ALLE OBJECTEN VAN DE MAAND >>

oktober 2021

de kop van de haven met rechts de kade

De Domproostwijker Wetering

De haven van de Vuursche

Duizend jaar geleden bestond aan de rechter Vechtoever een gigantische veenkussen dat in de loop van de middeleeuwen in fases voorspoedig in bouwland werd omgezet. Schier oneindig streken zich de kavelsloten uit op regelmatige afstand van elkaar tot aan een dwarswetering of dijk, om over die dijk weer voort te gaan, slechts hier en daar ter hoogte van zogenoemde tiendpaden enkele meters te verspringen.

Vanuit Utrecht noordwaarts en vanaf de Vecht noordoostwaarts en oostwaarts, moesten de verschillende ontginningen ergens botsen, waar de topografische kaart de weergave van toont. Een mede door zijn omvang unieke landschap en een cultuurhistorische schat. Maartensdijk is uiteindelijk helemaal vanuit Utrecht nog in de middeleeuwen gehaald.

Maar vlak ten noorden van Maartensdijk stokt het, voorlopig althans. De eerste honderden meters is nog geen probleem. Maar in de buurt van de lijn tussen de Hollandse Rading en de Vuursche heerlijkheid houdt het even pas op de plaats.

hoogtekaart van het gebied tussen de Vuursche en het Gooiland

In de eerste helft van de 16de eeuw moet nog worden uitgemaakt wie op het laatste stukje onontgonnen wildernis recht kon doen gelden. De opstrekkende heerden waren lang geleden bij Utrecht begonnen en zagen het laatste stukje als hun historische recht. Maar het kapittel van sint Jan in Utrecht was eigenaar van de Vuursche en zag het onontgonnen land tussen de Vuursche en ’t Gooi als iets waar zij wel eens recht op zouden kunnen hebben.

Het recht van opstrek zegevierde en de rechthebbende mochten tot aan de grens van de Vuursche, de Lapersweg, de huidige Berkenlaan voortgaan. De rechtmatige eigenaren waren hiermee bekend. Het feit dat men een stukje Holland in ging, deed daar niets aan af.

Ontginningen krijgen een naam. En de naam aan de hele ontginning vanuit Maartensdijk heet nogal prozaïsch de Zesentwintighoeven Veenviertel. In principe kreeg ieder altijd het recht even breed als hun scheisloten ten noorden van Maartensdijk hun land rechtdoor te trekken. Dat was deel van het hele idee achter dit soort regelmatige ontginningen. Een hoeve aan land bestond uit viermaal het land tussen de scheisloten. Het land tussen twee scheisloten was dus een kwart van een hoeve en werd een vierdel genoemd. Hiernaar heeft het gebied tussen de Vuursche en het Gooiland de naam de Vierdels gekrgen. Maar deze vierdels heten soms ook wel het Holle Bos of de Wolfsbeitel.

Het gebied ten zuiden van deze ontginning is zoals de rest van het Utrechts Noorderkwartier voor de landbouw gewonnen. In het noorden bij de Vuursche is het grotendeels een bosrijke ‘natuurlijke’ omgeving. En dat was reeds in de negentiende eeuw zo. Het wijkt ook af in ander aspecten. Hoewel sommige percelen hun breedte houden, geren enkele onder invloed van de tuit tussen de Vuursche en het Gooiland, van de ontginningsbreedte naar het noorden toe. Achter iedere afwijking gaat een verhaal schuil, die we misschien wel of misschien niet kunnen achterhalen. In de Ridderoordse bossen nabij weet een enkel perceel zelfs behoorlijk te verbreden om onder de Vuursche flink toe te knijpen. Het mooiste voorbeeld van dit soort gerende stroken is de Ster van Loosdrecht.

een mooie ronde wal opgetrokken uit de grond uit een gracht

Er lijkt ook een achterwetering te ontbreken. Wellicht was die uitgezet in de verlengde van de Karnemelkseweg op de Vuursche. Het aansluitende bospad heet het Loosdrechtsspoor en heeft tenminste nog greppeltjes. Maar als die hier ooit is uitgezet, je vindt er nauwelijks iets van terug. Wat je wel terugvindt zijn de ontwateringsgreppels, hier tot kleine grachten uitgegroeid. Ook niet per se als kavelsloot. Op onregelmatige afstand van elkaar, kaarsrecht in dezelfde richting. De één reikt wat verder dan de ander. Soms is de uitgegraven grond zomaar gedumpt maar hier en daar als gave wal achtergelaten. Daar waar de veenontginningen in het verdere noorderkwartier een collectieve éénduidigheid hebben, hebben de inspanningen hier een veel meer particuliere karakter.

Het blijkt dat hier tot ver in de 17de eeuw grote stukken nog onontgonnen bleven. Drijvende kracht achter veenontginningen zal, zoals de naam suggereert de vervening zijn. Het moet de kolonisten meteen een inkomsten bron hebben geleverd om in hun agrarisch bedrijf te investeren. Zeker vanaf de 13de eeuw was turf een zeer gezocht goedje. Blijkbaar was er tussen de Vuursche en het Gooiland niet zoveel turf dat de gerechtigden tot een snelle verzilvering overgingen.

bomenrij geeft oude loop van de wetering aan tussen Hollandse Rading en Maartensdijk
onze wetering (rechts van het voetbalveld) gaat over in een greppeltje naar Maartensdijk toe

Er bestaat hoogveen en laagveen, veen dat min of meer droog ligt en veen dat uit het water moet worden gedregd. Turf werd zo goed mogelijk te drogen gelegd voordat het vervoerd werd om voor de hand liggende redenen. Maar er is ook een belangrijke onderverdeling naar zijn kwaliteit als brandstof.

Het beste, zwarte veen kon heet genoeg worden gestookt om bakstenen mee te maken. Het leverde het meest op en kon hogere vrachttarieven krijgen. Veen met iets van verontreiniging, met zand, leye genoemd was nog zeer bruikbaar. Het nog grijzer turf werd ook wel brouwersturf genoemd en had nog waarde genoeg om vervoerd te worden. Het zeer lichte, witte turf was het niet meer waard. Sloten en gaten ter plaatse konden ermee gevuld worden of het kon uitgereden worden over het bouwland.

Een iets subtielere kenmerk van de uiterste vierdels is op de hoogtekaart AHN4 gemakkelijker waar te nemen dan in het veld. Verschillende stroken die dwars op de lengterichting een ribbeltjes patroon laten zien. Deze kunnen we associëren met vervening. We mogen veronderstellen dat op de ruggetjes de vochtige veenblokken te drogen stonden. Dus er moet veen geweest zijn. Maar feit dat we die ribbels nog steeds terugvinden, geeft ook aan dat daar het niet is omgezet in landbouwgrond, wat dit soort microreliëf snel doet verdwijnen.

Eén van de rechthebbende van een vrij brede strook land was hier het domkapittel van Utrecht. De opbrengst was in het bijzonder voor de proost van het kapittel. In de middeleeuwen zijn kloosters en kapittels voor een groot deel de kapitaalkrachtige instellingen die graag wilden investeren in land in het algemeen en zeker veenontginningen. Zo’n strook in eigendom, meerdere stroken breed, werd wel een wijk genoemd. Aldus heette die strook, vanaf de Maartensdijk tot aan de onontgonnen wildernis bij de Vuursche, de Domproostenwijk. Een mooie naam.

de virdels op de kaart van de Vuursche uit 1597 (coll. Hingman 3018)

De Domproostenwijk komt voor op de 1597 kaart van de Vuursche, op de onderste brede strook. Er staat “die heeren vanden dom – j hoeven”. Dat is vier viertels breed, Een vijfde belendende stook was reeds door de heren verpacht ten westen (beneden). Al lopen al die lijntjes netjes door, het zal in 1600 dus nog grotendeels een onontgonnen heide zijn met hier en daar bosjes rijshout.

Kenmerkend voor de mindere waarde van dit land, is een dossier uit het kapittel archief uit 1664 waarin ene Cornelis van Vianen tiendvrijheid wordt verleend na het ontginnen van de heide van het kapittel onder Oostveen, met onder andere onze Domproostenwijk daarin. (Heeringa nummer 882) Deze belastingvrijheid moest het aantrekkelijk genoeg maken hier iets te beginnen. Zoiets was in de rest van de ontginningen, op het vruchtbare land, ondenkbaar.

Fysisch onderscheidt de strook van de Dom zich nauwelijks van van de rest van de Vierdels. Er loopt een mooie gracht doorheen gelijk meerdere op onregelmatige afstand van elkaar. Deze voerden het water vlot af richting de Maartendijksevaart. Ze lijken in hun dimensies allemaal zo’n beetje op elkaar. Die van de Dom is niet groter dan de anderen, anderen lopen zelfs een stuk verder door. Zo op het eerste gezicht is er niets om verder bij stil te staan. Dat hier toch iets bijzonder aan de hand is, weten we uit een archiefstuk uit het Domarchief, nummer 3751. “Ontwerpen van de voorwaarden, waarop de geërfden van Oostveen van de heer van Drakensteyn toestaan met zijn schouwen door Oostveen naar Utrecht te varen, 1692. 1 omslag”.

Hieruit volgt dat de heer van Drakenstein in 1692 op de Domproostenwijk, in de gracht een wetering had. Het was daar dus inderdaad de Haven van de Vuursche.

vanaf de Vuursche Dreef noordwaarts is de wetering een bospad

De forse grachten in het gebied waren nodig om zoveel mogelijk water af te voeren. Bij vervening is water iets waar je zo snel mogelijk vanaf wil. Tegenwoordig is het gebied, zoals heel ’t Gooi behoorlijk verdroogd. Wanneer dat vroeger niet zo was, hadden die grachten niet zo fors hoeven uitgevoerd te worden. Het gaat hier blijkbaar om meer dan wat regenwater.

Vocht is de vijand in de turfwinning. Dus voor zover hier turf te halen was, was verdroging een gewenst effect. Het geoogste turf werd dan nog eerst te drogen gelegd, hoe droger het uit de grond kwam, des te liever.

Overtollig water vond over de grond de grachten maar ook als geïnfiltreerd water dat via de wanden van de grachten zich een weg naar de vrijheid gezocht heeft. De forse grachten suggereren dat er toentertijd kwelwerking was. Oorspronkelijk moet er dus wel seizoensverschillen zijn geweest maar waren die grachten, naar wij mogen aannemen, in principe nat.

de Binckhorstlaan, vroegere tracé van de wetering

Maar een haven impliceert een bevaarbare wetering. Hier moet genoeg water aanwezig zijn om een eenvoudige boot, mogelijk een schouw genoemd op en neer naar de Maartensdijksevaart te voeren. Dan is het de vraag of hier iets van terug te vinden is.

Het was een mooi gezicht in de vorige eeuw. Vanaf de hoge kop van de gracht doemde rechts een kade, een metertje breed en zo’n veertig meter lang. Bevreemdend en toch wel imposant. Hier was toch echt een haventje, voor ieder die het op wilde zoeken, goed te zien. In die jaren kon je het zelfs nog overwegen de wetering af te lopen. Heden ten dage is heeft de wildernis danig toegeslagen. Opnieuw opgeëist onder toezicht van het Utrechts Landschap. Mooi voor de natuur. Voor de cultuurhistorische liefhebber jammer.

kop van de wetering; kade duidelijk te onderscheiden; onder een spreng (cirkel)

Maar een kade was zeker niet genoeg. Om het een bruikbare wetering te maken moest men ervoor zorgen dat het water niet snel werd afgevoerd. De meest geëigende manier in de omgeving om dit te doen was door middel van schutten. Ze bestonden dan uit gemetselde walkanten met gleuven, waarin een houten schot, het zogeheten valschut, op en neer kan worden bewogen. Het daartoe dienende mechanisme werd gevormd door een ijzeren juk, eventueel met een afdakje, een ronddraaiende as en een handwiel. Twee achter elkaar waren effectief een schutsluis. Het moge wel niet vaststaan dat die rond 1700 in de Domproostenwetering gebruikt zijn, het ligt voor de hand hiervan uit te gaan. Een eenvoudig stukje technologie voor het gewenste resultaat.

foto’s Kees Floor (www.keesfloor.nl)

Helaas is op het moment niet duidelijk waar deze of ander soort werkjes zijn ingezet. Zeer wel mogelijk is hier archeologisch iets van terug te vinden. Echter de gracht is over een lang stuk opgevuld en waar het nog aanwezig is, is het niet gemakkelijk af te lopen. Dus wie weet vindt iemand binnen kort iets van een waterkering in deze gracht.

Maar er zijn nog andere sporen, die wel terug te vinden zijn, die deze gracht van de anderen onderscheidt. Deze zijn gelukkig op op een modern hoogtekaart terug te vinden. Langs het verloop van de wetering vinden wij twee duidelijke cirkelvormige onderbrekingen. We hebben hier te maken met aangebrachte sprengen.

spreng bovenin de ribbels; eind van de huizen links aan het pad
rododendron geeft de plaats van de spreng aan

Wat daar op grote schaal gebeurde, is hier ook gedaan. De hoogtekaart onthult tenminste twee sprengen. De bovenste vinden we zo’n dertig meter vanaf het noordelijkste pad die de voormalige wetering kruist. Een zuidelijkere bevindt zich ter hoogte van waar inmiddels huizen gebouwd zijn. Daar groeit op deze plaats een opvallend groot rododendron. Functie van deze sprengen is wel duidelijk, kwelwater toelaten. Ze zijn wel iets dieper dan de gracht zelve maar, in elk geval in hun huidige voorkomen niet eens zoveel dieper, minder dan een meter. Het is fijn dat nog iets van zo’n kwetsbare infrastructuur na enkele eeuwen nog is terug te vinden.

wildernis in de wetering in oktober 2021

Het beek systeem op de Veluwe is redelijk goed onderzocht. Deze blijken meestal geen natuurlijke oorsprong te hebben. Het blijkt dat de aanleg van een beek vrij eenvoudig te werk gaat. Op het hoger gelegen terrein zit het geïnfiltreerd regenwater niet zo diep. Door daar een gat te graven ergens op de helling, welt het water vanzelf op. De zo op gang geholpen stroom werd gemanipuleerd via een bepaald beekje zijn weg naar het lagere te vinden. Watermolens onderaan bleken essentieel voor de industriële ontwikkeling. Bij Rhenen ontstond uit eenvoudige papiermolens een grote papierindustrie.

Domproosterwetering in blauw, sprengen licht groen

yjk