang te verstoord en/of weggeraakt. Zoals het goede mysteries betaamt, op het moment je denkt je vinger erop te kunnen leggen, blijkt het als los stuifzand je door de vingers te glippen. Het is wat het is..

En dan nog die deur

De houten deur van de portaal is lang niet zo beroemd als de stenen ombouw met de inscriptie. Echter deze is op zijn minst toch vermeldenswaardig. Ook hier mogen we wel spreken van een mysterie. Verder getuigt het van een van de meest turbulente tijd waar de christengemeenschap zich geplaatst vond.

Jan Harmansz was dus sinds 1556 in Nederhorst de pastoor. We weten dat in 1593 hij predikant was in Gereformeerde Kerk van de Verenigde Nederlanden. Dat is hij tot 1602 gebleven. Over de overgang laten de schaarse officiële bronnen weinig los. Maar hier op de deur hebben wij toch een zeer duidelijke aanwijzing wanneer dit gebeurd moet zijn.

Constructie

Zoals boven gemeld is deze deur niet de enige van interesse. Maar deze heeft in zijn constructie iets wat je eigenlijk nooit ziet. Boven twee dwars geplaatste onderplanken is de buitenkant opgebouwd uit vijf verticale elkaar overlappende planken, zó dat de meest linkse over de naaste ligt, enzovoort. Dit oogt wellicht niet zo spectaculair maar is welbeschouwd toch zeer merkwaardig. Alsof een stuk getimmerde buitenmuur eruit is gezaagd en een kwartslag naar achter is gedraaid.

De deur heeft tenminste ruim vier en een half eeuw, op deze plaats prima gefunctioneerd. Dus met de constructie als dusdanig is niets verkeerd. De inscripties op de deur gekrast lijken het bewijs dat dit tenminste de zestiende-eeuwse deur is, die er stond na de nieuwbouw van het noordelijke transept. De stenen poort is met zijn inscriptie echter aantoonbaar ouder. Zou deze houten deur ook veel ouder kunnen zijn?

Een monster voor C-14 datering zou hierop antwoord kunnen geven. Het zou fijn zijn, er iets over te kunnen zeggen in verband met een relatie van die houten deur met de stenen inscriptie. Is de deur rond 1550 nieuw gemaakt voor de poort of heeft het een nog ouder verhaal? Wie ooit op het idee kwam de deur zo te bouwen, zal waarschijnlijk altijd duister blijven, maar wanneer de planken nog bomen waren, is om en nabij te benaderen.

Krassen

Het krassen in hout gaat ver terug. Het achterlaten van een persoonlijke teken of een boodschap, in het openbaar en voor ieder te zien, komt wel vaker voor. Op deuren van kerken komt dit minder vaak voor. De andere deuren van deze kerk hebben dit ook niet. Hiervoor is deze, toch al wat bijzondere deur uitgezocht.

Waarom? Waarom niet één van de anderen? Wie zal het zeggen? Het is ook intrigerend wie het heeft gedaan. Waren dit baldadigheden van de jeugd? Misschien moest één van de dorpelingen het gewoon kwijt. Misschien echter is dit openbaar, in aanwezigheid van dominee en gemeente wel ritueel gebeurd.

Het is natuurlijk niet gezegd dat alles op dezelfde tijd is aangebracht. En hoe leuk het is op zo’n belangrijke plaats iets van de informele volkscultuur terug te vinden, zijn de driehoekjes en rechthoeken op zich niet veel zeggend. Een zigzagpatroon kan een kroon zijn maar ook gewoon een zigzagpatroon. Een letter A, gekrast alsA\\’ intrigeert maar geeft weinig aanknopingspunten als je er niet bij was.

Staat daaronder een 59? Waar staat dat dan voor? Vooral op de tweede plank van links is veel te ontdekken. Op de deur zijn enkele inkrassingen die meer spreken. Of wij ze verstaan, staat niet vast. Maar wij kunnen vermoeden. Laten we voor drie een vrijmoedig interpretatie geven wat ze zouden kunnen betekenen.

Heel duidelijk, op ooghoogte is op de tweede plank van links 1579 ingekrast. Dat zal dus wel een jaartal zijn. Wat zou met die jaartal te maken hebben gehad? Het waarschijnlijkst lijkt dat in 1579 de pastoor met zijn parochie overgingen naar de Nederduitse Gereformeerde Kerk. Tot 2008 was de oude middeleeuwse en vooral katholieke altaar gebruikt als drempelsteen aan de andere kant van de kerk bij de zuid poort. Waar de parochie honderden jaren lang het heiligste der heiligste mocht aanschouwen, werd het toen gedegradeerd tot een steen waar men ’s winters de sneeuw van zijn schoenen kon aftrappen. Ritueel is reeds honderden jaren het gezag van Rome daar met voeten getreden, letterlijk, tot 2008.

Waarom we mogen vermoeden dat het jaartal 1579 hier van belang is? Boven dat jaartal is een driehoek gekrast met een ruit erin. En natuurlijk kan er niets met zekerheid bewezen worden maar het feit dat deze vlak boven het jaartal en precies net een beetje scheef is getekend, zou je kunnen denken dat hier een bisschopsmijter bedoeld is die op dat moment afgeworpen wordt.

Op dezelfde plank een stukje naar beneden zien wij iets dat toch verdacht veel op een galg lijkt. Interpretatie hiervan is meer precair dan die bisschopsmijter. Tenslotte zijn er wel meer rechthoeken en driehoeken in de deur gekrast en het galgje is eigenlijk gewoon een halve rechthoek.

Maar goed, ieder die als kind het spelletje gespeeld heeft, herkent het onmiddellijk. Dit driehoekje lijkt toch op het algemeen aanvaarde symbool voor een galg. Een galg was ook vroeger het symbool van een eigen gerecht, van zijn zelfstandigheid. Men moest natuurlijk beschikken over de hoge rechtsmacht om iemand te hangen maar ook als nog nooit iemand daadwerkelijk gehangen werd, kon de gerechtsheer wel een galg opwerpen als symbool dat hij uiteindelijk wel die macht en recht had. Het galgje op de deur is trouwens ook niet in gebruik.

Dan is er bij de grendel op de eerste plank nog een portret getekend. Portret lijkt wat veel gezegd maar we herkennen hier toch zeker een kop met hoed. Is dit zomaar gebeurd, uit verveling? Dit is de enige plaats waar daadwerkelijk een persoon op de deur is gekrast. Met een vrijmoedige interpretatie zou het een autoriteitsfiguur kunnen zijn. Het ligt voor de hand er Jan Harmansz in te zien. Zou de dominee zo’n hoed hebben gedragen? Het is jammer dat we geen tekening, schilderij of gravure hebben van Nederhorsts eerste dominee, dan konden we kijken of het een beetje leek.

Een alternatieve verklaring zou kunnen zijn dat we, net als bij een mijter en misschien ook met die galg, hier een overdrachtelijk betekenis hebben. Dan is het niet een specifiek persoon maar is het de burger zelf, anachronistisch gezegd. Zelfstandige lidmaten in een eigen gemeente die het achter deze deur voor het zeggen hadden. Het is dan niet een persoon maar de protestant…

Maar ieder kan zijn eigen ideeën en meningen hebben over de deur en de steen. Het laatste woord zal er nog niet over gezegd zijn. Gaat u zelf vooral eens kijken. Houd de afbrokkeling in de gaten. Mocht u iets opvallen, meldt het ons. Ook voor andere feedback.

Reageren?

yjk

Addendum van Anton Cruysheer

1. In de mijter-suggestie op de deur geloof ik niet zo, het moet iets anders zijn gelet op de ruit binnen de driehoek. De driehoek is een mannelijk symbool en zonneteken dat staat voor goddelijkheid, vuur, leven, het hart, opstijging, voorspoed, harmonie en koningschap. De ruit is een vrouwelijk symbool en had de zinnebeeldige betekenis van huwelijk, nakomelingschap en vruchtbaarheid. Hier beide denk ik bedoeld als: een nieuwe, voorspoedige, vruchtbare tijd is aangebroken – van ná 1579.

2. Je verwijst naar Luit van der Tuuk en mij, maar dit voert terug op:

https://www.academia.edu/3092668/_2013_Eeuwenoude_mysteries_te_Nederhorst_den_Berg._Enkele_bevindingen_over_kasteel_en_kerk_te_Nederhorst_den_Berg_I_ (vanaf blz. 247). Naar deze link kun je ook verwijzen als je wilt.

3. Ik heb wat moeite met de Van Amstels als bouwheer, omdat zover ik weet de dienstmannen van de bisschop niet over dit soort kerkelijke aangelegenheden gingen. Bovendien was het goed aan het kapittel van St. Marie geschonken en de Van Amstels waren in dienst bij de bisschop, niet dit kapittel.

4. Die dieptekerstening moet je zien in de tijdgeest: het gebied kende in de 11de eeuw nog veel (heidens) bijgeloof, van volledige kerstening was nog geen sprake. Er was een tweede kersteningsgolf nodig. Een stenen kerkstichting, met een link naar de voorvaderlijke kerkstichter Liudger, lijkt me een uitstekend middel.

5. Een belangrijk onderbouwend motief met de familie van Liudger is het bidden voor de zielenheil van deze familie. Dit zou met de kloosterstichting éérst te Werinon moeten plaatsvinden, maar werd later verplaatst naar Werthina (mét de schenking van het bezit Werinon!), om vervolgens (eind 11de eeuw denk ik) terug te keren naar Werinon/Nederhorst. Tenminste, als we de tekst ‘niemand treedt binnen tenzij… te bidden voor de zielenheil’ zo mogen interpreteren.

6. Wat ik me nu bedenk: stél dat het stenen portaal ouder is dan 11de eeuw? Dan komen twee herkomsten in aanmerking: a) men was al begonnen met de bouw van het klooster te Werinon en dit was een belangrijk bouwrestant dat werd meegenomen in de nieuwe kerkbouw in de 11de/12de eeuw (en in de 15de eeuw herplaatst). b) dit portaal is afkomstig van het klooster te Werthina en werd meegenomen naar Werinon tegelijk met de schenking aan het kapittel en nieuwbouw kerk. In beide gevallen zou het portaal dan 9de eeuws zijn.

7. Via deze link wordt ook stilgestaan bij de interessante poort en bij Elburga: https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Elburga. De eventuele relatie met de Van Amstels lijkt niet aannemelijk. Deze familie groeide pas echt in de 13de eeuw – pakweg 1260-1280 – in macht. In de 11de of 12de eeuw hadden ze lang niet zoveel zeggingskracht en vermoedelijk ook geen bezit in/rond Werinon. Er werden ontginningsgronden en belastinginkomsten rond het Overmeer door Egbert van Amstel toegeëigend, maar in 1156 werd het kapittel van St. Marie in het gelijk gesteld (zie boek van Buitelaar, o.a. blz. 243). Dit wekt de indruk dat in de 11de-12de eeuw het kapittel van St. Marie het in en rond Nederhorst den Berg voor het zeggen had en (nog) niet de Van Amstels.

8. Wat me nog opvalt zijn de vier ijzeren ringen in de zandsteen. Da’s best gek, want waarvoor? Het lijken me geen deurophanging te zijn, want dan zouden deze aan één kant moeten zitten.

9. Die overnaadse planken moeten van een wand van een gebouw zijn geweest: op die manier kon het regenwater er vanaf lopen. Op dezelfde wijze bestaan nu nog schuttingen. Een theorie die ik hierbij opper is dat de planken van de houten kerk kunnen zijn – de voorganger uit de 9de-11de eeuw. Het hergebruik moest mogelijk heilige bescherming of kracht bieden? Wel spannend om dit uit te zoeken. Een 14C-datering kost meen ik 500,- euro. Omdat het een rijksmonument is moet dit lopen via de rijksdienst (en natuurlijk via de kerkeigenaar / kerkelijke gemeentebestuur).

10. Wat me ook opvalt is de onderzijde van de zandsteen. Zo’n 20 cm vanaf de onderkant hebben een andere vorm/kleur. Die zullen eerder wel tot op dat niveau dieper in de grond hebben gestaan.

11. Het hoedje is inderdaad ook leuk. Het hoedtype is mogelijk te achterhalen op 16de eeuwse

Mocht de houten deur dateren uit de 9de of 10de eeuw, dan lijkt me het niet gewaagd te veronderstellen dan het portaal ook uit die tijd stamt – dat zou een belangrijk nieuw inzicht betekenen!

Tot zover en groet, Anton