januari 2024

Hingman 3019 rond 1625

de archeologie & geschiedenis van de Vuursche, deel 4:

de koop van 1625

Verschillende schrijvers weten te vertellen hoe de familie van Veen in 1625 de heerlijkheid de Vuursche en de ridderhofstad Drakesteijn verkochten aan Ernst van Rheede & dat deze in 28 januari 1637 de Vuursche na vrijkopen uit leenverband van het kapittel van St. Jan te Utrecht heeft opgedragen aan Frederik Hendrik, prins van Oranje, stadhouder van Holland, via de leenkamer van Buren.

Frits Booy schrijft verdienstelijke studies voor Tussen Vecht & Eem. In Drakensteyn, een liefelijk landgoed speculeert hij over waarom Ernst van Rheede na zijn heerlijkheid niet zonder veel moeite te hebben vrijgekocht, deze meteen maar aan de prins opdraagt. Hij denkt dat hij wellicht de inkomsten verbonden aan het gerecht, boetes en dergelijke, hiermee kon veilig stellen. Maar dat kan natuurlijk niet waar zijn.

Niet alleen dat die inkomsten misschien niet opwogen tegen de moeite maar dat het bezit van zowel het hoge als het lage gerecht voor de Vuursche aan de heer van de Vuursche toekwam, zowel onder het kapittel van St. Jan, als eigendom als dan eventueel onder de Burense leenkamer. Er stond niet voor niets reeds een geruime tijd een gal en rad aan de rand van de heerlijkheid.

Eerder gedacht zou moeten worden dat Heer Ernst, houtvester van de provincie Utrecht, telg van de puissant rijke en vooral politiek belangrijke familie van Rheede, met steun van zijn familie heerlijkheid en ridderhofstad mocht verkrijgen en uit familiebelang de stadhouder, in wiens partij zij belangrijke spelers waren, hun leider hiermee wilden vereren.

Het valt in elk geval op dat alles meer dan elf jaar blijkbaar nodig had. In het pre-internet tijdperk had men meer de tijd en duurde alles natuurlijk iets langer. Maar elf jaar is wel wat lang als een zo’n rijke familie zich heeft voorgenomen een heerlijkheidje te kopen. Het huisarchief van de Vuursche op film geeft enig inzicht wat er allemaal gespeeld heeft.

Daarin wordt op enkele plaatsen een kaart vermeld. En wij hebben een kaart die rond 1625 gemaakt moet zijn. Is het ook deze kaart die genoemd wordt? Waarschijnlijk wel. Over de precies datering van onze kaart, TOEKOMSTIG MEER. Zeker is dat een kaart is overlegd. De kaart uit 1619 was ongeschikt voor waar dit nodig voor was. Hoe vervormd en geabstraheerd de oppervlakten op de nieuwe kaart moge zijn, er worden lengten en wat belangrijk is, oppervlakte maten opgegeven. Dit was een moderne verplichting wanneer kaarten voor het Provinciaal Hof van Utrecht rechtsgeldigheid moesten dragen.

De kaart wordt echter niet genoemd in de eigenlijke overdracht van de erven van Veen aan advocaat Cornelis van Vianen te Utrecht. Deze Cornelis wordt echter nooit genoemd als heer van de Vuursche of Drakestein. Hij was eigenlijk vertegenwoordiger van de familie bij een toch best wel ingewikkelde goederencomplex.

Dit had zeker ook te maken met allerlei pacht- en bezitsverhoudingen, eigendommen en gebruiksrechten, die tijdens de koop ook onduidelijk en omstreden waren. Dan lijkt de uitkomst van alle moeite, dat Ernst zijn eigendom opdraagt aan de prins, niet vanaf het begin voorop gesteld te zijn. Het lijkt een uitkomst van een proces.

kaart van de loting

Een kaart wordt genoemd in de archieven, die nodig was bij een loterij! Drie partijen zetten daarin in op een eigen gedeelte van de Vuursche. Waar de deelnemers de heerlijkheid voor nodig hadden? Niets meer of minder dan schapen. Niet dat zij met z’n allen gemeenschappelijk het land vol met schapen wilden zetten. Elk zou voor eigen gewin zijn eigen kuddes op zijn eigen stuk houden. Alleen wie waar aan de slag kon gaan, daarover mocht het lot beslissen.

.

Het valt op dat op onze kaart uit die tijd de Vuursche inderdaad in drie verschillende delen is opgedeeld. In vergelijking met wallen door schout Evert Hendrickx in de voorgaande eeuw gemaakt, die ook de Vuursche in drieën verdeelt, valt op dat, als de ons overleverde kaart daadwerkelijk de bedoelde kaart is, het terrein in het noorden behoorlijk is vergroot ten opzichte van de twee zuidelijke gedeeltes.

Er is op de films van de Vuursche een afschrift van de drie belangrijkste documenten rond de verkoop door notaris Verduijn uit 1632. Zijn verslag bevindt zich op film 6, pagina 130 t/m 138. De versiering met zwierige krullen voegt voor ons niets toe. Maar zijn handschrift is zo netjes dat het voor diegene met een basis leesvaardigheid al mogelijk is na te lezen. En omdat wij het lezen van oude documenten willen bevorderen, zeggen wij ‘dankuwel, meneer Verduijn’. en tegen de rest ‘zie je wel dat het kan’. De inhoud is als volgt:

10 november 1629 overdracht voor kapittel St. Jan te Utrecht.

Cornelis de Vianen, advocaat bij het Hof van Utrecht verklaart mede namens zijn medestanders gekocht te hebben heerlijkheid en goederen van de Vuursche met haar appendentiën en toebehoren mitgaders de oude hoffstadt Drakesteijn of Wernertshoffstede, van de kinderen en erfgenamen van mr. Sijmon van Veen sr..

Vertoond en geregistreerd zijn de koopcedulle van 4 november 1625, de transactie 14 november 1628. Tevens de loting ‘haar respectieve portion’ 22 mei 1626 bij de secretarie van het kapittel mede doen registreren met Drakesteijn met 20 morgen lands daar dicht aan gelegen zuidwaarts en noordwaarts alsmede de Vuursche steeg volgens schriftelijke overcompste, overeenkomst van 15 mei 1626 door Jonker Ernst van Rheede en Godart van Rheede, heer van Nederhorst, Kortenhoef, Ankeveen enz., Johan Strick, kanunnik en scholaster van Oud Munster te Utrecht.

Buiten de loting zal blijven aan Jhr. Ernst, heer van de Vuursche 5/6de parten van 40 morgen heetveld en 20 morgen noordwaarts aan, toegemeten ten overstaan van kopers en medestanders, vermogens de kaart daarbij vertoond.

Het blijvende 6de part van dezelfde 40 morgen aan mr. Cornelis Davelaer, advocaat te Amsterdam.

Ernst van Rede, heer van de Vuursche zal behouden huis waar weduwe van Meijns Jans woont, staand op de Vuursche met landen en velden daaraan gebruikt, welk de heer Strick voor zijn 6de part was toegeloot.

Ernst houdt 1/3 van de Vuursche bij consent van zijn broer Godart, heer van Nederhorst dat op zijn naam was toegevallen.

Strick wordt gecompenseerd voor zijn deel met twee rentebrieven ter waarde van 2060 gulden..

Adriaen van Beverwijck heeft uit de boedel van Guillaume Steenwinkel van 1/3 part Vuursche en landen, met huis en al daarop getimmerd en aangemaakt, door middel van twee rentebrieven voor 2600 gulden vergoed.

40 morgen zijn heetveld, in gebruik bij Cornelis Joncker met huis getimmerde en landen daaraan.

Davelaer voor ⅓ en van Beverwijck voor ⅔ claimen het het recht noppende de uitslaninge ten erfpacht van zekere polders van Vrouwenklooster, krachtens de overeenkomst van 7 november 1625.

De jaarlijkse rente zal worden opgebracht door van Beverwijck en de heer van de Vuursche, ieder voor hun deel.

NL-HaNA_4.VTH_2593 met de Vuursche vol schapen door Perk in 1719

.

4 november 1625 hebben erfgenamen Simon van Veen verkocht aan Cornelis van Vianen, advocaat van het hof van Utrecht, heerlijkheid met hoge, middel en lage jurisdictie, tol of weggeld en jacht, met toehorende venen, vullingen, veld & 5 pachthoeven daarop staande & hofstede Drakesteijn.

De Vuursche wordt gehouden van van het kapittel van Sint Jan te Utrecht voor 2 loot zilver per jaar.

Alles kost 16.000 Carolus guldens van 40 groten, te betalen op meidag 1626 en 1627.

In die op of aan de Vuursche nog enige verder goederen zouden mogen spesteren, waarvan de verkopers nog geen possessie, bezit hebben, dat het recht van dien mede de koper zal volgen, zo ook alle vorderrechtelijke actiën en toezeggingen die zij ter zake zouden kunnen hebben, tegen ieder en met name Willen Jacobs Stachouwer uit Amsterdam, vanwege het contract met de heer van Fremont. De kopers zullen de hangende zaak tegen Stachouwer voor eigen kosten, winst of verlies mogen procederen, zoals ook geldt voor enig andere lopende of nog te starten zaken.

De rechten worden overgenomen zoals de erven van de heer van Fremont deze aan mr. van Veen heeft overgedaan betreffend de Vuursch en rechten op huis, tijns en anders op Wernaers Hoffstede als gehouden van het Vrouwenklooster.

De koper zal behouden zijn tevens te betalen aan het St. Antonie gasthuis 12 gulden, de oude schout van de Vuursche Franchois de Lattre 12 gulden, de dienstmaagd van de verkopers binnen Utrecht 12 gulden, noch 10 gulden aan de vorder(?) dienstmaagd en de verkopers zullen 12 gulden geven voor de armen.

De verkopers zullen de pachten en andere emolumenten hebben tot meidag 1626, voor de rest wordt het goed dadelijk aanvaard. Ondertekend door Cornelis van Vianen, vrouwe Henbout van Veen, Simon van Veen, Henrick Stock, Johan van Veen, R van Strijen, Elisabet van Veen, Jan Ingels, Hillegont van Veen & Margareta van Veen.

.

22 mei 1626 hebben participanten geloot in 3 delen

  1. op de kaart nr. 1 zal mogen weiden op de Vuursche 700 schapen
  2. op de kaart nr. 2 zal mogen weiden op de Vuursche 700 schapen
  3. op de kaart nr. 3 zal mogen weiden op de Vuursche 800 schapen en het vrije gebruik van de landen die die van Baarn nu pretenderen in possessie en bij gebreke dan maar 700
  4. 60 morgen die blijven aan Draksteijn zal mogen weiden 20 schapen
  5. schapen zullen geweid worden door anderen op de gehele Vuursche op het heetveld, zonder te komen op bouwland, hofstede of koorn of beplantingen te beschadigen
  6. ieder haalt plaggen of heetveld op eigen (toegeloot) land en niet dat van anderen zonder consent
  7. geen eigenaar of gebruiker, noch de heer van de Vuursche zal vreemden op de Vuursche of aan deze in gebruik gegeven veld van Vrouwenklooster consenteren schapen te weiden of plaggen te slaan en daarvan af te halen
  8. dezelfden mogen geen konijnen houden planten & geen pachters of anderen dit toestaan
  9. indien de derde lot geen gebruik kan maken van het land door Baarn opgeëist, zullen de twee anderen 43 gulden per jaar vergoeden
  10. de Pijnenburgergracht moet behoorlijk behouden worden, aan de lage velden aan de zuidzijde van de Vuursche zal een aansluitend gracht gegraven mogen worden indien de meerderheid van stemmen dat willen, tot 1200 gulden per derde part.

Geloot zijn no 1 Johan Strick en Cornelis van Vianen voor één helft, Cornelis Davelaar voor de andere; voor nummer 2 de broers van Rheede; voor no 3 Guillaume van Steenwinkel en Adriaan van Beverwijk.

Achterstallige betalingen aan het kapittel van Sint Jan worden vanaf 1615 nog vergoed.

Gedaan en getekend op de Vuursche in het Pannenhuis

agro-investeerders en titels

Wat wij aan al het bovenstaande mogen ontlenen, is dat de Vuursche hoofdzakelijk een groot schapenhouderij was. Uitgerekend op een totaal van 2120 of 2220 koppen, al naar gelang de landen “die die van Baarn nu pretenderen in possessie” het derde deel wel of niet zou toevallen. Wel zullen de participanten hun deel voor eigen risico gaan beheren. Ook blijken er nog wel verschillende gebruikers en bezitters op de heerlijkheid met uiteenlopende rechten op het land, waarvan enkele met name genoemd. Pachtbrieven zullen uiteraard gerespecteerd moeten worden.

Vuursche-tol met tolboom-NL-ZlHCO_1680_122_0001

Als onze kaart inderdaad gebruikt is, is het dus ook duidelijk dat noch de verkopers noch de kopers precies wisten hoe het zat. De Negen Roeden als ceintuur om de noordelijke Vuursche als een topografische abstractie maar ook een juridische realiteit. Het was ook het gebied tussen de twee oude heerwegen, de Vuursche Dijk en de oude Lapersweg, dat aan die van Baarn ter vervening was gegund in een lang verleden. Hoe het nu, na zo’n lange tijd met de gebruiksrechten zat, was ook geen uitgemaakte zaak. Het is wel duidelijk dat als we van onze kaart mogen uitgaan, de wel of geen honderd extra schapen het noorden van de heerlijkheid betreft.

De schapenhouderij zal beslist niet nieuw geweest zijn op de Vuursche. Misschien zelfs wel op zulke grote schaal. In de middeleeuwen waren die er al. Reeds in de 16de eeuw zijn er berichten over ontvoering van schapen. Na vervening zal het slechts weinig gelukt het land in bouwgrond, vullingen om te zetten. Na afloop bleef er niet meer dan een schrale heide over, heetveld. Schapenhouderij was dan eigenlijk een van de weinige manieren al die uitgeputte gronden van economische nut te maken.

De titels, heer van de Vuursche en ridderhofstad Drakesteijn worden voorbehouden aan Ernst van Rheede. De hiertoe behorende rechten, hoge, middel en lage jurisdictie, tol of weggeld en jacht, met toehorende venen, vullingen, veld & 5 pachthoeven daarop staande & hofstede Drakesteijn. Er bestonden nog wel meer heerlijke rechten of voorrechten, zoals het recht van galg en rad, afgeleidt van de hoge jurisdictie. Niet dat die ooit hier daadwerkelijk gebruikt is in de bedrijfsvoering maar had gekund.

Expliciet worden twee heerlijke rechten aangehaald. De jacht is vooral iets van het grote terrein van de Vuursche gedeelte. Inmiddels waren zulke oude regale rechten tot vrij verhandelbare economische zaken verworden. Maar traditioneel was een eigen jachtgebied een uiterst gewild hebbeding. In het seizoen als het weer meewerkte, was er voor de bevoorrechte elite nauwelijks iets leuker dan met vrienden de koninklijke sport te beoefenen. Praktisch onderhield het mede de keuken, als de familie op het land aanwezig was.

Er bestaat een veel uitgebreider verzameling afschriften in 1715 opgesteld door notaris Adriaen de With uit Utrecht vanaf film 2, plaat 469 doorlopend op film 3.

Dat de jacht voor van Rheede wel een ding was, wordt aangetoond in een afschrift op [film 2-plaatje 626]. Het betreft een brief van jonker Johan van Oostrum, waarin hij belooft op 27 april 1626 als opvolger van EvR, heer van de Vuursche als houtvester van Utrecht zich niet te bemoeien met het jacht op de Vuursche.

Zeldzame-albumine-foto-van-de-oude-tol-in-het-Cronebos-aan-de-Lage-Vuurscheweg-86-in-Hilversum

Ook een recht op een tol wordt nogmaals geëxpliceerd in de archieven. Op [2-592] in een afschrift over een akkoord 2 november 1625 Ernst van Rheede en Cornelis van Vianen over verdeling Vuursche en processen omtrent Vrouwenland. Daarin is sprake van de naecte heerlickheyt vande Vuyrs mitsghenen aan de heerlijkhied van Toll wech gelt ofte andersins depenedeert met de wernarts hoffstede ende sestich mergen. Hierover zo meer..

de familie van Veen

Mr. Simon sr. was telg van een bastaard tak van de hertogen van Brabant. In het stuk over de eigenlijke verkoop van de heerlijkheden worden de verschillende erven van de familie daarbij aanwezig genoemd. Enkele dochters worden door een echtgenoot vertegenwoordigd. Dat is fijn omdat we zo een indruk kunnen bouwen van van de culturele kring waarin de familie verkeerde.

Het zijn bij de manlijke leden allemaal advocaten en rechtsgeleerden. Mr. Jan Reynierszoon Ingels uit Amsterdam is de meest beroemde. Vanuit zijn lusthof te Ankeveen, alwaar hij een roomse schuilkerk had, was hij toch bij de Drost van Muiden P.C. Hooft een graag geziene gast op het slot. Hij behoorde tot een netwerk, de zogenoemde Muiderkring. Op 19 April 1617 ondertrouwde hij als ‘Doctor Joannes Ingels’ te Amsterdam met Cunera van Veen, dochter van Mr. Simon van Veen Van zijn vader had hij het huis geërfd te Ankeveen, dat hij ’s zomers bewoonde. In 1625 verkreeg hij met anderen vergunning om enige moerassen in de buurt droog te maken; in 1634 was dit werk voltooid, wat de oorsprong werd van het dorp ’s Graveland.

Rembrandt 1634-1635 copyright: Gemäldegalerie (Staatliche Museen zu Berlin)

Hij blijkt later nog eigenaar van moderne kunst, onder andere een Rembrandt, in 1654 omschreven als een Sint Jan. We kennen de onthoofde profeet van de meester. We kennen echter één schilderij van Rembrandt met een St. Jan, de Doper als prediker, dat ons als schets en voorstudie ook overgeleverd is. Dit schilderij uit Berlijn is door Jan Six in 1658 verworven. Mogelijk dus door Ingels bij de meester zelf gekocht. Hoewel de van Veens eigenlijk remonstrants waren, lijkt dit nooit de hartelijke relaties in de weg gestaan te hebben.

Bij procuratie van 15 januari 1635 droeg Jan Ingels, zijn zwager Hendrick van der Stock, wonende in Leiden, op om een huis te verkopen dat hij in Leiden bezat en dat hij had verworven van zijn zuster Maritgen Reyniers (NA 863, not. J. van Zwieten). Bij procuratie van 8 januari 1638 benoemde hij opnieuw Hendrick Stock om een huis dat hij bezat aan de westkant van Den Haag, rechtstreeks of via opbod, van hem te verkopen (NA 867, fol. 10, Not. van Zwieten).

In Leiden is een doos in 0014 het archief van de Doopsgezinde gemeente te Leiden, 1612-1947. Onder nummer 77 met 11 stukken betreffend de oorspronkelijke eigendomsbewijzen betreffende het kerkgebouw, 1612-1668. Een band met Leiden van Mr. Simon van Veen blijkt al oud. Nummer 1. is een extract anno 1668 uit een schepenbrief van 1 juli 1608, waarin mr. Simon van Veen verklaart verkocht te hebben aan Albrecht Simonsz. Stam een erf, gelegen aan de noordzijde van het Pieterskerkhof.

Nummer 2 is een schepenbrief van 9 maart 1612, waarin namens de erfgenamen van mr. Simon van Veen aan Paulus Stock verkocht wordt een huis en erf met een onbebouwd erf daarbij, staande en gelegen aan de westzijde van de Pieterskerkstraat. Deze Paulus Stochius of van der Stock is secretaris van de Weeskamer aldaar. Deze wordt ook in Nummer 3 en 4 vermeld.

Of deze Paulus ook familie is van onze Hendrik, staat niet vast. Hij is blijkbaar geen zoon van Paulus. Maar onze Hendrik wordt genoemd in de schepenbrieven van de stad onder nummers 7 van 2 juli 1638, & 8 Schepenbrief van 24 mei 1646, waarin Hendrik van der Stock vervolgens verklaart verkocht te hebben eerst aan Jacques Viane ten behoeve van de Duitsche en Walsche gemeente, genaamd de Waterlandsche, een gedeelte erf gelegen achter het huis van de verkoper, vanouds genaamd Lokhorst, en rechts aan de huizing waar de genoemde Waterlandsche Gemeente tot elkanders stichting vergadering houdt. & aan Hendrik de Prins en Salomon Gerritsz. van Hoogmade, voorstanders en bedienaars van de Armen der Waterlandsche Gemeente en ten behoeve dier gemeente, twee erven en woningen daarop staande, gelegen achter hun kerk aan de Pieterskerkgracht [lees: straat].

Bij dezelfde kerk, met dezelfde familienaam & bekenden van de van Veens, is een familieband wel te veronderstellen.

Quirijn Adriaensz van Strijen 1575-1656, woonde in Den Haag, trouwde Maria Simonsd Van Veen in 1601. Hij is geboren op 29 november 1575 in Leiden en van beroep: rechtsgeleerde. Hij is overleden op 14 maart 1656 en begraven op 23 maart 1656 in de Grote Kerk te Den Haag. Maria van Veen is al overleden in 1605.

.

hulpverleners lastiggevallen

Er is nog wel een saillant verhaal te vertellen. Op [2-619] lezen wij dat op 17 april 1636 G Schoock aan jonkheer Ernst van Rheede stukken overlevert betreffend Drakesteijn. In een postscriptum deelt Schook nog een opmerkelijk verhaal mede. Het betreft een overval op dokter van der Gal uit Amersfoort vorig jaar bij mijn heers huisinge in Amsterdam, na bezoek aan een doodzieke patiënt Achtervelt genaamd, door jonker van Renesse in een wagen op de hei komend van het Pannenhuis waarbij hij en zijn zoon gevangen zijn genomen.

.

Is dit een vroege voorbeeld van de teneergang van fatsoen, normen en waarden? Chique is het natuurlijk niet. Maar waarom voegt Schoock onderaan het verhaal van dokter van der Gal toe? Zeker, het was een noemenswaardigheid. Zoiets wordt heden ten dage ook snel op social media verspreid, geweld tegen een arts onderweg. Maar er was nog wel iets anders aan de hand. Dokter van der Gal was misschien voor Ernst een vage bekende, voor ons nog altijd. Maar wie de jonker van Renesse was, was voor allen algemeen bekend. Dat kan niet anders..

Bij de heerlijke rechten van Ernst werd het wegengeld, een tol expliciet genoemd. Vele heerlijke rechten, de jacht, het recht van galg en rad, waren afgeleid van de Vuursche heerlijkheid. Bij de oorspronkelijke verpachting werd de leen omschreven als wat veen en een weg tussen de Baarnse Berg en de Vuursche Berg, de grens met het gerecht, de stad Baarn. Hierop zou naar de letter best tol geheven mogen worden. Maar dat zou weinig zin hebben. Vlakbij liep de Vuursche Dijk, de grote weg, een heerweg voor iedereen te gebruiken. Een tol dáárnaast op een onbetekenende paadje zou onzinnig zijn. Zo is het natuurlijk ook nooit bedoeld.

Goede interlokale wegen moesten natuurlijk onderhouden worden. Ieder was ooit verantwoordelijk voor zijn deel. Voor eigen moeite moest ieder buurschap of domeinheer bepaalde wegen onderhouden als deel van behoorlijk bestuur, zoals de landsheerlijkheid, bisschop, graaf of abdis dat verwachtten. Een heer met kasteel mocht niet zomaar ergens een tol heffen.

de situatie in 1597 door schout de Lattre genoteerd

Dat lag anders als je zelf een nieuwe weg aanlegde over jouw terrein of met toestemming over die van een ander. Dat was dan eigenlijk geen openbaar weg. Om mensen over jouw terrein te laten rijden, mocht je best een redelijk bedrag op een geordende manier innen. Het had ook eigen geld en moeite gekost. En was dan waarschijnlijk beter begaanbaar dan de oude, minder onderhouden weg.

De Vuursche Steeg wordt expliciet genoemd als horend tot het bezitscomplex. Het hoorde ongetwijfeld tot Drakesteijn in plaats van de Vuursche maar zolang het in één hand zat, maakte dat niet uit. Er bestond een oude weg naar Zeist. Op de kaart uit 1597 lezen wij in de hoek van de drie grachten van Wernaars Hofstede op een rood aangegeven terrein VII margen en daaronder claes van zuylenweg, waar onder of erboven Verhart is geschreven. Twee lijnen geven een andere weg aan iets ten westen daarvan. Op onze kaart van uit 1625 heet de eerste weg warnaerswech, erboven Dit is Dye nijeuw wech. De nieuwe weg is de Vuursche Steeg. Wernaarsweg is voor een groot deel nog wel aanwezig, al is het opgebroken in kleine stukjes.

nieuwe Vuursche Steeg met oude Wernaarsweg (rood)

Claes van Zuylen was Nicolaes, hier ook heer van Drakenburg, de andere ridderhofstad in de buurt. Ooit was alles hier van de van Drakenburgs. Zij waren al lang groot in de vervening. Al voor haar dood in 1570 droeg Josina Drakenburg, de laatste van haar geslacht, de ridderhofstad onder Baarn over aan haar tweede zoon Nicolaas, waarschijnlijk omdat haar oudste Dirk kanunnik was geworden. Deze Nicolaas trouwde Eva van Beieren Schagen en kreeg met haar zes kinderen. Hij was ook heer van Zevender, Spengen, Cockengen enz., en schout van Utrecht en in 1579 een van de ondertekenaars van de Unie van Utrecht. In 1580 werd hij opgenomen in de ridderschap van Utrecht en benoemd tot watergraaf van de Vecht. Door de partij van graaf Leicester werd Nicolaas met nog zestig andere Utrechtenaren verbannen. In 1588 werd hij in zijn ambt van schout hersteld. In 1602 was hij stadhouder van den Leenhove van de abdij van St. Paul te Utrecht. Nicolaas overleed in 1602 en ligt begraven in de Buurkerk te Utrecht, in de kapel van zijn familie.

Zijn zoon Dirck van Zuylen van Drakenburg volgde hem op, deze was getrouwd met Agnes van Brakel, ze bleven kinderloos. Dirck werd in 1622 schout van Utrecht; hij was ook dijkgraaf van de Lekdijk en houtvester van het Sticht. Hij gaat zich dan van Zuylen van Drakenburg noemen.

Na zijn dood in 1635 werd hij opgevolgd door zijn broer Johan van Zuylen van de Haer, lid van de ridderschap, schout van Utrecht en watergraaf van de Vecht. Hij trouwde in 1593 met Agnes van Renesse tot ter Aa, met wie hij een zoon Dirk kreeg. In 1607 trouwde Johan, inmiddels weduwnaar, met Geertruyd van Lennep, een dochter van Catharina van Renesse; zij kregen geen kinderen.

Johans zoon Dirk was eveneens schout van Utrecht, deze bleef ongehuwd en is gestorven vóór zijn vader. Daarom wees Johan per testament zijn achterneef Johan van Renesse van Moermont als erfgenaam aan. Deze was een kleinzoon van Johans zuster Cornelia van Zuylen. Deze jonker was nog maar een kind in 1636. Johan Ernst van Renesse van Moermont echter was zijn vader. Rond 1580 geboren is hij rond 1620 getrouwd met Gijsbertha van Baexem, Vrouwe van De Haar‏‎ en oomzegger van Claes. Dit moet onze jonker zijn.

Van Drakenburg had weliswaar Drakensteijn verkocht, en een klein stukje grond erbij, Het familiebedrijf Drakenburg had nog aangrenzend land, dat misschien ooit vanuit Wernaars Hofstede bewerkt werd. Dat betrof land aan hen persoonlijk verpacht, als familie of hooguit aan de heerlijkheid Drakenburg, maar in elk geval niet deel van Drakesteijn. Op [2-610] legt de abdisse Walborch Bor van Amerongen uit dat haar landen misschien grenzen aan Drakesteijn maar niet ervan deel uitmaakten.

Het gedoe begint al in 1569 als de nieuwe heer van Drakestein, Charles van Bourgogne mensen uit Baarn een derde slotgracht laat graven. Dat was land van het Vrouwenklooster, in gebruik gegeven aan de van Drakenburgs. In 1597 is er een van Zuylenweg en even verder ten westen een nieuwe weg. In 1625 zijn er twee concurrerende wegen. De oude Wernaarsweg en de Vuursche Steeg, waar de heer van Drakenstein tol over hief. Die moet dan ook veel beter begaanbaar geweest zijn..

Het is ook de tijd waarin het administratieve centrum van het schoutenhuis, Everts Huis, aan het begin van de oude weg naar het Pannenhuis aan de kop van de nieuwe weg verschuift. Daar stond ook de tolboom die tegen betaling geopend werd. Op een achttiende-eeuwse prent van de Vuursche zien we de tolboom. Het jaartal op de gevel leest 1654. Het bedoelde pannenhuis is dus nog iets ouder of er moet toen een grote verbouwing aan het huis zijn voltooid. Vrienden van het huis zullen omdat ze bijvoorbeeld als arts naar het dorp waren gekomen, net als de bewoners van de Vuursche wel gratis hebben mogen gebruikmaken van de weg.

Er bestond dus een conflict tussen twee voorname families over rechten op het veenland. In 1636 zaten de emoties nog hoog. De dokter nam met zijn zoon een wagen naar huis. Van Renesse was misschien officieel schout van Drakenburg. Misschien was hij als een bedrijfsleider toevallig nog op het land van zijn familie. Hoe dan ook, hij dacht waarschijnlijk dat hij op hun eigen land bij ongeregeldheden mocht ingrijpen en boetes mocht opleggen, wat waarschijnlijk ook wel zo was. De heer van Drakensteijn of zijn vertegenwoordiger mocht dit toch ook op zijn heerlijkheid.

.

We kunnen ons voorstellen dat het tegen zonsonder liep en dat de dokter niet goed bekend was met de situatie bij het dorp. In plaats van direct de weg naar rechts te nemen nam hij waarschijnlijk de oude weg, die voor het slot liep en dezelfde richting nam. Daar begaf hij zich op terrein van Drakenburg. Mocht de dokter in dienst van de Vuursche & Drakesteijn gratis over de Vuursche Steeg rijden, Claes van Zuylen had toch ook hier ooit kosten aan zijn weg gemaakt, want in 1597 is aangetekend Verhart. En als zijn buurman geld vroeg voor zijn weg, mocht van Drakenburg dan ook niet een tol eisen als één van de andere club gebruik dacht te maken van de Drakenburgse Wernaarsweg? Zo zal jonker Johan Ernst het kunnen hebben opgevat. De dokter werd staande gehouden. Die had geen zin te betalen, hij was hier als arts naartoe gekomen. Woordenwisseling, aanhouding. Allemaal zeer onverkwikkelijk. In 1671 zou het uiteindelijk goed komen als de familie van Zuylen zelf de heerlijkheden de Vuursche en Drakesteijn aankoopt. De tolboom bleef echter daar functioneren tot in de negentiende eeuw toen het door Bosch v D. werd verplaatst. Halverwege de vorige eeuw zijn de meeste tollen in Nederland opgeheven.

FEEDBACK ?

YJK

addendum

Nooit verwacht en dan toch gekregen. Volgend aflevering nog meer over deze kaart van de loting uit 1626 en nog een kaart uit de tweede helft van de 18de eeuw.