Archeologisch Object van de Maand

Oktober 2019

begin van de Beukenlaan

Gooier Schans aan de Vuursche

Er zijn zo van die stille plaatsen die de toevallige voorbijganger nauwelijks kunnen toefluisteren van hun saillante geschiedenis. Zo’n saillante plaats is hier aan het begin (of het einde, net waaruit je het bekijkt) van de Berkenlaan, achter landgoed Groot Kivietsdal, bij de sloot die sinds 1750 definitiever dan ooit tevoren de provinciale grens vormt, de Hollandse Sloot en waarlangs een fietspad loopt. Maar deze Berkenlaan is ouder.

Deze weg, in oude stukken geduid als de (Oude) Laapersweg, loopt kaarsrecht door het bos aan op de zogenoemde Zes Wegen, een punt waar het de Zevenlindenweg kruist. Hij loopt parallel aan de Kloosterlaan/ Lage Vuurscheweg. Deze behoren tot de oudste wegen over de Vuursche.

Ooit denderde de weg voort ‘t Gooi in, richting Laren met een aftakking naar Hilversum, aldaar Oude Amersfoortse Weg genoemd. We mogen hier oorspronkelijk een dubbele karrenspoor veronderstellen. Hier nabij zijn enkele grafheuvels, verderop onthult de LIDAR-foto raatakkercomplexen. Deze zijn allemaal nog ouder. Maar deze oudere wegen, die ‘t Gooi met de Vuursche verbinden zijn tenminste 1000 jaar oud. Mogelijk veel ouder. Ooit had de Hamalandse graaf hier op de Vuursche een hof en via deze wegen moest men deze kunnen bereiken. De hof zou later nog bekend zijn bij de regionale boeren als de Hof van Elten, een langwerpig terrein aan de Zevenlindenweg met een lage omwalling.

Op het hoge, droge zand van ‘t Gooi was een weg geen probleem. Als de karrenspoor er eenmaal ligt, gaat het vanzelf, generaties lang. Wanneer een spoor te diep wordt, kun je eenvoudig ernaast opnieuw beginnen. Regels waar en hoe, allemaal (inter-)buurschappelijk af te handelen.

omgeving schans & blokhuis op hoogtekaart

Verbindingswegen door het veen waren echter geen sinecure. Landschap, archief en hoogtekaart verwijzen naar het veen hier ooit aanwezig. Allemaal verstookt. Het moet een veel vochtiger omgeving zijn geweest. Vele paden en weggetjes door het veen zullen alleen in het seizoen of bij goed weer beschikbaar zijn geweest. Een betrouwbare weg door het veen zal eenmaal aangelegd ook onderhoud nodig hebben gehad. De twee parallelle wegen houden ook rekening met de toentertijd aanwezige vennetjes, waarvan het Hilversums Wasmeer een restant is. Kievitsdel verwijst naar zo’n vennetje. Op de kaart van de Vuursche heerlijkheid uit 1597 is hier nog vermeld een “Ravesway”, nog zo’n waternaam.

Naar de verhoudingen van die tijd, mogen we veronderstellen dat oude Gooilanders onder toezicht van hun landsheer deze wegen onderhielden, waarvan de Lage Vuurscheweg nog sporen aanwezig draagt. Hoe geïsoleerd ‘t Gooi lag aan het eind van het eerste millennium is tegenwoordig moeilijk voorstelbaar. Het lag omgord door dikke onbewoonbare veenpakketten behalve een havenmogelijkheid in het noorden aan het Almere. Over land was de rest van de wereld slechts over deze twee wegen op een betrouwbare manier te bereiken. En dan was je pas op de Vuursche. Via een weggetje op Soest of Zeist, bij Bavoort misschien de Eem over om nog verder ooit bij de Rijn te komen, waar alle beschaving vandaan kwam.

noordoosthoek Vuursche in 1597

Toen de vervening reeds enkele eeuwen gevorderd was, heeft bisschop Jan van Arkel rond 1350 drie keer de Eemnessers verslagen en de Leeuwenpaal opgericht. Vanaf deze paal bepaalde hij een nieuwe grens tussen het Gooiland en zijn Sticht, geraaid op zijn eigen dom. Een groot gebaar. En eerlijk is eerlijk, hadden de Hollanders gewonnen, was het Gooiland uitgebreid tot de oevers van de Eem. Sterker, heel Utrecht had staatsrechtelijk onder de Graaf van Holland gekomen.

Dat na menig dispuut 400 jaar later zijn idee definitief gestalte kreeg, kon niemand toen zeker weten. De Eemnessers waren Stichtse onderdanen aan de Eemdijk geweest, toen de graaf van Holland hun naar zijn (Gooische) land had gelokt met aantrekkelijke voorwaarden, over de Wakkeredijk, naar Oost Holland. Erg onbehoorlijk, vonden sommigen van Stichtse zijde.

De heropname van de Eemnesser boeren met inbegrip van het grondgebied van Oost Holland kwam neer op een flinke annexatie ten voordele van de bisschop. Over het gebied van de Vuursche en tussen de Vuursche en Hilversum was zijn claim echter fragieler. De gebruikers van dit laatste hadden nooit staatsrechtelijk onder het Sticht gevallen. Zowel Hilversum als de Vuursche hoogte was altijd Gooiland geweest in hun ogen en de Gooilanders zouden het Stichts gezag eeuwenlang betwisten. Nog eeuwen zou de Vuursche worden omschreven als een heerlijkheid in twee landen, later provincies. Op kaarten van de 17de en begin 18de eeuw, zoals de kaart van Sinck uit 1619, is de Vuursche dan ook ingetekend als vallend onder Holland.

Vuursche op de kaart in1619 in het wit, hoort bij Holland (noorden onder)

Op de uitsnede van deze kaart zien wij in het midden vermeld “Block huis” en hier direct boven “Die Goyse Schans”. De schans zelf is enigszins schematisch weergegeven. Dit was niet ongewoon bij dit soort kaarten. De schans was hier een middel om van Hollandse zijde deze oude weg te controleren, zoals ook het blokhuis diende. Er is geen praktische reden waarom het schanswerk zomaar honderden meters naar het zuiden zouden lopen. De hoogtekaart geeft ook geen aanleiding hier aan te denken.

Met deze oude kaart in je hand kon je echter weten dat je op je route deze dingen kon tegen komen. Richting Hilversum is hier bij “nieuwe wech” een soort van overbrugging ingetekend. Een boogbrug heeft hier nooit gestaan. Waarschijnlijk heeft de tekenaar duidelijk willen maken dat we, vanuit de Vuursche komend naar Hilversum, na schans en blokhuis kon uitzien naar een stukje diepe weg, weggezonken tussen de bergjes. Of juist deze weg in plaats van een oudere, nu onaantrekkelijk geworden weg in de plaats is gekomen of dat de nieuwe weg gewoon een route door de bergjes neemt, is van deze kaart niet op te maken.

Het waarschijnlijkst is dat we hier de Nieuwe Laapersweg treffen. Hieruit is de moderne, grote weg voortgekomen, de Hilversumse Straatweg. Een blik op de actuele hoogtekaart toont de grote strook door deze weg gevormd, gekruist door diverse lijnen. Verschillende cultuurlagen, die dus ouder moeten zijn dan de grote weg. De Nieuwe Laapersweg kom in beeld in de loop van de 16de eeuw. Een oude deel van die weg is op hoogtekaarten te ontwaren iets ten noorden van de grote weg. Deze verbond ooit de hoeve van de Hoge Beuk aan de Vuursche bij de Zevenlindenweg, via het Laapersveld met Hilversum. Ten zuiden van die hoeve liep een weg van de Zevelindenweg op Baarn. Toen de hoeve verdween, alleen zijn naam en enkele beuken achterlatend, zijn de twee wegen zo verlegd om op elkaar aan te sluiten. Hieruit ontstond op den duur de grote weg.

plat van het blokhuis (noordoost punt) & omgrachting

Het begin van de Beukenlaan is ingesloten tussen de Golfbaan en sinds kort een hondenuitlaatterrein, een afgezet stukje bos om hondenuitlaatservices ter wille te zijn. Hierachter komen we weer in het open bos. Vrij snel kunnen we hier waarnemen enige diepten weerszijden van de laan. De rest van deze laan en de meeste lanen in de buurt hebben dit niet. Een kleine bult op de weg schept de mogelijkheid, door bijvoorbeeld deze af te zetten of een brandje te steken, een wagen komend uit de Vuursche te dwingen of rechtsomkeer te maken of links of rechts de kuil in te rijden. Dit laatste zou nog wel net kunnen zonder de wagen te breken. Het gaf de mogelijkheid van Hollandse kant de boel te controleren of douaneverantwoordelijkheden uit te voeren. Het is echter ook mogelijk dat de diepten nat waren zoals een Ravenswaai en Kivietsdel tot relatief kort geleden dat waren. Wellicht zat hier vroeger reeds een vennetje. Mogelijk was het veen hier relatief diep goed tot op een grotere diepte en heeft men van de achtergelaten gaten slim gebruikgemaakt met enige aanpassingen.

De waarschijnlijke plaats van de blokhuis is achter al het hekwerk weerszijden van de laan behoorlijk aan het oog onttrokken. Je kunt er niet meer omheen lopen. Feitelijk rest niets meer meer van enig bebouwing maar op de hoogtekaart doen de parallelle lijnen van de omgrachting de gewezen plaats vermoeden.

Zijn beiden contemporain of anders, wat was eerst? In de archieven zijn aanwijzingen hierover (nog) niet boven gekomen. De Gooise Schans komt veel vaker in de stukken voor omdat deze op de grens van de Vuursche heerlijkheid zich bevond. Ook eenmaal geslecht, liet het blokhuis (op enkel subtiele grachtjes na) geen sporen na maar die diepten aan weerszijden van de weg bleven zichtbaar. Mogelijk heeft het schanswerk in de middeleeuwen gediend om op agressieve wijze controle te houden over deze toegang tot ‘t Gooi terwijl het blokhuis meer een accijnsfunctie heeft gehad in de later steeds meer uitbrekende perioden van vrede en handel. Aan de grote weg, de Nieuwe Laapersweg lijkt het zogenoemde Zouthuisje ooit een zelfde soort functie te hebben gehad.

Vuursche rond 1539 (noorden onder)

Een kaart uit omstreeks 1539 laat hier nabij nog iets zien. Daar zien wij tussen “t herde vā Laperswech” en “de nieu wech” “‘t blochuys”. Daarnaast is afgebeeld “d oude cruys”.
Hiermee komen we op een saillante verhaal van deze plaats..
Kruizen komen vaak voor in de topografie in verschillende hoedanigheden. Vaak duiden ze op een kruispunt der wegen, zoals bijvoorbeeld “de Hoogte van het Kruis” onder Hilversum of “Cruysbergen” onder Bussum. Soms zijn er zogenoemde vredeskruizen, waar een stads- of gerechtsvrede aan de randen van een grondgebied kon worden afgekondigd om er een vrijmarkt te houden. Er zijn dwaalkruizen om moerige heiden te doorkruisen. Sommige kunnen gewoon vrome kruizen zijn. Echter enkele zijn memoriekruizen, opgericht om te gedenken.

De plaats van het kruis aan de Laapersweg wordt hier en daar in archieven genoemd en gebruikt op enkele oude kaarten om de afstanden mee te delen. Het heerlijkheidsarchief van de Vuursche bezit een vermelding in een afschrift van een submissie van rond 1472 in een uiterst leesbare 15de-eeuws schrift.

Er staat:

“Item dattet Cruys bydie Vuerse aldaer is geheset om den ghene die daer
doot geslagen was en niet om een paelscheydinge tusschen den stichte
ende goylant“

En in de volgende alinea:

“Item dat die gheen die daer geslagen was en die den dootslach deden
beyde waren wt goylant en In goylant woenden en die den dootslach
gedaen hadden daernae niet en dorsten comen Inden stichte anxt hebbende
hadmen hem aldaer gecregen datmen hem daer zoude aengetast hebben
en gerecht”

Een beetje merkwaardig is de laatste alinea wel. Twee Gooilanders, doodslag en een kruis op een plaats die zij beiden voor Gooiland moeten hebben gehouden. De dader zal toch eerst angst hebben gehad in zijn eigen Gooi aangehouden en berecht te worden. En de oprichter van het kruis, familie van de geslagene of de dader, bij wijze van boetedoening, waren allen waarschijnlijk dus ook Gooilanders. Meer informatie geeft het stuk niet. Het is een opsomming van redenen waarom de Vuursche Stichts zou zijn. Hollanders hadden ook zulke stukken, die hun kant op redeneerden.

Op het het eerste gezicht pleit het stuk (angst om in Utrecht om zijn misdaad gestraft te worden) voor Stichtse soevereiniteit ter plaatse. Nader beschouwd laat het zien dat hier Gooilanders hier een kruis plaatsten om één hunner te gedenken, tussen de Gooier Schans en een, naar wij aannemen Hollandse douanehuis. De facto lijkt deze uithoek van de Vuursche nog Hollands.

Waar echter ieder 15de-eeuwse Gooilander dit kruis mee zou associëren lijkt mij een gebeurtenis dat daadwerkelijk traumatisch was voor vele families. Wellicht zelfs de ware reden voor een gedenkkruis.
In 1348, na afloop van een bestand tussen Holland en Utrecht kwam Jan van Arkel met de Utrechtse burgerleger des achten daghes na Sunte Margrieten daghe (19 juli) mit ontwonden bannieren getogen op een groot, groen velt geheten Lapers, leggende bi dat dorp van Emenesse.. en overwon de Gooise boeren en Oost-Hollanders. Hun aanvoerder Melis van Mynden werd gevangen genomen en velen bleven dood achter. De slag verdient zeker meer aandacht op zich. Waarom hier? Hoe kan het allemaal gegaan zijn? Wat speelde allemaal mee?

Hier is het genoeg er bij stil te staan dat vele Gooilanders hier gevallen zijn en dat het kruis hen hier zo niet herdacht, toch in herinnering bracht. Het is verdwenen. Hoe en wanneer (nog) niet bekend. Misschien meegenomen of omgetrokken en stuk geslagen. Misschien omgevallen en ligt het er nog. Dens-4 herinnering aan de slag moet voor de opeenvolgende generaties lange tijd indruk hebben gemaakt.

Wat was het Laapersveld? Het is verre van duidelijk. Etymologisch onduidelijk. Contextueel evenmin, onduidelijk waarom hier in een betrekkelijk wildernis een groot, groen velt, Laapers of anders geheten, zou moeten zijn geweest in het midden van de 14de-eeuw. Nog op topografische kaarten van rond 1900 is hier iets ten noorden in het Baarns veen een boerderijtje getekend met de naam Groeneveld. Dat zal niets met de gelijknamige landgoed bij Baarn te maken hebben. Het is goed mogelijk dat op het land van deze boerderij de slag is uitgevochten. Het is zeer waarschijnlijk afgebeeld op de kaart van 1597 als een bruin (!) gebied noordoostelijk van de Vuursche. Helaas anoniem.

Was hier dan in 1348 geen schans of blokhuis? We weten het niet. Als het Laapersveld iets bijzonder was, zou het kunnen. Als de Stichtsen verwacht werden, zou een voorbereiding net voor de slag voor de hand liggen. Maar de directe weg naar Eemnes ging hier niet langs. Deze ging over de Zevenlindenweg en Bosbadlaan. Rond de Bosbadlaan zijn veldarcheologische aanwijzingen die een verwacht ontvangst der Utrechters hier doet vermoeden. Zo hier op de Beukenlaan enige verdedigingswerken en manschappen aanwezig waren, het is niet genoeg gebleken.

Trouwens, op de hoogtekaart sluit de diepe, natte grensgreppel die vanuit het noorden langs het Zouthuisje komt, precies aan op een droge kleine grensgreppel naar het zuiden. De kaart van 1597 geeft echter op het uiterste van de Vuursche een inschinkeling weer, zoals die tegenwoordig voor landgoed Kivietsdal aan de Hilversumse Straatweg er is in de provinciegrens, door twee leeuwenpalen aangegeven. Ook op andere kaart van 1625 is dit gesuggereerd. Het was een goed gewoonte, waar een weg van enig belang een grens kruiste, deze grens langs de weg een klein stukje te laten verspringen, dwars dus op de eigenlijke richting van de grens. Hiermee werd een soort niemandsland gecreëerd, waar iemand kon worden aangehouden of juist iets of iemand uitgewisseld kon worden. Je vind ze overal, ook rond de Vuursche. Het zou kunnen dat niet het midden van de greppel vanuit het noorden als lijn gold maar de zuidrand. Geeft een inschinkeling van enkele meters. Het kan dat de huidige grensgreppel naar het zuiden, een parallel lopende greppel heeft gehad iets ten westen. Maar deze is dan helemaal verdwenen. Dat parallel of gerend aan die lijn de Vuursche heerlijkheid tot aan de Hollandse sloot reikte, waar de Berkenlaan de provinciegrens raakt, zou heel goed door de (Vuurscher) maker van de kaart gesteld zijn geworden, of dat hij dat dacht of vond. Dat we nu zouden stellen, dat de Vuursche nooit tot op die sloot heeft gelopen, hoeft hij zich achteraf niet aan te trekken. Allemaal omstreden gebied. Hilversum, Baarn en de Bilt hadden allemaal hun claims hier.

Opmerkelijk is nog dat de provinciale grenslijn uit het noorden, doorgetrokken zonder inschinkeling, precies uitkomt waar de Beukenlaan die grens raakt. Het kan haast geen toeval zijn maar het fijne daarvan lijkt opgegaan in de misten der tijd.

September 2019

Een Middeleeuws Waterput aan de Oude Crailoseweg (Relict)

Middeleeuws Waterput aan de Oude Crailoseweg naar het Zuiden

In bos en hei komt men allerlei gaten in de grond tegen. Alle gaten door mensen gemaakt, hebben een verhaal waarom de inspanning. Voor het zand, grind, leemkuilen, schuttersputjes of kinderhutjes. Het is de uitdaging van archeologen dit verhaal te achterhalen en waar mogelijk te duiden in het verhaal van een landschap en de mensen hierin.

De middeleeuwse waterput aan de Oude Crailoseweg ligt aan de voet van de Lange Heul, aan de zuidzijde. Tegenwoordig wordt de heide in tweeën gesneden door de Nieuwe Crailoseweg, Gebed Zonder End voor intimi, met name door de bomenrij die sinds halverwege de 19de eeuw weerszijden van deze brede laan sieren. In vroegere eeuwen was de heide nog erg open en gaf de Lange Heul letterlijk en figuurlijk reliëf aan het landschap. Eenmaal bovenop kon men terugkijken op het dorp waaruit men was vertrokken, Laren, Hilversum of Bussum, en kon men het volgend dorp zien liggen.

De oude sproke spreekt van een reus die een zak zand ophaalde en de duivel die een gat hierin stak. Vervang de reus door een reusachtige ijsvlakte en de duivel door geologische processen in het laatste deel van de periode Jonge Dryas ruim 12.000 jaar geleden – en het allerlaatste koude tijdvak van de laatste ijstijd, dan trof deze wijsheid het bijna goed.

Zoals de naam vertelt, heeft de Nieuwe Crailoseweg de Oude Crailoseweg opgevolgd, al zal die oorspronkelijk nog niet die brede laan geweest zijn en ook als karrenspoor begonnen zijn. Die niuewe loopt echter, om het oude Hilversum met Crailo te verbinden een eind om. Crailo (over het aantal a’s en o’s zijn de meningen verdeeld) was een klein buurtschap voor het eerst in 1442 vermeld als Krayloy. Op het grote huis schreef Hortensius zijn verslag van de ondergang van Naarden in 1572. Later, in kocht de Amsterdammer Van Rensselaer hier in 1628 het gebied dat hij tot landgoed liet verbouwen compleet met formele tuinen, dat twee eeuwen in het bezit van zijn familie zou blijven.

De Oude Crailoseweg liep vanuit het dorp Hilversum recht op Crailo aan en had nog in de 19de eeuw enig betekenis als verbindingsweg. De weg zelf kan natuurlijk nog een stuk ouder zijn en deze waterput suggereert dit. Op de Lange Heul erkent de archeologie drie waterputten. Onze is officieel Pleknummer 124, Toponiem Bussumerheide. Met de nieuwe technologie van Lidar komen op hoogtekaarten een schat aan details naar boven en blijken er misschien meer te zitten. Maar die waren nog niet opgevallen. Wat ze precies dan zijn, zou uitgezocht moeten worden.

Middeleeuws Waterput aan de Oude Crailoseweg naar het Noorden

Water is een primair levensbehoefte en beschikking hierover was essentieel voor een duurzaam verblijf ergens. Een van die waterputten, vlak bij de ecoduct, hoorde bij een boerderijtje uit de 12de en 13de eeuw in de jaren ’30 van de vorige eeuw archeologisch onderzocht. De put reikte van de elf meter boven NAP hoge maaiveld tot op zo’n twee en een halve meter boven NAP. Ook op de Aardjesberg hier vlakbij zijn bewoningssporen uit die tijd aangetroffen. Enkele losse vondsten lijken zelfs iets ouder. Kortom, hier was vroeger een buurtje waar waarschijnlijk nog meer boerderijtjes stonden.

Onze put kunnen we in deze periode plaatsen. Hoewel nooit archeologisch onderzocht, heeft die put het voorkomen hiervan, naast de archeologische context lokaal. Een waterput bij een boerderij zal meestal een particuliere karakter hebben. Ik bedoel hiermee dat het hoorde bij, gemaakt was door en onderhouden werd én voor het gebruik was van een enkel of misschien een paar boerderijen en de families daarop. Dit lijkt bij de archeologisch onderzochte put verderop op óók op te gaan. Deze was, weten we, in elk geval bovenaan beschoeit met veldkeien.

Deze oude waterputten hebben oorspronkelijk een enigszins trechtervormig voorkomen, naar de eigenlijke schacht toe afgevlakt, zij hebben een verdieping. Een meter of meer onder het maaiveld was evenzo minder arbeid om het verse grondwater boven te krijgen. Wanneer een kudde schapen gewassen moest worden of een lastdier met een hoeveelheid water bepakt of bij gewoon huishoudelijk gebruik, zal dat stukje gescheeld hebben. Zoals vaak bij een kuil is de opgebrachte aarde vaak als een ring eromheen neergelegd. Op hoogtekaarten nog goed waarneembaar, op de grond minder zichtbaar. Af en toe kan deze onderbroken zijn, een toegang hebben, die in het begin zo gepland is of door slijtage ontstaan, die het gebruik vergemakkelijkten.

Met deze put aan de Oude Crailoseweg lijkt echter iets meer aan de hand. Die is veel groter. Binnen de ring kun je een klein kudde houden. Waar is dat toch goed voor? De ellipsvormig grondvorm is noord-zuid wel 40 meter lang, gemeten van de buitenring. De grote hoeveelheid opgebrachte aarde lijkt zich niet te rijmen met een gewone keuterboer pionier en zijn beperkte bedrijfsvoering. Het is een behoorlijke kuil. Heeft een boer zijn buren willen aftroeven? De later opgegraven langhuisboerderij op de Lange Heul was ook 40 meter lang. De velden hier lijken ooit bewerkt, er zijn tenminste twee 12de/13de-eeuwse bedrijven onafhankelijk van elkaar in de buurt teruggevonden.

Heel vaak hebben op zich uitzonderlijke situaties een prozaïsch oorzaak. De boer had misschien vele zonen, of dochters met ijverige potentiële schoonzonen. Of twee of drie boerenfamilies die samenwerkten, maar.. Samenwerking van van twee of drie buren verklaart nog niet waarom de trechter zo groot moest worden, misschien wel enkele keren de hoeveelheid aarde opgebracht dan van de andere twee waterputten.

Het andere wat opvalt is dat de waterput direct aan de Oude Crailoseweg ligt. De machtig rechte weg maakt hier ter plaatse een respectvolle knik om de put heen. En wat eerst alleen na het plaggen ooit opviel, is op de actueel hoogtekaart evident. Op het moment overgroeid, liep hier vroeger een route dwars op de Crailoseweg. De waterput zit op een kruispunt van oude wegen.

Overzicht Lange Heul rond de Waterput hoogtekaart AHN3 hillshade

Al ontbreken schriftelijke bewijzen zullen zowel Hilversum als Crailoo bestaan hebben ten tijde van de nederzetting aan de Lange Heul. Hilversum met zijn “saksische” -heim suffix en vroeg middeleeuwse begravingen aan de Liebergerweg. Crailoo, een vlek met zijn onregelmatige kavels, stellig heel oud. Maar nog bovendien bracht die route vanuit Hilversum je verder, richting Hoog of Oud Bussum en Oud Naarden.
De oost-west lopende route splitst zich toevallig precies hier in tweeën oostwaarts. Westwaarts loopt het spoor dood bij het moderne ecoduct, ongeveer op een hoogte die aansluit bij het oude Ankeveense Pad en daarmee ook de kop van de Kortenhoefse Dijk en verder Vreeland en Nederhorst.
Noordoostelijk loopt een mooi dubbelspoor tot op het oude viergemeentenpunt, waar de Nieuwe Crailoseweg ook uitkomt. Tegenwoordig overgroeid, zijn grote happen bovenaan het Lange Heul rugje in het veld en op de kaart stille getuigen van zijn vergane glorie. Het is een route naar Huizen, of over de Tafelberg naar Blaricum. Hiervan wordt een paar meter van de put vandaan een spoor afgesplitst die aan sluit op de Grintbank en Houtweg in Laren uitkomend op de Brink met zijn Koeswaarde. Ook nemen we op de Hoogtekaart een verweerd, meer slingerend spoor waar, dat meer op St. Janskerkhof lijkt aan te gaan. Vanaf hier kon je natuurlijk weer door naar de Vuursche en verder naar Baarn of Soest.

Dit tegenwoordig eenzaam stukje heide blijkt dus een centrale knooppunt van belang.
Dit bewijst op zichzelf niets over onze waterput. In de tijd dat hier een nederzetting was, kunnen de karrensporen, net als talloze paden, hier rustig gefunctioneerd hebben tussen de akkertjes door. Dat reizigers af en toe hier stopten om zich aan het water te laven, zal onze denkbeeldige boer Piet wel gedoogd moeten hebben. Het was misschien zijn put, het water was van God. In middeleeuwse denkwereld was de wildernis en beschaving door God in beheer gegeven aan de Keizer, die het op zijn beurt aan landsheren uitgaf, die de keizervrede hielden bij de gewone mensen, die hun gebruiksrechten hielden in familieverband en vanuit de burengemeenschap waar zij deel van uitmaakten. Moderne ideeën over particuliere bezit bestonden zeker op het platteland niet of nauwelijks.

Een huis was, met een stukje erf eromheen, mans familieëigendom. Tegen vreemden mocht hij het verdedigen als ware het zijn kasteel. En net als een kasteel zal hij een open huis zijn voor zijn landsheer of zijn lieden. Rondom zijn huis mocht ieder zijn gebruiksrechten op de de engen uitoefenen, zijn akkertje verbouwen, vanuit de burengemeenschap, die op de juiste onderverdeling toezagen. Hieromheen mocht ieder gebruikmaken van de wildernis op geregelde wijze, waarin belangen van de buren, van de burengemeenschappen onderling en de landsheerlijkheid waren afgewogen.

Een plaats in dit gemeenschapssysteem gaf natuurlijk ook geëigende verplichtingen. De bewapende plattelandsadel kond zich als ridders aanbieden en waren dan ontheven van de meer nederige verplichtingen van de gewone boeren. Naar verluid zou één negende van een jaar, ongeveer 40 dagen aan de landsheerlijkheid, dus de gemeenschappelijkheid toehoren. Zo kon hier vanuit infrastructuur onderhouden worden in het algemeen belang.

Het is hieruit dus ook denkbaar dat men op een centraal punt, een knooppunt van de streek, tezamen en in redelijk overleg een waterput voor gemeenschappelijk gebruik aanlegde. Of dat men een oude put bij een verlaten boerderij bleef onderhouden of zelfs vergrootten. Het ware zelfs mogelijk dat rond de plaats waar een gemeenschappelijk waterput geslagen was, een verkeerskruispunt, boerenpioniers een bestaan op de schrale grond probeerden te verwezenlijken. En dat het meer dan een eeuw nog enigszins lukte.

De Waterput aan de Oude Crailoseweg hoogtekaart AHN3 kleur/hillshade

Een middeleeuws waterput is een ruim begrip. Later dan romeins en op het conservatieve platteland nog tot lang in de vroeg moderne tijd. Het zijn eigenlijk putten die zich op middeleeuwse wijze vertonen. Maar het waarom van die extreme grote blijft hier onduidelijk. Een groter groep mannen konden wel in een beperkte tijd zo’n put graven, niet duidelijk wáárom ze dat zouden doen. Een eenvoudig kleinere put zou het net zo goed doen voor de dorstige reiziger.

Toch een kudde schapen tegelijk wassen? Of iets heel anders? Toen Hamalandse graven hier lansheer waren, moet er een wijdverbreid ijzerwinning in hun landen geweest zijn. In de archeologisch onderzochte waterput verderop zouden ijzerslakken zijn gevonden, hoewel het precieze hiervan onduidelijk is. Zou hier op het water aangekoekte ijzeroer gewonnen zijn? We weten het niet.

Zo’n anonieme gat roept aldus vele vragen op. Digitale archeologie opent het landschap als nooit tevoren. En juist hierdoor komen nieuwe vragen voor de klassieke archeologie. Toch moeten we voorzichtig zijn alles maar uit te graven. Ons bodemarchief is kwetsbaar. Laten we zijn rijkdom goed leren beseffen en eerst kijken hoe ver we met minimale verstoring kunnen komen.
En daarbij is deze waterput een archeologische monument van groot belang!

Augustus 2019

Zomer 2019

De Grenssteen Aan De Tafelbergerweg

Een grens is een grens als degenen aan beide zijden van die grens vinden dat die er is. En soms ligt op zo’n grens een steen, een grenssteen. Hier aan de Tafelbergerweg ligt misschien wel de mooiste uit de wijde omgeving. De grootste is die zeker niet. Maar met zijn mooi afgeronde vormen domineert die zijn kleine hoekje van de wereld. Hij ziet de seizoenen komen en gaan, aanraakbaar en oeroud. Hij ligt hier goed.

De folklore heeft ons geen sage overgeleverd, hoe een reus die Balderik zou heten, wegtrok uit Laren. Zover hij die stenen bal vanaf die Tafelberg kon wegwerpen, tot daar zou zijn land stekken, nog altijd de grens tussen Laren en Blaricum. Helaas, ik ken hem niet.

Winter 2015

Zwervers van verre, achtergebleven na glaciale tijden. Deze oudste vluchtelingen woonden hier al lang voordat onze voorouders zich hier vestigden. Sommigen verwierven duurzaam een functie in het mensenlandschap. Om iets aan te geven, de weg te wijzen of iets te vertellen.

De weg is hier van grote oudheid. Stellig zou oud als Laren en Huizen, de dorpen die hij verbindt. Onze steen zou hier allang gelegen kunnen hebben. Men kan zich hier een afslag indenken, een heetweg of nootweg, vanaf deze plaats omdat die steen er lag. Maar de steen kan er ook later zijn neergelegd. Voor zover we het weten, kwamen beiden gevallen voor.

De grens is ongetwijfeld later. Tussen de verschillende buurschappen met eigen engen vlak eromheen lagen de gemene heiden. Het was niet zo dat ze van een stukje hei niet wisten wie het gebruikte en waarom. De buurschappen hadden een meer collectieve bewustzijn, een stelsel van rechten en plichten, dat het overleven doenbaar maakten, als buren onderling zowel als tussen de verschillende buurschappen. Ons idee van een gemeente van onafhankelijke burgers op een duidelijk afgebakend en opgedeelde territorium, speelde minder. En de grote onontgonnen gebieden tussen de dorpen, de gemene heiden hadden al met al een belangrijke functie.

Dus, indien een grenssteen, hoelang en wanneer? Mensen met een streng legalistische beschouwing van de geschiedenis kunnen hier beweren “heel kort”. Een jaar of 7. Gerechtelijk is Blaricum formeel pas in 1817 van Laren afgescheiden. En reeds in 1824 is er een grenscorrectie doorgevoerd, waardoor de steen geheel in Laren kwam te liggen. Maar met een ruimhartiger historisch geografische benadering valt goed te verdedigen dat hij tenminste eeuwen grenssteen geweest is en dat in feite nog steeds is.

Hoe zit dat? In 1824 is het Rabous van Blaricum naar Laren gegaan. Rabous is tegenwoordig een lommerrijke laan met fijne villa’s, behoorde toen tot de uiterste, schrale engen van Blaricum. In beschrijving bijna de heide, slechts de vermelding van een bijenschans aan de Boissevainweg, tegenwoordig niet meer als een vergraven gat, herinnert aan enig verbouw van boekweit zomers.

Waarom? De Gooise buurschappen hadden enige gemeenschappelijk verworven gronden. Belangrijkst was misschien wel de Maatlanden in het uiterste noordoosten van de streek. In twee grote slagen was hier verloren land op de zee teruggewonnen, de Bijvank. Omdat alle Gooise dorpen en Naarden samen dit aanvatten, had ieder bij de verdeling ervan zijn deel gekregen. Een ander fenomeen waren de Bouwvenen bij Blaricum, een stukje Oost-Holland, later Eemnes geheten, die aan de Hollandse zijde van de grens was komen te liggen nadat bisschop Jan van Arkel in de viertiende eeuw de grens vanaf de Leeuwenpaal op zijn domtoren raaide. Was zonder veel bemoeienis van buiten weer onderling opgelost. Maar met invoering van een nieuw gemeente wet was het voor de landelijk overheid wel gedaan met dit soort buurschappelijke exclaves. De maatlanden werden tussen Huizen en Blaricum verdeeld en de Bouwvenen vervielen in hun geheel aan Blaricum. Hiervoor werd Laren met het Rabous gecompenseerd. En de steen die eerst aan de Tafelbergweg de plaats aangaf, waarop je van Laren in (een stukje) Blaricum kwam, gaf nu precies de plaats aan vanaf waar, de overkant van de straat Blaricum heette, zoals een gemeentebord aan die overkant tegenwoordig (mede) aangeeft.

De grens tussen de gemeenten, die in 1817 zijn staatsrechtelijk beslag kreeg, bestond al veel langer. De dorpen maakten weliswaar deel uit van de gezamenlijke rechtsgemeenschap van Larencarspel, een eigen identiteit en autonomie bezaten beiden. En het idee dat Laren Blaricum zou besturen of onderdrukken of overheersen in huidige politieke zin, moeten wij verwerpen. Beiden hadden eigen buurmeesters, een instelling van die naam moet hier teruggaan tot voor de verpachting van ‘t Gooi aan Floris V in 1280.

Een eigen parochie werd Blaricum al 1382. Hilversum kreeg vol zelfbestuur, eigen schout en schepencollege, een eigen ban, waarvoor in 1427 en 1428 de bekende banscheiding over de hei werd opgeworpen. Ter hoogte hiervan vind je aan de weg tussen Laeren en Hilversum nog drie banstenen. Blaricum had een kleinere bevolking en bleef gerechtelijk onder Laren. Over de goede onderlinge verhoudingen blijkt in de 17de & 18de eeuw de buurmeesters van elk dorp omstebeurt halfjaarlijks beiden dorpen te vertegenwoordigen bij het hoge gezag.

Zou onze grens teruggaan naar 1382 en de steen een parochiegrens aangeven? Het laatste is ongetwijfeld waar. Hoewel dit laatste voor de priesters ongetwijfeld erg belangrijk was, was het de buren waarschijnlijk niet belangrijk genoeg om hiervoor eventueel met zware stenen te schouwen.

Op enigerlei tijd in de ontwikkeling van beide dorpen benaderden de eigen engen die van de ander. Op dat moment zullen de buurmeesters van beide dorpen tot afspraken zijn gekomen. De grens die zij trokken begon bij de inschinkeling aan de weg tussen Laren en Eemnes bij Leeuwenpaal nummer 1 (de tweede in de reeks, een verwarrende geschiedenis, de eerste het gewoon Leeuwenpaal). Waarschijnlijk zal die bespreking dus na 1350 gevoerd zijn. Deze, grotendeels nog de huidige lijn, loopt precies op onze steen aan. Of die steen hier eerst lag of dat de lijn het oudst is en de steen hier aan de weg is gelegd, beiden zijn mogelijk, het laatste lijkt iets waarschijnlijker. Over hoe die grenslijn zich westelijk vervolgde bestaat onduidelijkheid. Dus ook over hoe Blaricum aan de relatief ver gelegen Blaricummerhei kwam.

In principe tekende men in die oude tijden grote, doorgaande lijnen over het land. Behalve de eventueel noodzakelijke inschinkelingen, ging alles rechtdoor of met een grote flauwe bocht. Alle zaagtandjes, prigeltjes en inhammetjes zijn latere geschiedenis. Achter ieder een verhaal, echter zelden overgeleverd.

Banstenen

Er bestaat een verslag uit 1732 van een schouwing van de banscheiding tussen Laren en Hilversum. Ze komen onderling, met goedkeuring van de balluw van Gooiland maar op eigen initiatief in alle vriendschappelijkheid overéén de banscheiding opnieuw zichtbaar te maken met bomen en anderszins. Hoewel men pretendeert alleen de oude scheiding zichtbaar te maken, wijkt men doelbewust af van het verloop van 1428. Het lijkt er niet op, dat men dit maal de lijn aanpast. Men had deze ooit reeds verschoven, ten voordele van Hilversum. Ook nu blijken er stenen aan de grote weg te liggen, anderen. Maar uit niets blijkt dat, als ze hadden gewild, een ander lijn hadden kunnen trekken.

Op de Kaart van ‘t Gooi van de broers Otten van 1740 zijn de engen inmiddels totaal aan elkaar vergroeid geraakt. Dus ruim voor die tijd moeten de buurschappen iets hebben uitgewerkt met elkaar. En wellicht was dit in goed onderling overleg weer ooit aangepast. Saillant van die kaart van Otten is de grens van de engen van Blaricum en Laren, die met een rood streepje wordt aangegeven. Wat blijkt? Deze loopt over de lengte van de Tafelbergweg, van vlak buiten het dorp tot aan de heide. Kan haast niet waar zijn. Bij gebrek aan betere bronnen blijft het speculeren. Maakt voor onze steen niet zoveel uit, hij legt daar nog steeds op de grens maar net weer even anders.

Kaart van Otten 1740

Juli 2019

Aantekening uit het archief Albertus Perk betreffend de galg van Hilversum begin 15de eeuw (archief stuk)

Aantekening uit het archief Albertus Perk betreffend de galg van Hilversum begin 15de eeuw

Het gaat om wat links is bijgeschreven.

Boven staat:

Nog schrijft omtrent het jaar 1600 iemand met zekere zelfvoldoening kunnen de Hilv. u de plaats toonen waar eens hun galg en waarom

Er staat doorgestreept:

Wij betreuren het niet dat zelfs de gedachte aan deze plaats verloren is gegaan

Hieronder echter:

De bedoelde plaats is waarschijnlijk op een der zogenaamde Mei brinken aan de Oostzijde van de Groest gelegen waar ook eerst zullen gehouden zijn die Zamenkomsten of buurspraken, die later en nog tot in de eerste helft der 18de eeuw op de kerkbrink plaats hadden

Albertus Perk (Hilversum, 15 april 1795 – Hilversum, 7 december 1880) was notaris, gemeente secretaris en vervolgens wethouder van Hilversum, lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en secretaris van Stad en Lande van Gooiland, houder van de Gooise Koptienden sinds 1852 (hoewel betaling hiervan in 1848 was afgeschaft) maar boven alles historicus van zijn streek en dorp.

Hij was als erfgooier geïnteresseerd in alles wat de Gooise geschiedenis betrof. Voor wat Hilversum betreft was hij niet alleen als gemeente secretaris op zijn plaats, zijn familie kon bogen op honderden jaren betrekking bij het Hilversums bestuur. Onderweg maakte hij in omliggende plaatsen en grote steden aantekeningen en onderhield uitgebreide correspondenties deze en gene.

Ook gaf hij lezingen van zijn bevindingen. Zijn uitgebreide persoonlijk archief is, gelukkig voor ons voor een groot deel bij het streekarchief in Hilversum terechtgekomen. Uit een map van die historische lezingen is onze aantekening naar voren gekomen. Voor alle burgers is deze in te zien onder nummer SAGV004 95.

Hij neemt ons mee in deze lezing door de geschiedenis van Hilversum vanaf het ontstaan van het dorp in een grijs verleden aan de Zandbergen, het Naardens eind, zo rond de Bussummer straat en Schoolstraat tussen het Noordse Bosje en Doelen. Hierna dijde het dorp uit met tentakels naar het Loosdrechts eind (met kapel op de Brink aldaar), het Neu Kwartier (dat hij leest als het nieuwe kwatier), later bebouwing van de Groest. Deze was een groeze, een drassige groen weide, in de tijd waar we het over gaan hebben een moerasachtige vlakte na regenval, later voorzien van een grup, een greppel om water helpen voeren, onder andere richting Spuisteeg richting. Zo hielp de Zeedijk water gereguleerd omleiden om de boerderijen aan de westzijde van dezelfde Groest te ontzien. Dit geeft enig inzicht in de oude infrastructuur van het dorp.

Perk had over meer bronnen kunnen beschikken als bij de grote brand van 1766 niet zoveel van het oude dorpsarchief verloren was gegaan. Maar aangevuld met overleveringen uit de volksmond weet hij een levendig beeld te schilderen van de historie.

De bladen van de lezing zijn doorspekt met doorhalingen, verbeteringen en aanvullingen. Het was work in progress. Vaak gaat het om een bepaalde toon in het verhaal te vinden, duiding of verhaalopbouw. Vaak echter bevatten deze annotaties informatie die hij wel of niet uiteindelijk in zijn lezing heeft gebruikt maar voor de moderne onderzoeker onverwachte kennis geeft.

Een galg spreekt tot de verbeelding, zeker als die daadwerkelijk gebruikt is. En de Hilversumse galg is daadwerkelijk gebruikt om en nabij het begin van de 15de eeuw. Of iets later. Hij wist het in elk geval mede door een handgeschreven boekje van Lambert Rijckxz Lustigh, historicus uit Huizen rond 1700 van wiens achterkleinzoon het het had gekocht. Het boekje bevindt zich nu op het archief in Haarlem. Er bestaan wel meerdere versie van zijn kroniek.

Lustigh meldt de gehangenen in Hilversum

Lustigh schrijft:

infformatie gedaan den 6 novembri 1502 bij den rent mr/ generaal van kennemerlant en goijlant Jacob Jacobz …

…die selve personen als boeven seggen noch ende tuijgen uijt eenen monde dat sij haar ouders

hadden hooren seggen hoe die van die paarden gestoelen hadden gevangen sijn geweest op warners Hoffstede dat die utterste pale was en daar off de twee tot Hilversum gehangen worden ende die derde verdronck hem selven in de graft daar sij hem meende te vangen, ende gehangen bij de anderen, sonder wederseggen van de stigtse of imant anders

Dezelfde mensen die getuigen uit een mond, maakten deel uit van een turbe, een onderzoek naar de waarheid waarin de ouden uit verschillende dorpen verklaren hoe het vroeger zat. De kwestie betrof of de Vuursche nu bij het Gooi of bij Utrecht hoorde. Als boeven van de Vuursche vanouds in Holland berecht werden, bewees dit dat zij bij het Gooiland en dus Holland hoorde.

Over de zaak zelf valt in een bredere context het één en ander over uit te wijden, hetgeen hier niet de plaats voor is. Het valt in een tijd van administratieve veranderingen voor het dorp en het Gooi. Er was ook inmiddels een flinke traditie aan gewapende conflicten met het Sticht. Sommigen zien in deze bewijs voor een lynch mob. Men houde echter rekening dat men hier niet over alle informatie beschikt. Het begin, daad en gevangenneming & het eind, ophanging, wordt meegedeeld. Dat daar tussen een juridisch procedure zou zitten, was voor het feit dat de Vuursche viel onder het Gooiland, niet van belang. Zoiets als “Weet je nog dat die paardendieven in Hilversum zijn gehangen? Die waren óók op de Vuursche aangehouden.”

Lustigh meldt een doodslag op de Vuursche

Over nog een dergelijk geval schrijft Lustigh verderop dat over langer dan 40 jaren geleden een dootslagh geschiede op te vuerse aen eenen persoon van dirck smith die dootgeslagen was bij eenen genoemt Heijnrick Sijmonz welck dootslager op dien tijt be den bailliu van goijlant beregt worde

In Perks eerste annotatie bij de galg schrijft hij Nog schrijft omtrent het jaar 1600 iemand met zekere zelfvoldoening kunnen de Hilv. u de plaats toonen waar eens hun galg en waaromDaar hij met zijn liberale hart het nogal onkies vindt voegt hij onder toeWij betreuren het niet dat zelfs de gedachte aan deze plaats verloren is gegaan

Maar ja, heeft die brief, geschreven rond 1600, hem op het spoor gebracht? Of is na afloop van een lezing iemand op hem afgestapt? Heeft hij zelf nog navraag gedaan? In elk geval streept hij dit laatste door en doet ons de mededeling:

De bedoelde plaats is waarschijnlijk op een der zogenaamde Mei brinken aan de Oostzijde van de Groest gelegen waar ook eerst zullen gehouden zijn die Zamenkomsten of buurspraken, die later en nog tot in de eerste helft der 18de eeuw op de kerkbrink plaats hadden

Soms kun je met een vraag zitten. Het is niet altijd mogelijk een bevredigend antwoord te krijgen. In wetenschap, zoals archeologie is, is dat heel gewoon. Soms krijg je pas na jaren onderzoek je antwoord. En af en toe blijkt die later als nog niet bevredigend. Maar het zijn de pareltjes voor de onderzoeker, die zeldzame gevallen wanneer je een duidelijk antwoord krijgt en tevens een handje vol vragen mee terugkrijgt. De ironie is dat ieder goed antwoord aanleiding geeft tot veel meer vragen. Je moet blij zijn dat waar je eerst nog niets van wist, je nu nieuwe vragen kunt stellen. En bovenstaande mededeling geeft aanleiding tot een paar mooie.

Het blijft een merkwaardig gegeven. Je krijgt er geen vinger op. Paardendieven door Gooilanders opgepakt op Werners Hofstee op de Vuursche. Waren ze op heterdaad betrapt? Paardendiefstal onderscheidt zich in zoverre dat het criminele object tevens vluchtmiddel is. Een achtervolging? Misschien dat ze hier woonden of werkten. Het lijkt vreemd hier op de bonnefooi naartoe te vluchten. En er bestond niet zoiets als een geregelde politie. Raakten zij hier ingesloten? Verwachten zij te kunnen schuilen op het versterkte huis? Kwamen zij onverwachts voor een dichte deur? Of heeft de kastelein ze uitgeleverd.

We kunnen het nooit precies weten. Maar het zou niet onlogisch zijn te vermoeden dat ze zijn herkend als Vuurscher lieden. Na kalm overleg zouden ze met een geregeld militie, een dorps- of kerspel schutterij kunnen zijn afgehaald, waarbij eentje nog probeerde zich te verstoppen in de slotgracht. Niets concreets van overgeleverd. Of ze als rebellerende Gooilanders of criminele buitenlanders beschouwd werden?

Dan speelt dat volgens een turbe rond 1472 de Gooilanders wisten tot waar ‘t Gooi liep, een lijn dwars over de Vuursche. En Wernaars Hofstee, op de plaats waar later het huidige kasteel Drakenstein staat, lag nog eens precies buiten de heerlijkheid, op het land van Vrouwenklooster, een benedictinessenklooster in De Bilt. Maar bij zo’n flagrante misdrijf zal men niet al te precair zijn opgetreden. En het werd dus waarschijnlijk nog zwaarder gestraft dan die doodslag.

Maar nu we weten waar ze waarschijnlijk gehangen zijn, zijn er enkele observaties te maken. Haast zeker zullen de paarden in Hilversum gestolen zijn. Je kunt er niet uit afleiden dat Hilversum een voorname recht of positie had. Een galg mocht staan waar de rechthebbende dat verkoos. De baljuw van Gooiland zal hierin hebben toegestemd. Het was een niet al te subtiele symbolische boodschap. En wat de “nationaliteit” mocht wezen, het was een boodschap aan Stichtsen. Twee routes vanuit het Utrechtse kwamen uit op het Veeneind van de Groeze. Voor ieder die van deze kant naar Hilversum kwam was het duidelijk. Wie hier onze paarden probeert te stelen, eindigt zo. Sonder wederseggen van de stigtse of imant anders!

Hilversum in 1740 (Noorden is Links)

Waar precies zou deze Meibrink aan de oostzijde van de Groest gestaan hebben? We kunnen het niet met zekerheid weten maar we kunnen het wel vermoeden. Want in elk geval kunnen we er vanuit gaan dat deze toentertijd aan de rand van het dorp zich bevond. Want het is niet denkbaar dat de Hilversummers ergens tussen de boerderijen ontbindende lijken zouden laten hangen. Het de symboolfunctie sloot dit uit. Want hoewel de lieden overal mochten hangen, waren er duidelijk regels waar men gewoon was dit te doen. Soms richtte men een galg op alleen om te laten zien dat men het halsrecht bezat. Als waarschuwing. Vandaar altijd langs een doorgaande weg zodat mensen van buiten het konden zien. Voor Baarn en de Vuursche hield dit een plaats aan de rand van hun rechtsgebied. Dat is hier niet het geval. Om ze op de rand van de Vuursche of, als Vuursche toch Goois was, op de Vuursche, zou een risico inhouden dat de lijken al snel zouden verdwijnen. Aan de rand van het dorp zou in dit geval daarom het beste zijn. En dan dus de Vuursche zijde van het dorp.

We weten dus dat waar we de Meibrink ergens aan de oostzijde van de Groest willen plaatsen, dat de bebouwing rond 1400 daar zo’n beetje ophield. Komen we ooit achter de ene, weten we tevens de andere. Als vergaderplaats ligt het dan ook op een acceptabele plaats, niet al te ver uit de buurt voor allen.

Dus waar hield de bebouwing toen op? We moeten rekening houden dat de brede groeze welliswaar met een knik doorliep op de huidige Emmastraat, toen aangeduid als Veen Eind, waar de (Oude) Amerfoortse Weg begon en zelf overging op de Veen Drift. En we kunnen verwachten dat een drift begint in de buurt van een brink, vanwege de schapen. Op de afbeelding van Hilversum op de kaart van Otten rond 1740 en op de eerste kadastraal betrouwbare kaart van 1824 is dit goed te zien.

Hilversum in 1824 (Noorden is Boven)

Nu weten we dat in 1783 de katholieken van hilversum toestemming kregen een kerk te bouwen “op een bekwaame dog afgelegen plaats.. op het eind van de Groet met ten Zuiden boer C.W. Brouwer en ten Noorden boer P. de Jong.” Later is hier de huidige Vitus kerk gebouwd en deze bevindt zich op de Emmastraat. Op de kaart van 1824 is deze in paars in plaats van rood aangegeven.

De Mei Brink moet dus gestaan hebben aan de Oostzijde van de Groest\Emmastraat, zuidwaarts, even voorbij waar de bewoning ophield.

Een oude ansicht laat twee inmiddels verdwenen keien zien, die het begin van de (Oude) Amersfoorts Weg aangeeft. Het vormt een verbinding tussen het huidige Hilversum en de middeleeuwen, toen die daar deze functie gehad moet hebben. Even verderop beginnen de Koningsstraat en het Achterom, die samen het eind aangaven van het pre-industriële dorp. 500 jaar geleden waren die paardendieven vanaf hier zichtbaar.

Een vraag dat zich voordoet, is uiteraard, wat zijn die zogenoemde meibrinken. Van het brink gedeelte zullen velen een aardig idee hebben. Op de brinken werden vroeger de schapen verzameld, wanneer ze ‘s ochtends het land werden opgedreven en wanneer ze ‘s avonds terug kwamen. Het is waar dat alhier de oude brinken lijken aan te sluiten op brede wegen, driften genoemd, alles onderdeel van de oude infrastructuur van het dorp waarvoor de inwoners vrijwel geheel alleen gezamenlijk verantwoordelijk waren. Het was zogezegd gemeen land.

Het zijn woorden behorend bij een middeleeuwse gemeenschap. Brink, drift, groeze, dijk, meent, eng, hart, harde. kamp. Stuk voor stuk woorden die voor de middeleeuwer een duidelijk betekenis hadden. Ook een mening en omdat het hier om begrippen met een gemeenschapsbetekenis konden ze op een buurspraak besproken worden. Zo kon een gemeenschap ertoe komen om de vaak begrasde pleinen aan de rand van het dorp, vaak omzoomd met geboomte, aan te wijzen als plaatsen waar men schapen zou verzamelen. Feitelijk zijn er aanwijzingen dat brinken niet alleen voor die schapen bestonden. Hier hebben wij een voorbeeld, ze konden ook vergaderpleinen zijn. Van andere brinken in ook andere plaatsen bestaan er zeldzame, oude berichten die hieraan herinneren.

Wat het verschil tussen een tussen een kamp en een brink was, is ook moeilijk voor ons aan te geven. We hebben een beeld dat kampjes meer omsloten zijn en brinkjes meer open, wallen tegenover een bomenrij. Maar dat is slechts een gissing achteraf. Wat de kwaliteit was wat die twee onderscheidde, zelfs of die er was, was hen duidelijk maar ons niet meer. In later tijden zijn er aan de westzijde van de Groest maar nier hieraan tenminste twee kampen, de Nieuwe later Schapenkamp en een Oude Kamp, waarschijnlijk ook de Ronde Kamp, nabij het tegenwoordige treinstation.

Maar wat was dan een Meibrink? Er bestaan inderdaad meerdere Meibrinken in Nederland. Mogelijk was dit gewoon de maand wanneer na de drassige wintermaanden deze brink weer voor die schaapjes in gebruik werd genomen. Maar deze maandsvernoeming is wel voorbehouden aan Mei. Van de seizoenen bestaat de Winterbrink, in elk geval nog als familienaam.

Meibrink-in-de-Heurne-Aaltena

Werd wellicht op dit plein ooit een rondje om de Meiboom gedanst? Het is heel goed mogelijk. Vroeger moet dit een vrij algemeen volksfeest geweest zijn. In Soest, waar de schutterij tot gilde werd, werd dit nog in historische tijden gedaan. Er was een versje dat men erbij zong overgeleverd.

We weten immers dat het een plein betrof waar de buren van het dorp samenkwamen.

Het tevens mogelijk dat in zo’n Meiboom of een andere op het plein, wellicht een Linde gebruikt is als galg. Als deze enig omvang had, met dikke horizontale takken, was die hier prima geschikt voor en er zijn voorbeelden bekend dat lieden aan zo’n boom gehangen zijn.

Ook is het mogelijk dat de Meibrink indirect naar die buurspraak is vernoemd. En dan moet de jaarvergadering van het dorp in mei hebben plaatsgevonden. Het is bijvoorbeeld van Bussum in 1514 bekend dat hoewel dit dorp gerechtelijk onder Naarden viel, de buurmeesters van Bussum als zelfstandige bestuurderen de openbare dorpsgelden bleven beheren en daarvan jaarlijks in de maand Mei aan de buren verantwoording deden.

Hopelijk duikt ergens anders een aantekening op die, al is het geen zekerheid, enig houvast in deze vermag te geven.

Ten slotte rijst de vraag tot wanneer de buurspraken op de Meibrink gehouden zijn. Werden deze er nog ten tijde van de terechtstelling, begin 15de eeuw hier gehouden. Gezien we alleen deze vermelding hebben kunnen we alleen een gissing doen. De buurspraken op de Kerkbrink waren wel bekend maar zelfs van deze weten we niet veel.

Hier moet reeds, afgaande op hergebruikte kloostermoppen aan getroffen na de brand in de grote kerk in 1971, rond 1250 een versterkt huis hebben bestaan. In 1305 blijkt de schout het het rechtsdistrict Larencarspel in Hilversum te wonen, waarschijnlijk dus hier aan de Kerkbrink. Een echt kasteel heer zou wellicht afdwingen dat de buren zijn kant op zouden komen maar dat hoeft niet het geval te zijn. Een waarschijnlijker moment lijkt wanneer de kapel hier tot parochiekerk werd en iets later het dorp zijn rechtelijke onafhankelijk kreeg. Voor Hilversum, dat in 1416 als parochie van Laren werd afgescheiden, werd op 4 Maart 1424 een eigen, van Laren afgezonderd schepencollege ingesteld. Op het moment dat men niet meer in Laren kerkte, zag men elkaar toch iedere week of zo aan de Kerkbrink. Inderdaad net de periode waarin op de oude vergaderplaats de paardendieven gehangen werden. Overigens moesten de Hilversummers noch wel voor het hooggerecht, halsmisdrijven en dergelijke, naar de stadsschepenen van Naarden toe.

Juni 2019

Karrensporenbundelcomplex Hoorneboegse Heide (relict)

Karrensporen vormen een beetje onderbelicht onderdeel van de archeologie. Toch zit in deze opgesloten informatie van een bepaald gebruik in een bepaalde tijd in het gebied waar die voorkomt. Velen lopen vergeten door tuin park, of wat er nog van over is. Hier op de Hoorneboegse Heide ten zuiden van Hilversum vormen deze een imposant complex. Deze heide heeft een schat aan archeologische overblijfselen en vondsten. In het oosten vormt een flinke groep grafheuvels een opvallend landschapselement. Er zijn de vrij recent in beeld gekomen raatakkers, oude bijenschansen en de afgeplatte bovenzijden van de bergen. Je kunt tijdens een gewone wandeling op je pad bewerkt steen vinden en er is zelfs fragment van een Saksische zwaard op het terrein van de conferentieoord gevonden. En hopelijk zal er veel meer volgen. Een hierbij ligt een monumentale complex aan karrensporen tussendoor.

Oostelijke Gedeelte Sporenbundelcomplex Hoorneboegse Heide

Extra leuk is dat we van deze bundels hun historische namen nog hebben overgeleverd gekregen. Op de afbeeldingen van de actueel hoogtekaart onderscheiden we van oost naar west (afb, 2) De Holle weg (waarover zo meer), De Eikbosserweg, Hilvertsweg (vernoemd naar de verbeelde stichter van het dorp), allen geerend op de op de kaart van Perk vermelde van ouds genoemd ‘t gat in den bosch tussen de Hoorneboegse berg en de Zwarte berg waar vlakbij de beroemde bronzen randbijl van Hilversum is gevonden en de historisch bekende Hoorneboegsche wegje (evident) en iets verderop (afb. 3) de Bosdrift, die dus ooit veel breder is geweest, al deze min of meer hun oorsprong vindend aan de zuidrand van het oude dorp, overeenkomend met de huidige Koningsstraat (historisch het Krakebeens wegje) , ongeveer 2 km noordelijk hiervandaan. Dit is best bijzonder. Op de Bosdrift voegt zich nog bij de zogenoemde Weg van ‘s Graveland op Utrecht. Deze voegt zich nog bij meerdere sporen uit het Loosdrechtse. Deze leiden een route achter de bergen langs en volgen min of meer de Noodweg. Verder lopen er nog tal van sporen hier en daar en tussendoor.

Westelijke Gedeelte Sporenbundelcomplex Hoorneboegse Heide

Het archeologische bewijs voor vervoerswielen gaat zo’n 4000 jaar terug. In Drente zijn wielen uit één stuk teruggevonden in het moeras, waarschijnlijk als votiefoffer achtergelaten. Dat er hiaten in de tijdslijn van teruggevonden wielen zijn, wil natuurlijk niet zeggen dat niet in gebruik bleven. We gaan er echter op logische wijze ervan uit dat oorspronkelijk ze voor lokaal of hoogstens interregionaal gebruik waren. We noemen een ding met twee wielen (of drie) een kar, met vier (of meer) wielen een wagen. Tegen de Romeinse tijd moeten er talloze in gebruik zijn geweest. Niet alleen op de beroemde, verharde Romeinse weg. Het overgrote deel ging over de kale grond.

In het aller begin is het nog even manoeuvreren maar de wiel laat op een éénmaal gekozen route zijn spoor achter. Eerst zal deze en de vele volgende keren de oorspronkelijke begroeiing onderdrukken. Er worden twee strepen door het landschap getrokken, het begin van een weg. Tussen deze twee lijnen blijft er wel begroeiing, grassen of andere planten (er wordt hier bemest!) maar al te ambitieuze plantleven wordt vertapt en onderdrukt, het plattelands weggetje.

Twee Fases in de Vorming van een Karrenspoor

Wat dan gebeurd is een kwestie van omstandigheden. In rul zand kan er door uitspoeling een holle weg ontstaan, welk proces naam heeft gegeven aan één van de wegen naar de Hoorneboegse hei toe. Als de omstandigheden gunstig zijn, snijden de wielen beetje bij beetje twee sporen in het veld, gescheiden door een ruggetje, tezamen karrenspoor genoemd. Door gebruik wordt deze steeds beter in gebruik, totdat het ruggetje tegen de onderkant van de kar of wagen komt. Dan begint men parallel met een nieuwe karrenspoor. Uitdrukkingen als “het goede spoor vinden”en “het juiste spoor houden” zijn hieruit afkomstig en hebben weinig met de trein of padvinderij van doen.

De aldus ontstane verzameling van sporen worden bundels genoemd. Deze hebben kruispunten waar vaak drie of meer bij elkaar komen. Een tot deze bundels moet ook gerekend worden bepaalde stroken gelegen langs deze bundels, waar nog na honderden jaren een afwijkende, kale of vergraste begroeiing heerst. Hun functie is niet vastgesteld maar we kunnen vermoeden dat wagens elkaar hier konden passeren of even stilhouden. Naast het aantekenen van zulke plaatsen zijn er verschillende dingen die je aan een karrenspoor kunt meten, met name hun breedte en eventuele (maximale) hoogte. De breedte tussen de twee sporen geeft een afstand voor de gebruikte asbreedte van het voertuig. De maximale hoogte zou iets kunnen zeggen over de hoogte van de bodem van het voertuig. Maar specifieke omstandigheden zoals uitspoeling of secundair gebruik kunnen kunnen sporen uitdiepen. Anderzijds zal over het algemeen de tijd de ruggen doen afnemen. Weer en wind, ander landgebruik of modern natuurbeheer door afplagging doen deze bundels slijten. Er zijn waarschijnlijk nog enkele zaken die een bundel kunnen typeren. Het opbouw van verschillende breedtes binnen een bundel is wellicht nog te berekenen. Dan is er ogenschijnlijk nog een mate van parallelliteit en het kronkelen van de bundel, die opmerkenswaardig zijn doch moeilijk kwantificeerbaar.

Pas laat in historische tijden komen we harde gegevens tegen die ons verder helpen. Er zijn dan inmiddels grote regionale verschillen in gevoerde spoorbreedtes. In de late middeleeuwen en vroeg moderne tijd is er met de behoefte aan bouwland een neiging tot steeds smallere wegen en hiermee wagens met smallere spoor. Hoe smaller, hoe instabieler. De Staten van Holland vaardigen een plakaat uit op 15 september 1588 voor begin van gelijkmaking van de steeds smaller wordende spoorbreedte. Het Hollandse spoor gesteld op 4 voet, één duim Rijnlands, ongeveer 129,85cm, gemeten tussen de wielvelgen. Dit is snel door Utrecht overgenomen.

Op 15 april 1598 is dit door de Gelderse landdag te Nijmegen overgenomen, waarbij vervaardiging afwijkende kar- of wagenassen met 25 goudguldens worden beboet. Volgend eeuw veel last gemeld van schade door Hessenwagen en wagens met het Brabantse (ook Duitse of Europese) spoor. Dan werd de smalle spoor stuk gereden, tot groot overlast van de lokale gebruikers van die wegen.

Lokale overheden nemen maatregelen hiertegen. De graafschap Zutphen in 1727 en Arnhem in 1783 verplichten Hessenwagenverkeer speciale routes te rijden. Naar verluid bedroeg hun spoorbreedte in 1765 ongeveer 174,5 cm.

Deze waren de grote vervoerders over land van Europa sinds de late middeleeuwen opgekomen en voor het overgrote deel uit Frammersbach en omgeving, een oud stadje aan van rond de 4500 zielen aan de rand van Hessen in noordwest Beieren, alwaar er een Hessenwagenvervoermuseum is. De komst van de trein, met eigen spoor luidde een definitief einde in. Vandaag stopt er ook geen trein. De Frammersbacher moet hiervoor naar Partenstein 5km verderop. Goederenvervoer over spoor behoeft zelfs een tocht naar Lohr am Main op 13 km.

Het veel gebruikte Brabantse of Duitse spoor bedroeg 5 Rijnlandse voet oftewel ongeveer 159 cm. Regionale afwijkingen kwamen in Duitsland echter voor tot wel 10 Rijnlandse duimen oftewel 26,5 cm. Op 14 augustus 1745 verordineerde de koning van Pruissen voor zijn land confirmatie aan de 5 Rijnlandse voet en liet alle plaatselijke verantwoordelijken voorzien van een maatstaf ter controle hiervan.

Met deze gegevens in ons achterhoofd een steekproef genomen op de Hoorneboegse heide, gemeten op het midden van de spoor. Aldus zal de meting een paar cm groter uitvallen vanwege de breedte van de wielen. Wat blijkt?

Slechts een enkel maal kom je een afmeting van 1,9m tegen. Dit zal een spoor zijn geschikt voor de Hessenwagen. Alle anderen blijken echter een stuk groter, veel groter. Verschillende malen 2,4m, 2,7m, 3,0m, 3,3m, 3,8m en één enkel maal zelfs 4,2m. Deze laatste was de grootste, op de Utrechtse weg vanuit ‘s Graveland! Ook hebben zowel alle bundels sporen van verschillende breedte en lijken verschillende breedtes voor in verschillende bundels.

.

.

Conclusies:

  1. Vrijwel alle karrensporen zijn in aanleg waarschijnlijk ouder dan de plakaat van 1588.

Hoeveel ouder? Veel ouder? Het is mogelijk. Met de huidige stand van onderzoek valt er nog weinig concreets over te zeggen. Technisch gezien tussen 500 en 4000 jaar oud. Totdat we een beter onderzoekmethode hebben, is het antwoord een afgeleide van de geschiedenis van Hilversum en de veronderstelde functie van die wegen.

  1. In de middeleeuwen liepen vanuit het dorp Hilversum diverse wegen met sporenbundels waarin verschillende maten zuidwaarts over de englanden neer dit gebied.

Op het eerste gezicht een vrij algemeen conclusie maar dit gaat voorbij aan het feit dat er dus óók hieraan een systematiek aan ten grondslag moet liggen. De loop van wegen over potentieel productief bouwland, is niet vanzelfsprekend. Twee gemeenschappelijke belangen moeten in goed overleg tegenover elkaar worden afgewogen. Eén enkel spoorbundel zou ook kunnen voldoen. Dat er zoveel, van oost naar west vanuit een relatief klein dorp lopen, geeft aan dat deze van belang waren.

Het valt niet uit te sluiten en is zelfs waarschijnlijk dat de oudste der karrensporen nog ouder zijn. Maar de moderne straten van die namen, gaan terug op die sporenbundels en zijn middeleeuws. De twee bosnamen gaan terug op het oude eikenbos waar zij naartoe liepen en dat ooit deel uitmaakte van het Gooiersbos.

  1. Er blijkt wel sprake te zijn van specifieke maten, die terugkomen in verschillende bundels.

De maten 2,4m, 2,7m, 3,0m, 3,3m, en 3,8m komen herhaaldelijk voor. Dus het was inderdaad een kwestie van het goede spoor vinden en het juiste spoor houden. In hoeverre de verschillende spoorbreedtes contemporain gebruikt werden, is onduidelijk. De spoorbreedtes en de wagens die er gebruik van maakten kunnen echter waarschijnlijk nog lang in gebruik zijn gebleven nadat de nieuwe spoorbreedte in 1588 werd ingevoerd. Als die voor eigen en lokaal gebruik waren, dan laat men zo’n systeem, opgebouwd over zoveel tijd met zoveel moeite niet zomaar ten niet gaan. Pas als de gebruiksbehoeften veranderen zal men het oude systeem loslaten.

  1. De Utrechtse weg vanuit ‘s Graveland is dus ouder het dorp zelve.

‘s Graveland is gesticht rond 1630
Het is dus wellicht eigenlijk de Kortenhoefse of Ankeveense Utrechtse weg. Een Utrechtse weg zou naar Utrecht moeten leiden en omdat deze zo genoemd wordt in de 18de eeuw, zal in elk geval een gedeelte van het verkeer hierover vanuit ‘s Graveland, over de Tolakkersteeg naar die stad hebben gereden. Over de middeleeuwen kunnen we op het moment weinig met zekerheid zeggen. Over de tijden nadat ‘s Graveland gesticht werd, is dat anders Deze zullen de legale smallere Hollandse spoor of eventueel Duitse spoor hebben gevoerd, tenzij hier een uitzondering gold, die ons zicht ontgaat.

Karrenspoor de Oude Crailose Weg Westerheide

 

Het opmeten van karrensporen geen sinecure

Het opmeten van een spoorbreedte is trouwens geen sinecure. Ter illustratie een karrenspoor van de Oude Crailose Weg te Hilversum, een beetje in het verlengde van het fietspad aan de Erfgooierstraat ter hoogte van de de Kupstraat.

De rechte weg leidde noordwaarts vanuit het dorp over de Aardjesberg tot Crailo en heeft op de hei naar de Aardjesberg grotendeels zijn bundelstructuur bewaard.

Het eerste stuk (voor wie er bekend is: tussen fietspad en het bankje) lijkt een bijzonder groot breedte te voeren van ongeveer 4,60 meter.

Nu komen breedtes boven 4 meter voor, zoals bij De Utrechtse weg vanuit ‘s Graveland. Is er geen einde aan hoe groot een karrenspoor kan zijn? Waren onze voorouders reuzen? Wanneer gaat een karrenspoor in een wal over?

Maar let op. Het vervolg van de bundel de berg op lijkt in oorsprong te zijn gevormd door twee flinke bundels van 2,8 meter, met een onduidelijk karrenspoor er doorheen. Later is hier een looppad ontstaan die tezamen met enig uitspoeling de huidige bundel vormt.

Dat er ooit een 4,6 meter brede karrenspoor liep, valt niet uit te sluiten. Maar waarschijnlijker vinden we hier oude 2,8 meter karrenspoor terug waar later een moderne (Hessen)karrenspoor van zo’n 1,8 meter tegenaan is ontstaan. Nog later zijn de twee buitenste van de drie sporen verder uitgesleten, mogelijk door gebruik als voetpad

.

De Oude Crailose Weg op de Actueel Hoogte Kaart

.

.

Mei 2019

Bijenschansrelict aan de Nieuwlandseweg te Hilversum

Kerkebijenschans Nieuwlandseweg (Relict)

Soms kan men de meest interessante ontdekkingen doen op weinig belovende plaatsen. Zo bevindt zich in een verloren hoek van de Hoorneboegsche Heide, nabij de Kolhornseweg ter hoogte van de Admiraal de Ruyterlaan (ongeveer tegenover Kolhornseweg 102) de resten van een oude bijenschans.

Relict van het oude Landschap

Dit brengt ons terug naar een tijd toen hier een wijds landschap was, waar zomers de welriekende boekweit rijpte. De stille gezoem van de hardwerkende bijtje slechts af en toe onderbroken door karren die hun sporen groefden in de Utrechtseweg vanuit ‘s Gravenland die vlak hierachter liep.

Ze zijn redelijk schaars geworden in ‘t Gooi. Opgeslokt door nieuwe tijden, verweerd en vergeten. Enkelen de dans ontsprongen, toevallig. De imkerij in het Gooi was ten nauwste verbonden met de boekweit teelt.

Als in de loop van het voorjaar de heide in bloei komt heeft de bij het druk. Vanouds zal menig ondernemende Gooier hiervan hebben willen profiteren door rond of na St. Jan en de langste dag van het jaar, als de bloei zijn hoogtepunt is, een volk en korf te slachten voor het hemelse zoet en allerhandigste was. We hebben er echter nauwelijks gegevens over.

Een gemeenschappelijk belang wordt de bijenteelt met de komst van de boekweitteelt. Vanaf het einde van de 14de eeuw doet de boekweitteelt in Nederland zijn intrede. Deze teelt heeft via Azië en de zijderoute Europa bereikt. Vooral op schrale zandgronden geeft het een goede opbrengst en groeit prima op de hier aanwezige schapenmest. De boekweit werd zo belangrijk dat het een plek heeft verworven op het wapen van Hilversum en Bussum.

Nog 1843 werden in Het Gooi nog vierentachtig actieve bijenschansen geteld. Aan het begin van de 20ste eeuw verdwijnt met de commerciële boekwietteelt ook deze traditie. Op een gegeven moment waren er nog slechts drie schansen bekend. Inmiddels zijn weer enkelen, of wat er nog van over zij, teruggevonden.

De Vrankrijker heeft aan de Gooise imkerij aandacht besteed in Naerdincklant: Boekweit, bijen en bijenschansen (de Vrankrijker 1947). Daarin een kaartje met de hem toen nog bekende schansen. Maar er zijn er meer geweest, zoals op de Wester- en Tafelbergheide. En van elk schans die je hier in ‘t Gooi ontdekt, weet je dat die hier bij velden met boekweit stonden.

Het Nieuwe Land

Tegenwoordig heet het pad over dit stukje hei de Zuiderheideweg. Hoewel de naam in zoverre klopt, dat de stad Hilversum hier ten noorden is, getuigd het van een armmoedig nomenclatuur daar de (Larense) Zuider Heide zich ten noorden van Hilversum bevindt.

Er bestaatond een oude naam voor de weg die hier vroeger liep en waarvan de resten nog steeds aanwezig zijn. De Nieuwlandseweg liep officieel van de einde van de Bosdrift (het vervolg over de open hei telde men nog niet mee) tot aan de Kolhornseweg maar het eigenlijke pad begon waarschijnlijk verder terug aan de rand van de heide met het oude engenland en liep door tot over het Hilversumse Zand richting ’s Gravenland. Hierachter liep de bovenvermelde Utrechtseweg vanuit ‘s Gravenland 

Het Nieuwe Land was een eng tussen Loosdrechtseweg en Bosdrift, dat op enig afstand van het oude dorp lag en pas laat in cultuur werd gebracht. 

De schans aan de Nieuwlandseweg was een zogenaamde Kerkebijenschans.

Boekweit

Boekweit (Fagopyrum esculentum) is geen graan maar een plant uit de duizendknoopfamilie (Polygonaceae). In tegenstelling tot graan heeft het geen glutten. Omdat boekweitmeel geen gluten bevat is het voor gistdeeg (bijvoorbeeld brooddeeg) alleen in combinatie met een andere glutenrijke meel- of bloemsoort te gebruiken. Boekweitmeel en boekweitgrutten bevatten evenveel eiwit (10 g per 100 g) als tarwe- en roggemeel, en meer koolhydraten. Ze bevatten minder vet, minder mineralen en minder vitamines uit de B-groep dan tarwemeel. Bijen voeden zich graag met Boekweit. De bruine aromatische boekweithoning was zeer gewild.

Boekweit was een uitkomst voor de boeren die weinig hoefden te investeren. Zij konden door boekweit te verbouwen boer zijn zonder vee of kapitaal. Er waren lucratieve jaren in de boekweitteelt, maar als er nachtvorst nog laat in het jaar voorkwam kon de hele oogst van dat jaar verloren gaan. Stond boekweit ook bekend als jammerkoren, in goede jaren was het de 100 dagenwonder.

De zaaitijd ligt tussen half mei (na de ijsheiligen) en half juni, soms zelfs nog na de langste dag. Het oogsten gebeurde ven eind augustus tot in september. De bloemen bloeien maar één dag, verschillend per plantje. Alleen in de morgen gaan ze open en direct na de middag weer dicht. De bijen bevliegen de boekweit tussen negen en twaalf uur ‘s morgens (gerekend naar de zonnewijzer). Ze halen zowel nectar als stuifmeel. Door de onregelmatige rijping kan niet gewacht worden tot alle zaden rijp zijn. Dit in tegenstelling tot echte granen, waar de korrels gelijktijdig rijp zijn. Toch hadden de wilde voorouderrassen uit het Nabije Oosten van de granen ook een verspreide rijping. Voor de plant is dit in verband met nakomelingschap veiliger. De mens heeft de granen echter beter aan zijn wensen aangepast dan boekweit. Nog later heeft het door de komst van kunstmest als commerciële gewas afgedaan.

Bijenschansen

Uit bovenstaande blijkt de noodzaak te zorgen voor een geordend en stabiele imkerij. De plaatselijke besturen zagen hierop toe. Dit maakte het tevens mogelijk zich van enige inkomsten te voorzien.

De schansen nabij het dorp waren in particulier bezit. De eigenaar mocht echter deze verhuren. Het was in elk geval van belang de schansen in maanden na midzomer met voldoende volken te bezetten. Op korven die van buiten kwamen moesten voorzien worden van een letter B en werden aangeslagen voor één stuiver ten bate van de armen.

De Niet-Gooiers kwamen met name uit het Utrechtse, waar de bongerds rond Jutfaas, IJsselstein en Woerden in het voorjaar bestuiving behoefden. Er waren ook Gooiers die daarheen in het voorjaar met hun volken togen.

De schansen verder van het dorp, in de zogenaamde bloklanden, behoorden echter sinds mensenheugenis toe aan de (inmiddels gereformeerde) kerk. Het archief te Hilversum bezit gelukkig nog enkele relevante papieren hierover uit de franse tijd. De schansen werden per stuk of paarsgewijs verhuurd voor één of meerdere jaren bij opbod en afslag. In de franse tijd blijkbaar voor 6 jaar achtereen. De huurpenningen moesten traditioneel voor 11 augustus ten huize van de president kerkmeester afgedragen worden, al blijkt uit de kanttekeningen in de stukken dat vaak dit enkele weken later gebeurde.

De huurder verplichte zich tenminste per schans 15 volken neer te zetten op straffe van dubbele huur. De huurder mocht voor eigen kosten verbeteringen aanbrengen maar mocht niets vernielen aan bijvoorbeeld de eiken hakhouten heg. We weten voor 1808, dat de ongeveer helft van de huurders van buiten kwamen.

De kerkeschans aan de Nieuwlandseweg

De schans aan de Nieuwlandseweg is zo’n inmiddels zeldzame overblijfsel van een eens zo belangrijke systeem rond de boekweitteelt. Verscholen in het enigszins golvend terrein aan de zuidrand van de eng, de wallen vormen een vierkant van 14,5m breed, dus een grondoppervlakte van ongeveer 16 vierkante roeden. De ingang bevond zich waarschijnlijk aan de noordzijde vanaf de weg links, aan die weg dus. In de schans zijn nog resten van de interne inrichting.

Of restauratie, met heg en al, gerechtvaardigd is zou ik niet weten. Het lijkt  in elk geval de moeite waard te behouden, te onderzoeken en is misschien wel een bordje waard met het verhaal. In 1808 werd het verhuurd aan Hendrick van der Kroogt uit Zegveld, tegenwoordig gemeente Woerden, tezamen met de schans aan het einde van de Bosdrift voor de duur van 6 jaar en brachten samen hiermee 81 gulden op ten bate van de kerk.

Verhuur Kerkeschansen Nieuwlandseweg en Bosdrift in 1808

De Bijenschans aan het eind van de Bosdrift wordt altijd genoemd samen genoemd met die aan de Nieuwlandseweg. Het stuk van De Vrankrijker vermeldt dat de eerste nog gedeeltelijk aanwezig zou zijn geweest tachtig jaar geleden, terwijl van die aan de Nieuwlandseweg juist niets wordt vermeld.

Een schans midden op een drift geeft aan dat zo’n weg niet al te druk moet zijn geweest. Van deze is vandaag vrijwel niets over. Het is haast alleen te duiden omdat je weet dat die hier geweest is. Voor wie hem zoeken wil, hij ziet op het wilde stuk tussen fietspad en parkeerterrein, niet al te ver achter de hek. Alleen de westzijde heeft de tand des tijds nog net doorstaan. Deze meet ongeveer zeven bij tien meter. Er ligt veel grind. Opmerkingswaardig is nog wel een 1,40m brede karrenspoor aan de noordzijde leidend naar de ingang links. Het midden terrein heeft nog enkele sporen van de vroegere inrichting, maar zoals cultuurhistorische gaan, bevindt deze zich in de meest deplorabele staat. Bijna niets van over.

Bijenschans Nieuwlandseweg op AHN