Object van de Maand juni/juli 2025

Vondst van het Jaar 2024

het strijkglas van Nederhorst

Een bijzondere vondst is het strijkglas. Opmerkelijk genoeg is dit object gevonden tijdens het zeven en niet tijdens het graven en verwijderen van de grond. Het betreft hier een bol van ondoorzichtig massief glas.

Voor onze regio een zeldzame vondst. Vaak gaat de geschiedenis over de machtige heren, eventueel hun vrouwen en kinderen. Hun portretten sieren de wanden op de gang en in de zalen. Prachtige uitdossingen sieren de Hollandse lijven. Maar er zijn natuurlijk ook de verhalen achter de fabricage van de stoffen, van het wit houden van het linnen op de blekerijen.

.

Hier hebben we een object dat ons terugbrengt bij het personeel van een groot huishouden. De strijkvrouw heeft er mede voor gezorgd dat die kleren op het schilderij er zo goed uitzien. Ook als het gewone leven op het kasteel zijn gang ging, moest de strijkster met de nodige inspanning dit glas hanteren. En haar verhaal mag in dit object een keer de aandacht krijgen dat het verdient.

archeologische context

De vondst is gekomen uit het onderzoek naar de grond onder het souterrain van kasteel Nederhorst in Nederhorst den Berg, waar de keuken zich bevindt. Al het graaf-, zeef- en detectiewerk leverde honderden vondsten op in de categorieën metaal, bouwmateriaal, steengoed, pijpjes, aardewerk, bot etc. Deze vondsten zijn in diverse bijeenkomsten (vanaf november 2024) gedetermineerd en opgenomen in een index.

.

Een deel van de vondsten deden onze leden tijdens het verwijderen van de grond. Veel vondsten zijn ook gedaan op het bordes aan de gracht, dus buiten het Kasteel. Hier was een deel van de grond waarop het bordes rustte uitgegraven. Deze laag bevatte veel meer vondsten dan de keukenruimte. Het bordes is een relatief recente toevoeging aan het Kasteel en het is niet bekend waar destijds de grond vandaan is gehaald. De vondsten (waaronder veel botjes en veel aardewerk) doen een ‘keukencontext’ vermoeden. Mogelijk is dus grond gebruikt uit ruimten naast de keukenruimte en buiten het Kasteel in de buurt van de keukenruimte.

.

Het oudst gevonden muntje is een sterling van Jan III van Brabant. Het type is geslagen tussen 1329 en 1337. De oudste scherven zullen niet veel ouder zijn. De vondsten lijken in hun datering door te lopen tot in de 19de eeuw. We gaan ervan uit dat met het verdwijnen van pruiken en kantkragen een wijdverbreid gebruik en productie van strijkglazen afneemt. Er zijn echter wel aanwijzingen dat het gebruik van strijkglazen nog lang hier en daar doorging. Heden ten dage worden ze misschien nog af en toe gebruikt bij klederdrachten.

type sterling Jan III van Brabant (1329 – 1337)

We kunnen dus vermoeden dat het glas tussen de 14de, eventueel eind 13de eeuw en de 18de eeuw is gemaakt. Het is mogelijk dat het glas gekoppeld kan worden aan een bepaald productieplaats en tijd. Om glas te maken zijn er drie belangrijke bestanddelen nodig: zand, kalk en alkali. Silicium, siliciumdioxide of SiO2 is de belangrijkste component van glas en maakt doorgaans zo’n 75% deel uit van de samenstelling van glas. Dit silicium zit in alle soorten kwarts waarvan zand de meest gekende en gemakkelijkst te verkrijgen vorm is.

Om de smeltpunt van het zand te verlagen wordt een alkali gebruikt. Om de alkali vast te zetten, het glas waterdicht te maken, wordt kalk toegevoegd. Na2O, soda wordt als alkali veel gebruikt. Potas of K2O gaf iets betere glas en is net als soda as dat verkregen werd uit plantaardig materiaal maar in dit geval niet van kustplanten maar kaliumrijke inheemse planten, zoals beuk, eik of spar. Daarom is het dat men bij potasglas ook spreekt van woudglas.

.

Een nog hogere kwaliteit verkrijgt men door wat lood toe te voegen, hetgeen het smeltpunt ook wat verlaagd. Het gevonden strijkglas krijgt zijn mooie blauwe tint door aanwezigheid van kobalt. Aanwezigheid van ijzer zorgt voor het donker maken van het glas. Glas met veel ijzer kan er wel zwart uitzien. De precieze chemische samenstelling kan diagnostisch zijn voor een bepaalde, historisch bekende productie. Het zou de analyse waard zijn.

strijkglazen in de tijd

.

We lezen bijna overal waar men een strijkglas in een collectie heeft dat dit oorspronkelijk uit Scandinavië afkomstig is, waar de Vikingen ermee bijenwas in hun wollen kleding aanbrachten om deze waterdicht te maken, het zogenaamd kalanderen.

Ongetwijfeld zijn daar bewijzen voor. Maar of het strijkglas door de Noordmannen ( of vrouwen) ook hiervoor is uitgevonden, is maar de vraag. Bij nader onderzoek blijk er een exemplaar uit Nijmegen te bestaan, naar verluid afkomstig uit een romeins graf. Hiermee zou de oorsprong van het strijkglas enkele eeuwen zijn vervroegd.

Strijkglas Nijmegen (foto Louis Swinkels)

Gelukkig bezitten wij sinds 2011 een academische studie naar het strijkglas in Nederland en België. Strijkglazen in de Lage Landen, Status quaestionis, inventarisatie en analyse voor Nederland en Vlaanderen, door Frederik De Kreyger. We zullen ruim uit zijn onderzoek naar de in totaal 123 Nederlandse en 11 Vlaamse in 2011 bekende strijkglazen citeren.

Kleding gaat naar de huidige inzichten meer dan 100.000 jaren terug. Als kleding gedragen werd, zal het ook gereinigd moeten zijn. Op enig moment zal men begonnen zijn met het strijken van kleding. In de prehistorie vermoeden we dat natuurlijk gevormde stenen, vuistgroot met een gladde, iets geronde platte onderkant. Veronderstellen is één, een archeologische context vinden bij een mogelijke strijksteen is wat anders. Als ze gebruikt werden maar geen status hadden, kwamen ze niet in de graven terecht. En werden deze stenen sowieso herkend.

Een goed beschreven voorbeeld van zo’n stenen exemplaar is een vondst uit een nederzettingscontext uit Keulen (Roehmer M., 1998 in Steppuhn P., 1999: 114). Het gaat om een exemplaar in rode graniet. Aan de hand van de kleine indrukken die op de strijksteen te herkennen zijn, wordt vermoedt dat het object met beitel en hamer werd gevormd, tot het een soortgelijke vorm aannam van een strijkglas.

.

Het oppervlak van de strijksteen werd ook microscopisch onderzocht. Op de convexe zijde werden dezelfde soort gebruikssporen aangetroffen dan dat er op de glazen varianten te vinden zijn. Daaruit mag dus geconcludeerd worden dat deze strijksteen voor dezelfde doeleinden werd gebruikt als de strijkglazen (Steppuhn P. 1999: 114).

De oude Egyptenaren streken hun kleding. De Grieken gebruikten grote ijzeren staven hiervoor. Ook bij de Romeinen was strijken mannenwerk en werden metalen blokken gebruikt. De Chinezen zouden in de eerste eeuw de kooltjes strijkijzer hebben uitgevonden. In de loop van de middeleeuwen vinden deze steeds meer hun weg naar onze streken.

.

Toch lijkt het strijkglas in West-Europa boven de Alpen sinds de vroege middeleeuwen al wijd verbreidt met als middelpunt wat geduid kan worden als de Noordzee cultuur. Ook de strijk- of mangelplank wordt al heel lang gebruikt voor platte lappen zoals lakens en doeken. De stof werd om een houten rol gewikkeld, die vervolgens met de plank heen en weer werd gerold. Dit was de voorloper van de mangel waarmee steeds grotere lappen stof glad geperst konden worden. Een heel grote mangel, ter grootte van een biljart, met twee rollen en een verzwaard bovenblad, staat op zolder in de borg van Landgoed Verhildersum, Groningen. Ook persen werden gebruikt. Die hebben losse planken op elkaar liggen waar het goed tussen gelegd wordt. De planken worden dan via een schroefmechanisme strak op elkaar gedrukt.

Romeins?

Maar heeft Nijmegen een valide claim op het oudste Strijkglas? De Kreyger gaat hierop in:

“2.1.1 STRIJKGLAZEN IN DE LAAT-ROMEINSE PERIODE?

Doorheen het onderzoek waren er verschillende, hoofdzakelijk oudere, bronnen die het bestaan van Romeinse strijkglazen naar voor brachten. Dit had tot gevolg dat wanneer er in bepaalde archeologische rapporten uitleg werd verschaft over strijkglazen, er ook vaak bij vermeld werd dat deze exemplaren al voorkwamen in de laat-Romeinse periode, zonder dat er hiernaar uitvoerig onderzoek was gebeurd.

.

2.1.1.1 Nijmegen (Nederland)

Zo zou in een bepaald laat-Romeins graf rond Ulpia Noviomagus, beter gekend als Nijmegen, een strijkglas zijn gevonden. Het graf werd, via ander en beter dateerbaar materiaal, geplaatst in de late 3de eeuw nc. (Roes A., 1965: 43). Aangezien strijkglazen niet gekend zijn in de mediterrane wereld, zou dit dus wijzen op eerder een fenomeen dat beperkt bleef tot het noorden van het Romeinse Rijk, dat waarschijnlijk zijn wortels had bij lokale groepen die in deze gebieden verbleven. Het probleem dat Roes vervolgens zag, is dat de strijkglazen gedurende 4 eeuwen verdwijnen om plots weer rond de 7de eeuw op te duiken. De reden die Roes hiervoor geeft is het feit dat het gebruik van linnen afneemt op het einde van de laat-Romeinse periode in onze streken. Wol was vanaf de 4de eeuw meer in gebruik dan linnen. Aangezien wol een veel grovere structuur heeft dan linnen kan een strijkglas niet echt gehanteerd worden om eventuele plooien uit deze stof te halen (Roes A., 1965: 43).

Een zgn. Ossetong. Gebruikt voor o.a. het strijken van de binnenkant van mouwen.ong. 1700

Na contact met Drs. L.J.F. Swinkels, hoofdconservator van het museum Valkhof te Nijmegen waar het strijkglas dat Roes beschrijft zich bevindt, werd het duidelijk dat het strijkglas afkomstig is uit rioleringswerkzaamheden uit 1929 aan de Voorstadslaan in Nijmegen. Het exemplaar werd dus niet gevonden tijdens een archeologische opgraving. De eerste vermelding van dit strijkglas is reeds terug te vinden in een publicatie van Brunsting H. (Brunsting H., 1937: 184). De enige uitleg dat hier wordt meegegeven is weerom de vindplaats en de vermoedelijke ouderdom van het graf waarin het strijkglas zogezegd in werd aangetroffen. De stelling die Roes A. naar voor bracht berustte enkel op dit ene strijkglas waarvan eigenlijk niet eens duidelijk is of het wel tot een Romeinse grafinventaris behoort. Dit is later ook overgenomen in een publicatie van Wild waarin hij de textielproductie voor de noordelijke Romeinse provincies naging (Wild J.P., 1970: 15, 85). 2.1.1.2 South Fields (Groot-Brittannië)

.

De vermelding van strijkglazen in de laat-Romeinse periode is echter niet alleen terug te vinden in Nederland. Zoals hierboven vermeld illustreert Wild in zijn publicatie ook de vondst van een Romeins strijkglas dat in Engeland werden aangetroffen, meer bepaald in South Fields, Newcastle (Wild J.P., 1970: 15). Over deze vindplaats en het strijkglas in het algemeen, is echter weinig informatie beschikbaar waardoor het zeer moeilijk was om hierover een duidelijk idee te schetsen of het nu al dan niet gaat om een Romeins exemplaar.

2.1.1.3 Nordwestecke (Zwitserland)

Het strijkglas dat in deze publicatie wordt beschreven is een steelmodel van 12,5 cm hoog met een diameter van 9 cm, een gewicht van 760 gr. en is afkomstig uit Nordwestecke in Zwitserland (Steiger R., Schwarz G., Strobel R., Dobbler H., 1997: 209). Nu wordt er hier wel gesproken over een Romeins exemplaar, het is echter niet duidelijk uit welke vondstcontext het strijkglas afkomstig is. Afgaand op de vorm lijkt het veeleer om een 17de – 18de eeuws model te gaan. Ook de diameter van de strijkbol wijst in de richting van een exemplaar uit de Nieuwe Tijd. Afbeelding : Strijkglas uit Nordwestecke (Steiger R., et Al., 1977: 330)

Strijksteen of glanssteen van rood aardewerk, groen geglazuurd, ronde voorkant, collectie Museum Rotterdam, 15487

2.1.1.4 Esbeck (Duitsland)

In diezelfde publicatie van Steiger wordt er ook melding gemaakt van nog een strijkglas in Esbeck, Duitsland. De auteur meldt dat de diameter bij dit object opvallend kleiner is dan het voorwerp uit Nordwestecke. Volgens Macquet is er dan ook een evolutie te zien in de strijkglazen doorheen de eeuwen heen. De Romeinse exemplaren zouden maar een diameter van gemiddeld 4 cm vertonen (Macquet C., 1990: 324). Vanaf de Merovingische en Karolingische periode ziet Macquet het aantal fors toenemen alsook de diameter die vanaf dan ongeveer 7 cm bedraagt (Macquet C., 1990: 324).

2.1.1.5 Colleville (Frankrijk)

.

In het artikel van Macquet wordt ook verwezen naar een archeologisch rapport van de Bouard, die een 3de eeuws “Romeins” strijkglas beschrijft uit Colleville, Seine-Maritime in Frankrijk (Bouard de M., 1970: 276). De site in Colleville, genaamd Petit Moulin, staat bekend om de vondst van een villastructuur waarvan de eerste occupatieperiode terug te brengen is tot de tijd van Augustus. Deze periode duurt tot het einde van de 2de eeuw, wanneer het gebouw is afgebrand. Vervolgens gaat er een nieuwe fase van start waarbij het gebouw bijna op identieke wijze wordt heropgebouwd, met hier en daar een paar kleine wijzigingen. Uiteindelijk zal de tweede occupatieperiode duren tot het laatste kwart van de 3de eeuw waarna de villa voorgoed verlaten wordt (de Bouard M., 1970: 276). Uit de eerste occupatielaag zou het strijkglas afkomstig zijn, samen met wat terra sigillatamateriaal en een vaas. De foto bij het artikel doet inderdaad vermoeden dat het hier om een strijkglas zou kunnen gaan. Jammer genoeg zijn er geen afmetingen vermeld bij de vondst.

2.1.1.6 Analyse

Op basis van de vindplaats kan maar bij één exemplaar (Nijmegen) gezegd worden dat het hier vermoedelijk niet om een Romeins exemplaar gaat. Voor het strijkglas uit Nordwestecke is het dan weer de vorm dat aangeeft dat deze vondst niet als Romeins bestempeld mag worden. Het pletglas uit Esbeck is verdacht door zijn kleine diameter. Als men echter aandachtig kijkt naar de vorm van de voorgestelde kleine strijkglazen die met zekerheid aan Romeinse contexten kunnen gelinkt worden, valt op dat het in deze gevallen ook kan gaan om speelstenen of glazen versieringen. Als de vorm van de Romeinse speelsteen uit de publicatie van Charlesworth naast de vormen van de strijkglazen gelegd worden, dan valt er duidelijk een grote gelijkenis op (Charlesworth D., 1981: 293-298).

.

2.1.1.7 Conclusie

Voor zover er enige beschikbaarheid was van de bronnen, kan bij minstens 3 van de 5 vooropgestelde ‘Romeinse’ strijkglazen beweerd worden dat het hier gaat om enerzijds exemplaren uit een andere periode, anderzijds om een ander voorwerp dan een strijkglas. De gedachte dat deze strijkglazen effectief voorkwamen in de laat-Romeinse tijd berust dus eerder op slechte opgravingsverslagen of aan het gebrek van kennis van het materiaal. Ook het geringe aantal gevonden exemplaren voor deze periode doet al vermoeden dat het hier gaat om een zekere misvatting, aangezien het moeilijk te begrijpen is dat zo’n gebruiksvoorwerp zo een lage kwantiteit aan vondsten heeft, terwijl de contacten en overdrachten van nieuwe technieken en materialen in het Romeinse rijk juist zeer snel en efficiënt gingen.”

.

Kan een Normandisch stukje glas een zoveelste Romeinse sprookje van Nijmegen redden? Dus men zou vanuit Nijmegen navraag kunnen doen naar het glazen speelschijfje. De Kreyger had er blijkbaar in 2011 al niet veel fiducie in.

Nu bestaan er twee Colleville’s aan de Normandische kust, in het departement Calvados. Colleville-Montgomery nabij Caen, voor de Tweede Wereldoorlog Colleville-sur-Orne genaamd, is een gemeente en telde op 1 januari 2021 slechts 2.537 inwoners. Colleville-sur-Mer bij Bayeux telde slechts 172 inwoners.

Het is dus niet duidelijk in welk van deze twee de goutte de pâte de verre gevonden is. Je kunt navraag doen naar alle gouttes de verre in de streek. Als het speelschijfje toch vuistgroot blijkt, is die niet af te schrijven. Er zou met de microscoop op de onderkant naar sporen van het strijken gekeken worden.

strijkglas uit Amerongen

Misschien dan kan het glas van Nijmegen opnieuw bekeken worden. Blijkt Colleville toch het oudste ter wereld. Want daar heeft het in elk geval wel duidelijk een archeologische context. Wel zou Nijmegen, als hun vondst erg op die Franse gelijkt, eventueel aanspraak maken op het oudste Nederlandse strijkglas.

Als dit allemaal reeds is uitgezocht, voegen wij uiteraard gaarne een addendum aan dit stukje toe. Cultureel staan deze glazen dan wel geïsoleerd van alle latere vondsten, als curiosa enkele eeuwen te vroeg en vrij perifeer. We moeten met de huidige (2011) stand van onderzoek ervan uitgaan dat het strijkglas zijn ware intrede in de cultuur doet in de vroege middeleeuwen.

middeleeuwen

vroeg middeleeuwse strijkglasvondsten in Nederland (Bartels 2009)

De Kreyger zet uiteen: “2.1.2 VROEGE MIDDELEEUWEN

Bij een eerste kijk op de documentatie over strijkglazen valt op dat ze vaak in relatie staan met de Vikingen. De reden hiervoor komt door het grote aantal vondsten ervan in aan Viking-gerelateerde contexten. Ze worden zowel aangetroffen in stedelijke contexten als in grafcontexten. Voornamelijk in de steden Birka, Haitabu, York en Dorestad zijn er grote aantallen gevonden. Deze steden waren zeer belangrijke centra ten tijde van de Vikingexpansie. Ook in de vele graven, van Engeland tot Scandinavië, werden deze strijkglazen aangetroffen. Het gaat voornamelijk om vrouwengraven. Toch werd er in Birka ook een mannengraf aangetroffen waarin zich een strijkglas als grafgift bevond (Haevernick T.E., 1965: 133). In totaal zijn er voor de Vikingperiode maar twee mannelijke graven gekend waarin een strijkglas werd gevonden. Naast Birka gaat het om een vikinggraf in Skerstad, Noorwegen (Steppuhn P., 1999: 116).

.

Strijkglazen werden vooral gebruikt om textiel uit linnen mee glad te strijken. Het basismateriaal om linnen te vervaardigen is vlas. Bartels ziet een verband tussen de introductie van vlas op de Britse eilanden en de opkomst van strijkglazen (Bartels M., 2009: 106). Door de immigratiestromingen van de Vikingen op Engels grondgebied, hun vele invasies en hun handelscontacten met de grote steden York, Londen en Hamwic, brachten de Noormannen ook hun eigen tradities mee. Bij deze traditie hoort natuurlijk ook hun klederdracht. Het cultiveren van vlas was al langer gekend bij de Vikingen en werd omstreeks de 8ste eeuw geïntroduceerd in het huidige Engeland. Het linnen, werd zo ook weid verspreid onder de lokale bevolking en daaraan gekoppeld ook het strijkglas (Bartels M., 2009: 106). Bartels ziet ook dat strijkglazen in onze streken al voorkwamen voor de komst van de Vikingen maar op een veel kleinere schaal (Bartels M., 2009: 107).

nederlandsopenluchtmuseum_NOM.47436-74

Naast Bartels zijn er nog andere bronnen die de plotse stijging van strijkglazen rond de 7de – 8ste eeuw koppelen aan een verandering in het modebeeld van deze periode. Vooral de introductie van de geruite keperstof en het geplooide linnen zouden er voor gezorgd hebben dat ook het strijkglas, als toen meest geschikt instrument voor het gladstrijken van deze stoffen, een duidelijke opbloei kende (Vince A., 1991: 173). De grote opkomst van linnen in Europa is echter pas rond eind 9de eeuw te zien. Vanaf de 11de eeuw zal wol weer zijn dominante marktpositie innemen op gebied van textielstof (Collins B., Ollershaw P., 2003: 2-3). De reden waarom in onze streken deze klederdracht werd overgenomen valt te verklaren aan de hand van analyse van de hier aanwezige Vikingen. Vaak behoorden ze tot de elitaire klasse en kwamen zo ook in contact met de lokale elite van onze gebieden (Bartels M., 2009: 107).

16e eeuws gesmeed strijkijzer. 13,5 cm lang, 8,5 cm hoog en 3,8 cm breed

Een belangrijke vraagstelling richt zich op de productieplaats van strijkglazen. Uit onderzoek bleek dat deze op het vasteland werden vervaardigd en van hieruit geïmporteerd werden naar Scandinavië. De geïmporteerde strijkglazen zouden oorspronkelijk afkomstig zijn van glasproductiecentra in het Rijnland en het Frankische gebied (Schmaedecke M., 1998: 97). Dit zou kunnen bijdragen aan de status dat dit voorwerp met zich meekreeg, wat natuurlijk reflecteerde op zijn eigenaar. Dit zou een reden kunnen zijn waarom zoveel strijkglazen in Vikinggrafcontexten worden aangetroffen.”

varia

.

De hoeveelheid dateerbare strijkglazen (in 2011) worden in de grafiek weergegeven. Vermoedelijk stopt na 1800 de traditionele productie, al zijn ze in gebruik nooit helemaal verdwenen. Men spreekt hier en daar het vermoeden uit dat men toen nog wel sierlijkere exemplaren als presse-papier is gaan maken.

Vermoedelijk hebben diverse oude, traditionele glazen als dusdanig ook hun plek op menig bureau gevonden. Ze hebben de tactiele kwaliteiten ervoor. Er bestaan ook goede aanwijzingen dat de glazen in de 17de en 18de eeuw andere toepassingen kenden. In de keuken bijvoorbeeld in plaats van een vijzel. Schilders, drukkers en apothekers hebben ze gebruikt. Ook bij het maken van handgeschept kwaliteitspapier schijnen zij wel gebruikt te zijn om oneffenheden weg te werken.

Strijkglas uit Nordwestecke (Steiger R., et Al., 1977, 330)

Uit die jaren zullen ook de exemplaren met steel dateren. Of we deze ook als strijkglas moeten kwalificeren? Vorm en formaat van de glazen wordt enigszins beperkt door hoe ze gebruikt worden. Strijkijzers kennen een groot verscheidenheid in vorm. Ze kunnen breed of smal zijn, groot of klein, al naar gelang de behoefte was. En daar bestaat het verschil tussen de traditionele bout en de varianten met kooltjes reservoir. Ook bestaan er aardewerken strijkbouten.

Zeldzaam is een als broodje of baksteen uitgevoerde glas. We weten niet zeker dat dit voor het strijken is gemaakt maar waar zou die anders voor gediend kunnen hebben?

Donker (zwart)glas. 11 cm lang en de vlakken zijn 2,8 en 3,8 cm breed. Datering niet bekend. Vindplaats omgeving Breklenkamp (Twente)

De grote verspreiding van strijkglazen zien we terug in het aantal overgeleverde namen voor het object. Strijkglazen staan bekend onder namen als pletsteen, grittelsteen, sliksteen, glanssteen, gladsteen, leksteen en liksteen. Mogelijk stammen bepaalde uitdrukkingen en gezegden af van het poetsen met een liksteen, zoals ‘er gelikt uitzien’. Ook in het buitenland zijn er verschillende namen bekend. Zo noemt men de glazen in het Engels ook wel “linen smoother’ of ‘slickstone”. In het Duits worden de glazen ‘Gnidelstein’, ‘Plättstein’ of ‘Glättstein’ genoemd.

In de Nederlandse archieven lijkt ieder vermelding te ontbreken. We hebben er maar één. Het gaat om een boedelinventaris van de heer Jan Cock en zijn overleden echtgenote Corneliske Peters uit Groningen, Nederland. In deze inventaris die is opgesteld op 21 januari 1697, is er een vermelding te vinden van een glazen “licksteen” (Lenting J.J., Van Gangelen H., Van Westing H., 1993: 569). Naast de beschrijving van het voorwerp wordt ook de geschatte waarde van het exemplaar meegedeeld, een bedrag van 4 penningen.

Laurentius met attribuut op een muurschildering in de kerk van Överselö, Södermanland, Zweden

Rondom strijkglazen was er ook in die katholieke middeleeuwen een beschermheilige. Sint Laurentius van Rome, zou op 10 augustus 258 vanwege zijn christelijk geloof letterlijk zijn geroosterd. Hij werd de beschermheilige van onder andere boekhouders, koks en brandweerlieden en bijvoorbeeld de stad Rotterdam. Hij was in het bijzonder zowel beschermheilige van glasblazers als van alle strijkers. We steken een symbolisch kaarsje voor hem op uit dankbaarheid voor onze eigen strijkglas uit Nederhorst. Terecht uitgeroepen tot Vondst van het Jaar 2024.

de trotse vinders, Johan & Miranda

aanvullingen of reacties?

YJK