kerstmis 2025

Davin et al., 2025 (PNAS). (Foto’s L.D., Technische tekening Dasha Lokshin, Artistieke tekening Vic Oh).

vrouw & gans

Het beeldje lijkt het oudste voorbeeld te zijn van een mythologische scène in Zuidwest-Azië en een van de oudste ter wereld, maar is bijvoorbeeld jonger dan een ogenschijnlijk mythologische scène in de grottekeningen van Lascaux in Frankrijk, die dateren van ongeveer 18.000 jaar geleden, aldus de onderzoekers.

Het beeldje is gemaakt van klei die eerst gedroogd werd voordat het gebakken werd om het duurzaam te maken, en later gekleurd met een rood pigment, waarvan nog sporen zichtbaar zijn. Een vingerafdruk van de beeldhouwer is op het beeldje te zien.

onderzoek

Het object toont nieuwe artistieke innovaties voor die tijd. De beeldhouwer gebruikte licht en schaduw om een gevoel van diepte en perspectief te creëren, methoden die veel later volledig tot bloei zouden komen.

“Gezien de manier waarop het beeldje is vormgegeven, met de nadruk op het linkerprofiel, weten we dat het waarschijnlijk op een specifieke plek stond om licht op te vangen, van de zon of een open haard, op het linkerprofiel om het spel van licht en schaduw te onthullen dat de interactie tussen de gans en de vrouw tot leven brengt,” aldus Davin.

Davin, L., Munro, N. D., & Grosman, L. (2025). Een 12.000 jaar oud kleifiguurtje van een vrouw en een gans markeert symbolische vernieuwingen in Zuidwest-Azië. Proceedings of the National Academy of Sciences, 122(47), e2517509122. https://doi.org/10.1073/pnas.2517509122

Dergelijke beeldjes dienden mogelijk als ornamenten, amuletten met magische of beschermende eigenschappen, of als rekwisieten om verhalen te vertellen. Dit exemplaar maakte mogelijk deel uit van een geënsceneerde installatie die de dorpsbewoners kwamen bekijken, aldus Davin.

Op een gegeven moment werd het begraven in de opvulling van de structuur waar de onderzoekers het vonden, samen met andere objecten met rituele betekenis, zoals een verzameling menselijke tanden en de overblijfselen van een kind.

De Natufische cultuur was de eerste jager-verzamelaarscultuur in Zuidwest-Azië die een sedentaire levensstijl aannam, een dramatische transformatie die voorafging aan de omarming van de landbouw. De inwoners van dit dorp jaagden op gazellen, beoefenden verfijnde ambachten zoals weven en verzamelden grondstoffen uit de omgeving, zoals vuursteen en kalksteen.

Op de vindplaats werden resten van ganzen gevonden, met bewijs van jacht, slachting en het gebruik van veren. Opvallend is dat de scène op het beeldje niets met de jacht te maken had.

“De implicatie van deze ontdekking,” aldus Grosman, “is dat de sedentaire levensstijl grote veranderingen teweegbracht in sociale structuren – zowel tussen mensen onderling als tussen mensen en hun omgeving – wat vervolgens leidde tot grote veranderingen in verhalen vertellen, symbolische expressie en artistieke technieken.”

Zeus en Leda

Leda-en-de-zwaan-op-een-fresco-uit-Pompeii-CC0-–-Porto-Franco-–-wiki

Leda werd geboren als dochter van koning Thestius van Aetolië (Aetolia), een landstreek gelegen in Noordwest-Griekenland. Ze trouwde met Tyndareus die de koning was van Sparta. Over hun nakomelingen bestaan verschillende verhalen. In ieder geval kregen ze samen een dochter die Clytaemnestra heette.

Leda kreeg nog een aantal kinderen bij een andere bijzondere man: de oppergod Zeus. Hij had de koningin op een dag gezien en probeerde haar te verleiden. Doordat zij niet makkelijk te benaderen was, nam de god de gestalte aan van een zwaan. Toen hij dichtbij was, bezwangerde Zeus haar. De overmeesterde en overrompelde Leda ging diezelfde dag nog met haar echtgenoot Tyndareus naar bed.

Volgens de meeste vertellingen baarde Leda hierna twee eieren. Uit het ene ei kwam Helena die wordt gezien als de mooiste vrouw van de klassieke oudheid. Uit het andere ei kwamen twee zonen genaamd de Dioscuren. Ze worden ook wel de goddelijke kinderen van Zeus genoemd. De jongens heetten Pollux (Polydeukes) en Castor (Kastor). Beide zouden vele heldendaden verrichten. Ook werden ze gezien als helpers in nood en beschermers van zeelieden.

Lang voordat Griekse dichters zich voorstelden hoe Zeus Leda verleidde in de gedaante van een zwaan, creëerden prehistorische gemeenschappen in Zuidwest-Azië al visioenen van verstrengelingen tussen mens en vogel.

Veel oude mythes lijken terug te gaan op een magische interactie tussen een oervrouw en een watervogel. Sommige zien hierin het water als oer symbool van een overzijde, de dood maar tevens leven voortbrengend. Watervogels zouden dan naar hun aard de ruimte tussen hier en genezijde overbruggen, zoals later de Germaanse Walkuren.

Het verhaal van Leda zou aldus zijn voortgekomen uit een veel oudere verbeelding van de levenskringloop, waar binnen boerengemeenschappen het jaar met zijn seizoenen van groei en neergang gestalte kreeg. De ontdekking lijkt vermoedens te bevestigen dat dit soort thema’s teruggaat tot het ontstaan van de eerste (semi)agrarische gemeenschappen.

Het recent geanalyseerd, 12.000 jaar oud beeldje van gebakken klei uit Noord-Israël onthult een van de vroegste symbolische scènes ooit in klei gemodelleerd: een gans die probeert te paren met een vrouw. Het biedt een ongekend inzicht in de denkwijze van Natufische jager-verzamelaars aan de vooravond van het Neolithicum.

De ontdekking, die deze week in PNAS werd gepubliceerd, is meer dan een curiositeit. Het is de oudste bekende afbeelding van een vrouw in Zuidwest-Azië en het vroegste beeldje ter wereld dat een interactie tussen mens en dier laat zien. Voor archeologen is die combinatie explosief: het markeert een moment waarop verbeelding, mythologie en animistisch geloof begonnen te kristalliseren in fysieke vorm.

Het object werd geïdentificeerd door Laurent Davin van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem tijdens het doorzoeken van tienduizenden kleifragmenten die afkomstig waren van Natufische vindplaatsen. In een e-mail aan Live Science beschreef Davin de schok van herkenning: “Toen ik dit kleine blokje klei uit de doos haalde, herkende ik meteen de menselijke figuur en vervolgens de vogel die op zijn rug lag.”

Een zeldzaam inkijkje in de Natufische verbeeldingskracht

De Natufiërs, die tussen 15.000 en 11.500 jaar geleden in de Levant leefden, vertegenwoordigen een keerpunt in de prehistorie. Ze waren nog steeds jagers-verzamelaars, maar ze bouwden stenen huizen, begroeven hun doden op vaste begraafplaatsen en ontwikkelden een symbolisch repertoire dat veel rijker was dan dat van veel nomadische paleolithische groepen vóór hen. Afbeeldingen van complete menselijke lichamen zijn echter uitzonderlijk schaars en scènes die interacties tussen mens en dier laten zien, komen vrijwel niet voor.

Dit maakt het Nahal Ein Gev II-beeldje – gevonden in de opvulling van een speciaal daarvoor gebouwde constructie langs een terras boven de Ein Gev-beek – tot een uitzonderlijke vondst van enorme betekenis.

Hoewel het beeldje slechts 37 millimeter hoog is, werd het met onverwachte precisie vervaardigd. Een vingerafdruk die in de klei bewaard is gebleven (waarschijnlijk van een jongvolwassene of volwassen vrouw) suggereert dat het met zorg en intentie is gevormd. Na het drogen werd het vermoedelijk verhit tot ongeveer 400 °C – laag voor keramische begrippen, maar gecontroleerd genoeg om barsten te voorkomen. Sporen van rood hematiet pigment kleven nog steeds aan de schouder van de vrouw en de snavel van de gans, bewijs dat het object ooit levendig gekleurd was.

Gedetailleerde weergaven van de gemodelleerde kenmerken van de gans, waaronder de kop, nek, snavel, vleugels en bovenaanzicht. Panelen tonen het beeldje vanuit verschillende hoeken om de vormgevingstechnieken te illustreren. Foto’s van L. Davin. Bron: Davin et al., 2025 (PNAS).

De scène: geen jacht, maar mythe

De gans is afgebeeld in een houding die een moderne waarnemer zou verbazen, maar die direct herkenbaar zou zijn voor iedereen die ooit een gans heeft zien broeden. De vogel hurkt laag op de gebogen rug van de vrouw, met de vleugels gedeeltelijk om haar heen geslagen en de nek naar voren gestrekt om de achterkant van haar hoofd vast te grijpen. Dit is het klassieke paringsgedrag van mannelijke grauwe ganzen.

Dat is belangrijk. Het betekent dat het beeldje geen afbeelding is van een jacht, een trofee of een hybride wezen. Het is een verhaal – een bewuste evocatie van een denkbeeldige ontmoeting tussen soorten. En het weerspiegelt een wereldbeeld waarin niet-menselijke wezens werden beschouwd als bezittend van handelingsvermogen, intentie en een rol binnen de spirituele orde.

Met andere woorden: animisme, niet anatomie, bepaalde de keuzes van de kunstenaar.

Dergelijke overtuigingen zijn goed gedocumenteerd in sjamanistische en jager-verzamelaarskosmologieën over de hele wereld. Maar het NEG II-beeldje brengt hun materiële expressie in Zuidwest-Azië veel eerder dan verwacht, vóór de symbolische explosie die te zien is in neolithische rituele centra zoals Göbekli Tepe.

Een vrouw afgebeeld met ongekende details

De menselijke figuur is eveneens onthullend. Haar gebogen houding, de gemodelleerde schaamdriehoek, ingezette borstversieringen en zorgvuldig gevormde gelaatstrekken maken haar tot de vroegste naturalistische vrouwelijke afbeelding die bekend is uit de Levant. Tot nu toe waren Natufische afbeeldingen van vrouwen sterk gestileerd of fragmentarisch.

De verfijning van het beeldje wijst ook op een bredere technologische transitie. Kleiobjecten uit het zogenoemde late epipaleolithicum zijn zeldzaam; het doelbewust bakken van klei in Zuidwest-Azië stond nog maar in de kinderschoenen. Dit object laat zien dat de wortels van de keramische technologie – en de symbolische verbeeldingskracht die ermee verbonden is – veel verder teruggaan in de prehistorie dan voorheen werd aangenomen.

Waarom een gans? Waarom deze scène?

Op de vindplaats worden opmerkelijke hoeveelheden ganzenresten aangetroffen. De bewoners richtten zich overwegend op grauwe ganzen, met name hun vleugels en veren, die werden gebruikt voor versieringen en mogelijk rituele kleding. Deze voorkeur, ondanks de beschikbaarheid van vele andere vogelsoorten, duidt op een selectieve culturele waarde in plaats van een simpele dat deze hier voorkomen.

In dat licht bezien, wordt het beeldje een materiële uitdrukking van een relatie – praktisch, symbolisch en misschien wel mythisch – tussen mens en gans. Het kan hebben verwezen naar kosmologie, persoonlijke identiteit, rituele praktijken of verhalen die nu verloren zijn gegaan. Wat overblijft is een momentopname van een wereldbeeld waarin de menselijke en dierlijke werelden doorlaatbaar, verweven en spiritueel geladen waren.

Een keerpunt vlak voor het Neolithicum

Tegen de tijd dat dit beeldje werd gemaakt, bewogen de Natufische gemeenschappen zich richting een volledig gevestigd dorpsleven. De architectuur werd complexer, sociale identiteiten formeler en artistieke tradities steeds experimenteler. Het NEG II-beeldje legt dat moment van verandering vast – een ‘technologie van de verbeelding’, zoals onderzoekers het noemen, die de symbolische revoluties aankondigt die gepaard zouden gaan met landbouw en een permanent dorpsleven.

Kortom, een 12.000 jaar oud stuk gebakken klei laat ons iets diepgaande zien: vóór tempels, vóór landbouw, vóórdat mythologie in geschreven vorm werd vastgelegd, stelden mensen zich al dezelfde vragen die de oude religies millennia lang zouden bezielen. Ze fantaseerden over verbindingen tussen soorten, werelden bewoond door dierengeesten en verhalen waarin mensen en niet-mensen partners, rivalen of geliefden waren.

Zeus en Leda als figuren kwamen veel later. De Natufiërs waren blijkbaar veel eerder al ermee bezig.

Nahal Ein Gev II

Nahal Ein Gev II is een vindplaats uit de late Natufische periode (12.000 jaar geleden). Het betreft een groot dorp in de Ein Gev-beek, op ongeveer twee kilometer van het Meer van Galilea op de zuidelijke hellingen van de Golanhoogten. De vindplaats ligt op het noordelijke terras van de Ein Gev-beek (Hebreeuws: “Nahal Ein Gev”) werd ontdekt in de jaren 70 en wordt sinds 2010 opgegraven door prof. Leore Grosman en een team van de Hebreeuwse Universiteit, in samenwerking met onderzoekers van over de hele wereld. De opgravingen op de vindplaats brachten een Natufisch dorp aan het licht, met een grote en complexe begraafplaats, een groot aantal stenen gebouwen en unieke voorzieningen. Sinds 2024 wordt het opgravings- en onderzoeksproject op de vindplaats voortgezet door een expeditie van het Instituut voor Archeologie van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem (HUJI)

Volgens drie koolstof-14-dateringen dateert de vindplaats uit een periode tussen 12.550 en 12.000 jaar voor Christus (gekalibreerde dateringen). Deze datering wijst op de associatie van de vindplaats met de late Natufische cultuur van het Epipaleolithicum, zoals ook blijkt uit de studie van de vuurstenen werktuigen en andere kenmerken van de materiële cultuur op de vindplaats.

Wat de vindplaats uniek maakt, is de materiële cultuur, die gekenmerkt wordt door duidelijke Natufische elementen (in het stenen gereedschap en de technologie), naast vondsten die doen denken aan de vroeg-neolithische culturen van de zuidelijke Levant (zoals de kunstobjecten). Dit maakt de vindplaats een unieke casestudie voor het onderzoeken van vragen over de overgang van een jager-verzamelaarsbestaan naar een dorpsleven. Het belang van de vindplaats ligt ook in de geografische ligging, aangezien deze veel overeenkomsten vertoont met gelijktijdige vindplaatsen in de Jordaanvallei, wat mogelijk wijst op de aanwezigheid van een lokale groep in het gebied tegen het einde van het Natufische tijdperk, vlak voor het Neolithicum.

Naast de productie en het gebruik van hoogwaardig pleisterwerk zijn er aanwijzingen voor vele andere ambachten, en mogelijk zelfs specialisaties. Dit blijkt uit de overvloed aan geperforeerde voorwerpen van diverse grondstoffen (schelpen, kalksteen en dierenbotten), en uit de grote hoeveelheid en verscheidenheid aan vuurstenen perforatiegereedschappen.

Volg de opgravingen van Nahal Ein Gev II op https://www.facebook.com/nahaleingevii/

neg_photo_by_naftali

Geschiedenis van de opgraving

De vindplaats werd voor het eerst ontdekt door Dudi Ben-Ami van Kibboets Ein Gev, die het gebied uitgebreid verkende en verantwoordelijk was voor de ontdekking van vele vindplaatsen. De vindplaats werd blootgelegd door de opgraving van een militaire positie tegenover de Syrische grens, waardoor een diepe sleuf ontstond waarin veel vondsten werden gedaan. In 1973 werd een proefopgraving uitgevoerd door Ofer Bar-Yosef. De resultaten van deze proefopgraving werden in 2000 gepubliceerd in een artikel.[2] De opgravingen in Nahal Ein Gev II werden in 2010 hervat door Leore Grosman van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, in samenwerking met onderzoekers uit Israël en het buitenland en promovendi.

Architectuur

De opgravingen op de locatie brachten meerdere architectonische overblijfselen aan het licht die wijzen op een complex nederzettingsplan. De architectonische overblijfselen bestaan voornamelijk uit grote, ronde gebouwen met een diameter van ongeveer 5 meter, gebouwd van een combinatie van kalksteen en basalt. In veel gevallen waren de gebouwen gebouwd met twee parallelle buitenmuren, en in sommige gevallen werden platte stenen horizontaal bovenop de binnenmuur geplaatst om een soort bank te vormen. Tot nu toe zijn er 6 gebouwen opgegraven, en er zijn er meer dan 10 bekend op de locatie.

Een van de centrale structuren op de locatie is Gebouw 5, dat zeer groot en monumentaal van ontwerp is. De structuur diende als begraafplaats, waar hoogwaardig pleisterwerk werd gebruikt om de graven binnen het complex te bedekken.

Vuurstenen werktuigen

De grondstoffen voor het bewerken van de vuurstenen vaten zijn voornamelijk kiezels afkomstig uit de wadi en de oevers van het Meer van Galilea. De vuurstenen vondsten tonen alle stadia van het bewerken. De meeste breukproducten op de locatie zijn lithische scherven, iets wat kenmerkend is voor de Natufische cultuur en de culturen van het Prekeramisch Neolithicum A in de regio. Het percentage klingen en vuurstenen is gelijk, een kenmerk dat meer typisch is voor de prekeramische neolithische A-industrieën dan voor het epipaleolithicum.

De gereedschapskit op de vindplaats wordt gekenmerkt door een zeer hoog aandeel pinnen om gaatjes te maken.

Ambachtelijke specialisatie

Op de vindplaats werden rijke verzamelingen unieke kunst- en ambachtsvoorwerpen ontdekt, zoals sieraden, kalkstenen werktuigen en stenen en benen werktuigen met gravures. De hoeveelheid kralen, samen met de verzameling boorgereedschappen en andere geboorde voorwerpen, wijst op een uitgebreide sieradenindustrie.

Kralen

Veel van de sieraden zijn schijfkralen of cilindervormige kralen gemaakt van een grote verscheidenheid aan materialen, maar voornamelijk schelpen. De schijfkralen zijn meestal gemaakt van Cardium-oesters die afkomstig zijn uit de Middellandse Zee en een geologische ontsluiting in de buurt van de vindplaats. Productieafval en kralen in verschillende stadia van productie en verwerking werden op de vindplaats aangetroffen, wat erop wijst dat de kralen lokaal werden geproduceerd. Soortgelijke verzamelingen schijfkralen werden ontdekt in Eynan en Huzuk Musa, eveneens laat-Natufische vindplaatsen in de Jordaanvallei (de eerste ten noorden van NEG II en het Meer van Galilea, en de laatste ongeveer halverwege richting de Dode Zee).

Kunst

Er werden meer dan 20 intacte en gebroken kunstobjecten op de vindplaats ontdekt. De kunstcollectie omvat bot objecten met gravures, stenen objecten met unieke gravures, en een zeldzame vondst: een menselijk gezicht gebeeldhouwd in een kiezelsteen. De sieraden en kunstobjecten die in Nahal Ein Gav II zijn ontdekt, weerspiegelen lokale stijlen, met aspecten die uniek zijn voor de vindplaats. De kunstobjecten delen veel kenmerken met vondsten uit de vroege Natufische cultuur, maar ze hebben ook stilistische kenmerken gemeen met de kunst van de vroege neolithische culturen.

Productie van kalkpleister

De opgravingen in Nahal Ein Gav II brachten een vroeg voorbeeld van innovatieve technologische ontwikkeling aan het licht: de productie van hoogwaardige kalkpleister in grote hoeveelheden. Kalkpleister, in verschillende kwaliteiten en met verschillende productiemethoden, is over het algemeen bekend uit de prekeramische neolithische periode in de Levant. Na onderzoek werd de productievolgorde van de pleister op de vindplaats gereconstrueerd.

Spindeltollen

Overblijfselen van spindeltollen die 12.000 jaar geleden zijn gevonden, zijn mogelijk de oudste spindeltollen die tot nu toe zijn gevonden.

Voeding

De verzameling dierenbotten in Nahal Ein Gev II weerspiegelt de toegenomen exploitatie van de natuurlijke omgeving in de Jordaanvallei en de zuidelijke Golanhoogten.

De intensieve jachtmethoden komen tot uiting in de exploitatie van een grote verscheidenheid aan diersoorten, een overvloed aan kleine diersoorten (schildpadden en konijnen) en een nadruk op de jacht op jonge antilopen. Op de vindplaats is ook veel bewijs te vinden van de exploitatie van dieren uit de nabijgelegen waterbronnen (vis en watervogels).

Fig. S1. Het ornitho/antropomorfe kleifiguurtje (#M/0374) uit het Laat-Natufien van Nahal Ein Gev II. Gefotografeerd vanuit een hoek van 90° (d.w.z. recht op het figuurtje kijkend) met een homogene lichtbron. A: vooraanzicht; B: bovenaanzicht van de proximale breuk doorsnede; C: achteraanzicht; D: rechter zijaanzicht (Foto’s L.D.).

Begrafenissen

Begrafenissen in de directe nabijheid van woonruimten, en met name in verband met ruïnes en verlaten huizen, vormen een nieuwe ontwikkeling en een bijzonderheid van de Natufische cultuur. Dit wordt geïnterpreteerd als een teken van een gebrek aan scheiding tussen levenden en doden in een samenleving die veel van haar mobiliteit opgaf en zich in een specifiek gebied vestigde.[9]

Begrafenissen werden in verschillende delen van de vindplaats gevonden, maar de grootste concentratie bevindt zich in gebouw 5, in het noorden van de vindplaats.

In gebouw 3 werd een enkelvoudig vrouwengraf gevonden onder de muur van het gebouw, dat waarschijnlijk al verlaten was ten tijde van haar begrafenis. De begraafplaats was zorgvuldig gekozen en omvatte het afbreken van de stenen muur, het plaatsen van het lichaam en het herbouwen van de muur. De vrouw lag in een zeer gecomprimeerde positie, wat de mogelijkheid doet rijzen dat het lichaam tijdens de begrafenis was ingebonden of gewikkeld in organisch materiaal.

In gebouw 5 werd een grote en complexe begraafplaats ontdekt. In een grafkuil die in het proefgedeelte was uitgegraven, werden minstens vier graven blootgelegd. Op de bodem van de kuil lag een jonge vrouw begraven in een gecomprimeerde positie. Rond haar hele lichaam, en vooral onder haar hoofd, bevond zich een harde witte substantie, wat erop wijst dat ze tijdens de begrafenis met kalkpleister was bedekt. De botten van twee andere graven werden verspreid rond het graf gevonden.

Veel andere graven werden gevonden in grafkuilen die waren uitgegraven in de pleisterlaag die het hele begraafplaatsgebied bedekt. Deze kuilen vormen de tweede fase van begrafenissen in de structuur. Tot nu toe hebben de opgravingen het mogelijk gemaakt de grenzen te bepalen van de pleisterlaag die het hele begraafplaatsgebied bedekt en tot aan de monumentale muur van Gebouw 5 reikt. De volledige omvang van de begraafplaats en de diepte van de lagen daarin zijn nog niet volledig bekend.

Aan het einde van het Epipaleolithicum vertonen de begrafenisgebruiken van de Natufische cultuur een duidelijke breuk met die van de voorgaande perioden. Graven, die voorheen zelden in verband werden gebracht met woonruimtes, worden een vast onderdeel van permanente nederzettingen. Soms bevinden de Natufische graven zich in de directe nabijheid van de woningen, maar vaker liggen ze ingebed in het puin van verlaten huizen. Dit wil zeggen dat, met de afname van mobiliteit, er feitelijk geen scheiding meer bestond tussen levenden en doden. Het graf lijkt dan ook een belangrijke rol te spelen in de binding met het territorium en het proces van vestiging..

Tabel S.1. Lijst van laat epipaleolithische klei artefacten die eerder in de Levant en Anatolië zijn geïdentificeerd.

aanvullende informatie over het beeldje

Resultaten en interpretatie van Fourier-transformatie-infraroodspectroscopie (FTIR)-analyse:

Het monster wordt gedomineerd door klei, wat blijkt uit de significante absorptie bij 1036 cm⁻¹, met aanvullende banden bij 469 cm⁻¹, 516 cm⁻¹ en 915 cm⁻¹.

Kwarts en/of silicaatmineralen zijn ook aanwezig, gekenmerkt door pieken bij 797 cm⁻¹ en 778 cm⁻¹, een geringe absorptie bij 694 cm⁻¹ en een kleine verhoging in het bereik van 1164–1114 cm⁻¹. Een kleine band bij 875 cm⁻¹ duidt op de aanwezigheid van calciet in sporen.

Absorptiebanden bij 3691 cm⁻¹ en 3620 cm⁻¹, en de OH-deformatie bij 915 cm⁻¹, duiden op onverhitte klei of klei die alleen bij lage temperaturen is gebakken (≤ 400–450 °C; 1).

De mogelijkheid van blootstelling aan zowel lage als hoge temperaturen kan echter niet worden uitgesloten, aangezien zelfs kleine proporties onverhitte deeltjes het infraroodsignaal kunnen maskeren. Gecontroleerde verhittings-experimenten met klei uit vergelijkbare bronnen, gecombineerd met een zogenoemde systematische FTIR-analyse, zouden helpen deze onduidelijkheden op te lossen.

Afbeeldingen

S.3. Dermatoglyfische en geochemische analyse van het ornitho/antropomorfe klei beeldje (#M/0374) uit het Laat-Natufien van Nahal Ein Gev II.

A: RTI-weergave van een vingerafdruk geïdentificeerd op het linkerprofiel van het beeldje

B: Positie van het NEG II-beeldje in de verdeling van de gemiddelde ribbelbreedte (MRB) gemeten op de referentie-experimentele dataset van Králík en Novotny, de stippellijnen markeren de grenzen van de verschillende demografische groepen in de referentiedataset

C: Relatie tussen leeftijd, geslacht en MRB, met hun logaritmische trendlijnen, in de referentiedataset en de weergegeven MRB van het NEG II-beeldje. Geochemische analyse

D: FTIR-spectra tonen de belangrijkste absorptie van klei bij 1036 cm-1, gevolgd door 469 cm-1, 516 cm-1 en 915 cm-1. Kwarts en/of silicaatmineralen zijn aanwezig bij 797 cm⁻¹ en 778 cm⁻¹, met een geringe absorptie bij 694 cm⁻¹, en een kleine verhoging bij 1164-1114 cm⁻¹. Een geringe calciet absorptie wordt waargenomen bij 875 cm⁻¹. (Foto’s en CAD L.D.)

Fig. S4. SEM-EDS-analyse van residuen op het ornitho/antropomorfe kleifiguurtje (#M/0374) uit het Laat-Natufien van Nahal Ein Gev II.

A: Hematiet op de snavel van de gans (SEM-EDS-analyse in Fig. S.5)

B: Hematiet op de linkerschouder van de vrouw

C: Hematiet, plantaardige vezels en onbekende organische residuen op de linkerarm en oksel van de vrouw (SEM-EDS-analyse in Fig. S.6)

D: Onbekende organische residuen op het hoofd van de vrouw, nabij de mond (SEM-EDS-analyse in Fig. S.7) (Foto’s L.D.)

Fig. S5. SEM-EDS-analyse van residuen op het ornitho/antropomorfe kleifiguurtje (#M/0374) uit het Laat-Natufien van Nahal Ein Gev II. Hematiet (2-3) werd geïdentificeerd op de snavel van de gans.

.

Figuur S6. SEM-EDS-analyse van residuen op het ornitho-/antropomorfe kleifiguurtje (#M/0374) uit het Laat-Natufien van Nahal Ein Gev II. Hematiet (1) en niet-geïdentificeerde organische residuen (2) werden geïdentificeerd op de linkerarm van de vrouw.

.

Fig. S7. SEM-EDS-analyse van residuen op het ornitho/antropomorfe kleifiguurtje (#M/0374) uit het Laat-Natufien van Nahal Ein Gev II. Onbekende organische residuen (1) werden geïdentificeerd op het hoofd van de vrouw in het mondgebied.

.

Figuur S.8. Het ornitho/antropomorfe kleifiguurtje (#M/0374) uit het Laat-Natufien van Nahal Ein Gev II.

De enscenering van de relatie tussen het figuurtje en de waarnemer gaat gepaard met een enscenering van de interactie van het figuurtje met licht. Inderdaad, als het figuurtje onder een hoek van 90° wordt bekeken (d.w.z. recht op het figuurtje kijkend) met een homogene lichtbron (A), worden de subtiliteit van de modellering en het spel van perspectief overschaduwd door het licht.

Aan de andere kant, als het beeldje onder een hoek van 45° wordt bekeken (d.w.z. van bovenaf) met een lichtbron die het linkerprofiel (B) verlicht, waar de modellering de grootste nadruk heeft gelegd op het samenspel van diepten, wordt de verfijning van het perspectief van de interactie tussen de gans en de vrouw versterkt door de manipulatie van licht en schaduw. Deze ensceneringen, samen met het gezichtspunt van de waarnemer en de lichtbron, suggereren dat het beeldje waarschijnlijk op een specifieke plek in de huiselijke ruimte stond toen het in gebruik was (Foto’s L.D.).

Figuur S.9. Laat-Epipaleolithische klei-artefacten uit de Levant en Anatolië

(A) Moghr el-Ahwal –EN (4, met dank aan A. Garrard); (B) Direkli-grot (5, met dank aan C.M. Erek); (C) Hayonim-grot –EN (6, met dank aan A. Belfer-Cohen); (D) Gilgal II – LN (7, met dank aan A. Belfer-Cohen); (E-F) Salibiya I – LN (8, met dank aan A. Belfer-Cohen); (G) Hayonim-terras – LN (9, met dank aan F. Valla) (EN: Vroeg-Natufisch; LN: Laat-Natufisch).

Fig. S10. Grauwe ganzen (Anser anser) die paren in het water. De mannetjesgans klimt op de rug van het hurkende vrouwtje en trapt erop. De mannetjesgans hurkt op het vrouwtje met zijn lichaam parallel aan het vrouwtje. Hij buigt zijn nek naar voren om de nekveren van het vrouwtje vast te grijpen en spreidt zijn vleugels om haar heen om zijn positie te behouden (Foto’s Rüdiger Kaminski en Sylvie Gautier).

.

aanvullend literatuur

1. Weiner, S., (2010). Microarchaeology. Beyond the visible archaeological record. Cambridge University Press.

2. Ogloblin Ramirez, I., Dunseth, Z. C., Shalem, D., & Shahack-Gross, R., (2023). Infrared spectra of mixtures of heated and unheated clay: Solving an interpretational conundrum, Geoarchaeology, 38, pp.822–829.

3. Králík, M. and Novotný, V. (2003). Epidermal ridge breadth: an indicator of age and sex in paleodermatoglyphics. Variability and evolution, 11(2003), pp.5-30.

4. Garrard, A. and Yazbeck, C., (2013). The Natufian of Moghr el-Ahwal in the Qadisha valley, northern Lebanon. In: Bar-Yosef O. and Valla F.R. (eds.), Natufian Foragers in the Levant. Terminal Pleistocene Social Changes in Western Asia. Ann Arbor: International Monographs in Prehistory, 19, pp.17-47.

5. Erek, C.M., (2014). Direkli Cave: The significance of fire and female figurines in the paleo- landscape during the Epi-paleolithic period. Seleucia, (4), pp.141-163.

6. Belfer-Cohen, A. and Goring-Morris, A.N., (2020). From the Epipalaeolithic into the earliest Neolithic (PPNA) in the South Levant. Documenta Praehistorica, 47, pp.36-52.

7. Hershman, D. and Belfer-Cohen, A., (2010). ‘It’s Magic!’’: artistic and symbolic material manifestations from the Gilgal sites. In O. Bar-Yosef, A.N. Goring-Morris, A. Gopher (Eds.) Gilgal: Excavations at Early Neolithic Sites in the Lower Jordan Valley, The Excavations of Tamar Noy, ASPR Monograph Series & David Brown/Oxbow, Oakville, CT, pp. 185-216.

8. Ben-Michael, J., (2014). Clay Technology in the Southern Levant from Objects to Pottery (Late Epipalaeolithic—Early Neolithic Pottery). PhD thesis, The Hebrew University of Jerusalem.

9. Valla, F.R., (2012). Manifestations symboliques. In F.R. Valla (Ed.) Les Fouilles de La Terrasse d’Hayonim (Israël) 1980–1981 et 1985–1989, Mémoires et Travaux du Centre de recherche français à Jérusalem 10. De Boccard, Paris. pp.383-391.

Deze link bevat een PDF met een 3D weergave van het beeldje:

https://www.pnas.org/doi/suppl/10.1073/pnas.2517509122/suppl_file/pnas.2517509122.sapp.pdf

.

Het ornitho/antropomorfe kleifiguurtje (#M/0374) uit het late Natufische Nahal Ein Gev II, bekeken onder een hoek van 45° (d.w.z. van bovenaf) ’s nachts met een lichtbron (kunstmatige open haard) die het linkerprofiel verlicht (Video L.D.).

Feedback?

Yankel Kobalowitz,

Hilversum, december 2025