oktober 2024

Aanklacht wegens Geschiedvervalsing (1)

zaak

Ik, Yankel Kobalowitz, oudheidkundig onderzoeker van de Vuursche klaag aan

Dr. Laurens Philipe Charles van den Bergh (Düsseldorf, 20 juni 1805 – Den Haag, 17 september 1887), de latere Rijksarchivaris

wegens zijn zogenoemde Harmarkerus brief

gepubliceerd in Utrechtsche Volks-Almanak voor het jaar 1846.

inleiding

Dr. Jan Albert Bakker was in zijn beoordeling van de beschuldigde redelijk mild in zijn behandeling van het incident, door mij overgenomen in de steen van de Vuursche. Inderdaad was het midden van de 19de eeuw een tijd van pastiches, ook van een zichzelf ontdekkend Vaderland.

Dat verklaart de enthousiaste ontvangst van de ontdekking, de verspreiding van de leugens welk tot op de dag van vandaag doorwerken. Daarom acht ik het na bijna 180 jaar nog tijdig hier werk van te maken.

Ongetwijfeld heeft hij zijn daad later in zijn grote carrière toen de onhoudbaarheid van zijn verhaal evident werd, en petit comité het gebeuren als jeugdige transgressie, een grapje afgedaan. Nooit heeft hij formeel afstand genomen van het verhaal van zijn vondst. Niet voor de lezers van de Utrechtsche Volks-Almanak, niet als kanttekening in één van zijn talloze, met gemeenschapsgeld betaalde publicaties, noch een brief naar de Navorser, noch in enig ander werk.

Los van de kwestie van daders zogenaamde interpretaties ervan, de brief is met veel spitsvondigheid opgesteld en getuigt van een goede kennis van toenmalig beschikbare kennis. Het was een echte coup, een novum van consequentie waarmee de opkomende onderzoeker, buitenlandse archieven met Nederlandse sporen reeds toegewijd, zich als navorser van belang bewees.

Hij heeft ervan geprofiteerd. Wat heerlijk om op staatskosten in binnen- en buitenland onderzoek naar vaderlandse bronnen te mogen doen. Het dan reeds toegeven van het grapje, dus jaren voordat later onderzoek de falsificatie zouden bewijzen, zou toch op zijn minst aanleiding geven tot een nader onderzoek van zijn Gedenkstukken tot opheldering der Nederlandsche geschiedenis: opgezameld uit de archieven te Rijsel en op gezag van het Gouvernement uitgegeven, Leiden 1842 t/m 1847. Of zijn eerdere historische publicaties. En misschien dan ook zijn aanzienlijke lijst latere werken, vele van nationaal belang. Is dat misschien nog gebeurd?

In 1855 benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Was zijn vervalsing bij de toelatingscommissie bekend? In 1856 werd hij benoemd tot adjunct-archivaris nadat Bakhuizen van den Brink twee jaar eerder rijksarchivaris was geworden. Had Bakhuizen dit gedaan indien hij van de misleiding op de hoogte was? In 1865 werd dader op voordracht van Thorbecke na het overlijden van Bakhuizen van den Brink benoemd tot rijksarchivaris. Tot 1887 heeft hij daar twaalf jaar lang de scepter gezwaaid. Wist Thorbecke hier iets van?

Dat hij de hele geschiedenis later dan maar verzweeg, lijkt mij verwerpelijk maar begrijpelijk. Zijn status als onderzoeker was als Rijksarchivaris zeer hoog. Hij had zonder veel schade erop terug kunnen komen. Of eerlijk ophoesten, het grapje benadrukken of met een ander kwetsverhaal komen dat beter stand hield. “Ik had het slecht leesbare perkament slechts bij kaarslicht kunnen aanschouwen maar kreeg van de broeder meteen een transscript mee, dat ik later heb nagelaten te controleren” of “het was later verdwenen, verkocht, verbrand”. Keuzes te over maar de toevoeging dat het niet echt was, had de zaak wel gered.

Was het eerzucht dat hem dwong zijn overigens hoogstaande wetenschappelijke principes te corrumperen? Catch 22, damned if you, damned if you don’t. Het was toch een smetje op een glanzende carrière. Het geheel van daders oeuvre is indrukwekkend. En juist op zijn grote gezag heeft zijn vaderlands bouwend, goed bedoelde gebbetje dan toch in bepaalde kringen een eigen leven gekregen. En dat nog tot op vandaag!

document

transcriptie naar het origineel (cursief gedrukte namen zijn van de auteur.)

VAN

BROEDER HARMAKERUS

en AAN

BROEDER GOZELINUS

TE KEULEN,

Over zijne reis door het sticht van Utrecht ín het laatst der negende eeuw.

Medegedeeld door L. Pa. C. v. D. B,

Dilectissime frater in Domino. Als ik bedenk den overvloed van gebeden, die onze broeders voor mijne behoudene reis naar de grenzen der Christenheid hebben uitgestort, en de offeranden van vele vrome mannen aan de Heiligen, om hunnen bijstand voor mij te verwerven, dan voel ik mij gedrongen , dilectissime frater, u te melden , wat mij hier is wedervaren bij den zeer eerwaardigen heer bisschop Odilbald, en hoe ik het landen het volk in deze streken, die helaas! van de godvergetene heidensche Noormannen zoolang geplaagd zijn, hij mijne reizen gevonden heb.

Toen onze eerwaardige heer abt mij uit Keulen naar Trajectum (dat zij hier Treht en Utrec heeten) gezonden had, ben ik op een schip met twee broeders den Rijn afgevaren, en na eenige dagen landde ik behouden aan. Onze broeders, die hier binnen de wallen een steenen klooster bewonen, hebben mij met aandoening welkom geheeten, en de zeer eerwaardige heer bisschop verwaardigde mij met zijnen zegen. Zes dagen heb ik mij daar opgehouden, en ook de kerken van S. Maarten en S. Salvator bezocht, die helaas! door de goddelooze Noormannen geplunderd zijn, en meer dan half verwoest liggen, zoodat de dienst niet naar den eisch eener cathedrale kerk, maar zoo als het naar de omstandigheden mogelijk was, moest gevierd worden; en de tranen vloeiden uit mijne oogen; als ik overdacht, hoe vele ontheiligingen daar gepleegd waren, en welke rampen onze broeders hadden moeten verduren.

Evenwel Gode zij dank, de heilige kerk is staande gebleven onder alle beproevingen, de heidensche offeranden en plegtigheden hebben opgehouden, en de oude vijand, de aanstoker des kwaads, de duivel, die vermetel genoeg “was, een’ ontzaggelijken steen tegen de muren der kerk te slingeren, is door de krachtige middelen der H. kerk bedwongen, erf de steen is aan den grond vastgeketend geworden.

Maar helaas! hij heeft in het hart der inwoners zijn zaad gestrooid. In plaats van boete te doen, te vasten en te weenen over de rampen der Christenheid, is weelde en overdaad doorgedrongen, en niet alleen onder de edelen , maar ook zelfs onder het volk; want in plaats van eenvoudige haren of lederen wambuizen ziet men hen met prachtige Friesche mantels rondwandelen , en de wijnhandel bloeit hier van wegen de onophoudelijke drinkgelagen , waaraan zich zelfs, ik schaam het-te zeggen, de dienaren des Heeren, buitensporig overgeven.

De edelen, die rondom de kerk en aan de haven des Rijns in steenen huizen wonen, bewijzen ons goede diensten, om de vijanden der kerk af te weren, maar zij gebruiken ook het zwaard tegen elkander, tot zelfs in de nabij heid der cathedrale, en maken geene zwarigheid als het hun goeddunkt, de schamele woningen der koop- of handwerkslieden, die hier in grooten getale van hout en kalk opgerigt zijn, in brand te steken of te plunderen, dat de ambtlieden van den heer bisschop niet altijd kunnen beletten, omdat de stad aan niemand voor het geheel behoort, maar elk edelman zijne huisluiden heeft. De praefectus urbis doet echter wat hij kan, en de heer bisschop spreekt dikwijls woorden van vrede, of roept den advokaat der kerk tot beteugeling der euvelmoedigsten in.

Ten gevolge van mijnen last heb ik ook de om liggende streken doorreisd, waarvan een groot deel, door de milddadigheid der vorsten, vromer nagedachtenis, Pepijn, Karel en Lodewijk en die van andere godzalige Christenen, aan de Trechtsche kerk in eigendom behoort. Het eerst begaf ik mij naar Fehtna (Vechten), waar ik met groote vreugde de overblijfselen der vernielde heidensche afgodsbeelden en altaren beschouwde, die door den zaligen martelaar Bonifacius en andere heilige mannen verbroken, en met de tempels der heidenen omgestort zijn. Waar vroeger Jupiter, Mercurius, Diana en andere. duivelen gediend werden, buigt het volk thans de kniën voor het H. kruis, en de hoofden, armen en rompen der afgodsbeelden liggen over de akkers en langs de wegen verstrooid.

Er is thans te Fehtna eene kapel, waar een dienaar Christi de dienst waarneemt, maar het volk heeft nog zeer vele heidensche bijgeloovigheden overgehouden, en de duivel spookt hier sterk, om ‚met zijne listen, als een brieschende leeuw de ellendig verdwaalden te verslinden. Ik heb er de H. mysteriën gevierd en den kapellaan aanbevolen, het volk door gebeden te sterken, en hun het formulier van afzwering des duivels en van alle duivelgild in te scherpen.

Vandaar heb ik ook. de kerken van Jodichem (Odijk), Wercunde (Werkhoven), Bunninchem (Bunnik), Tulle (Tul), Haltna (Houten), en Luriche bij Haltma bezocht, en ook vernomen, dat Dorestat, ondanks de herhaalde verwoestingen der heidenen, weder, als een welbebouwde akker des Heeren, met waardige geestelijken voorzien is, die in kerken en kloosters het geloof onder de menigte voortplanten.

Nadat ik hier, niet zoo als ik moest, maar zoo als ik vermogt, voor de belangen des geloofs gezorgd had, voer ik met een klein vaartuig de Fecht af tot aan Sulna (Zuilen), eene villa, eenige duizend schreden noord – westwaarts van Trajectum, van daar verder naar Marsna (Maarssen), en vervolgens naar Lonaralaca (Loenen), waar ik mede veel te doen vond. Hier wonen overal Friezen, die eenigzins anders spreken dan wij, zoodat ik meermalen den bijstand der broederen. behoefde, om mij van hen te doen verstaan ‚ en de prediking des woords niet overal die vrucht had, die men had mogen wenschen. In Lonaralaca behoort twee derde gedeelte der villa aan S. Maarten, en de villicus der kerk zorgt, dat de inkomsten en tienden behoorlijk worden opgebragt; de schepen, die uit Friesland naar Trecht varen, komen de Fecht op, en dat geeft veel levendigheid in deze streken, zoodat er gestadig koopmanschappen over en weder gevoerd worden. De oevers zijn laag en drassig, maar er zijn goede weiden, en men zegt, dat het vee er even groot is als aan den zeekant.

Na hier eenige dagen vertoefd te hebben, begaf ik mij naar Amuthon (Muiden), eene welvarende plaats, waarvan een groot deel aan de kerk behoort, ook bezit zij er de koninklijke schatting, cogschuld genoemd, die van de schippers betaald wordt; welke van de zee Almere daar binnenkomen, om naar Trecht en den Rijn op te varen; item de geheele visscherij in den stroom Vennapa en elders, dat tot onderhoud van ‘s Heeren dienaren en van kerken en armen gebruikt wordt, want deze streken zijn arm, wegens de verwoesting der Noormannen. De kerk is echter hier in bloeijenden staat, maar er heerscht eene verderfelijke verdraagzaamheid jegens de heidensche bijgeloovigheden, die inzonderheid van de overzeesche Friezen , een woest onhebbelijk volk, dat geen jok kan dragen, hier overgeplant worden. Want helaas! de zucht naar aardsche goederen is zoo groot, dat zij niet weigeren zullen, met lieden handel te drijven, die zoo weinig Christen zijn, dat zij zelfs hunne tienden niet willen betalen.

Van Amuthon voer ik terug naar Lonaralaca, waar ik het vaartuig verliet, en met een paard, door twee broeders vergezeld, landwaarts intoog naar het groote woud Furs (Vuursche), waar ik vernomen had, dat nog heidensche plegtigheden door sommigen in het geheim gevierd werden; En indedaad, wij troffen er een groot steenen altaar aan, welligt door de booze geesten zelven opgebouwd, want geene menschen kunnen het opligten, en aan drie zware lindenboomen schenen nog overblijfselen van onzalig offerbloed te kleven.

Ik heb in het gezigt der menigte de plaats met wijwater gereinigd, en daar het altaar te sterk was, om omgestort te worden, er een kruis opgeplant, opdat het volk zonder schade voor zijne ziel op dezelfde plaats zou kunnen zamenkomen, waar zij gewoon waren te vergaderen , en de dienst des duivels in die van Christus en zijne Heiligen zou overgaan. Het volk is daar woest en onbeschaafd, en leeft van de Jagt. Men zegt, dat er wolven en vossen in die wouden rondzwerven, maar ik geloof, dat de booze geesten er nog in grooter aantal wonen , en heb daarom eenen der broederen daar achtergelaten, en hem eene H. reliquie toevertrouwd, die de duivelen verjagen zal.

Vermoeid ben ik eenigen tijd daarna te Trecht aangekomen, en hartelijk door de broeders van het klooster ontvangen. Ik heb ook de boeken uitgedeeld, die de eerwaardige heer bisschop van ons verzocht had, omdat er hier gebrek aan is, en niet alle geestelijken lezen kunnen, want het is hier eene jonge kweekschool des Heeren, een wijngaard, waar nog slechts weinige rijpe druiven gevonden worden. Toch zijn er vrome en geleerde arbeiders, er is eene school van kerkendienaars aangelegd, en reeds hebben eenigen niet alleen gedichten ter eere Gods, maar ook geleerde schriften over het geloof vervaardigd, en de schriften van den eerwaardigen Beda, van Alcuinus en Hincmarus worden met vrucht gelezen. Eenen priester, die ook de heidensche poëten beoefende, heb ik overgehaald, die in het vuur te werpen, en ik heb hem daarvoor de meditationes van den H. Augustinus in handen gegeven, opdat het geloof in hem versterkt worde, en hij de ijdelheid der wereldsche kennis leere verachten.

Ik zal nog eenige maanden hier moeten blijven, om den akker des Heeren, die nog vol onkruid is, te helpen wieden. Broeders, bidt de Heiligen , dat zij mij onwaardig instrument sterken en bekwaam maken. Ik verlang naar de stilte des kloosters, om ongestoord mijne gedachten van de ijdelheden der wereld te kunnen aftrekken, en eenmaal in de hemelsche ruste in te gaan. Amen.

Datum Trajecti Sext, Kal. Sept. Indict. VIII

analyse

spitsvondig

Het verhaal is voor 1846 zeer geraffineerd opgezet. Aan de ene kant komen oude toponiemen terug en is een enkel oude rechtsterm erin verwerkt. De brief bevestigt daarmee enkele plaatsen in hun oudheid, waarbij de reisschema deze plaatsten in een onderlinge oriëntatie, wat zeldzaam is. Ook wordt een oude belasting verklaard, die wel bekend was van naam, drie keer genoemd maar nooit daar toegelicht waar die precies voor diende.

Anderzijds sluit de drama zeer goed aan bij hoe men nog in grote meerderheid dacht over de kerstening van Nederland. Er is natuurlijk in die jaren het nieuwe Vaderland met opkomend wij zijn een koninkrijk gevoel, (dader had in zijn jeugd zich gemeld voor de Tiendaagse Veldtocht tegen België), in het godsdienst leven een Reveil en de grote roerselen van het hart die de ratio begonnen te sturen in de Romantiek.

Ieder tijd projecteert bewust en nog vaker onbewust veel van zijn eigen tijd & belevingswereld op het verleden. En eerlijk is eerlijk, het had zo kunnen zijn.. Zeker als je verder niet veel weet over geschiedenis. Het heeft ook wel het toontje die we van religieuzen kennen uit die jaren.

Sulen

De familie van Zuilen is reeds in de middeleeuwen één der voornaamste families van het Sticht. Vele takken, men telt wel vijftien, hebben zich tot grote hoogtes opgewerkt. Oorspronkelijk vormde over het algemeen vormde het geslacht één front wat betreft haar politieke overtuiging. Vaak stonden de Van Zuilens achter de bisschoppen en het bisdom, maar soms spanden zij samen met de Graven van Holland. Het heeft hun geen windeieren gelegd.

In 1267 werd Jan van Nassau tot bisschop gekozen. Jan was verwant aan de Graven van Gelre, die op deze manier probeerden meer invloed te krijgen in het Sticht. In deze periode zag men juist dat de grote steden steeds meer los wilden komen van de landadel en soeverein besluiten wilden maken. De Heren van Amstel en Woerden waren tegen Jan van Nassau. Bij dit conflict maakten de Van Zuilens verschillende keuzes. Zweder van Zuylen van Abcoude stond aan de kant van de Van Amstels en Steven en Frederik van Zuilen vochten aan de kant van Jan van Nassau. De laatst twee genoemden sneuvelden tijdens de strijd.

De van Zuilens zijn verzwagerd aan vrijwel alle adellijke Nederlandse families. Hun Nederlandse stamslot bevond zich inderdaad aan de Vecht. Waarom de vervalser juist deze familie wil vereren met hun aanwezigheid in een Karolingische brief, is niet evident. Wellicht kwam deze familie in zijn genealogie voor. Misschien was er een afstammeling van wie hij in het gevlei wilde komen. Hoe dit zit, doet er niet toe. Op het eerste gezicht lijkt de familie een belangrijk oud Utrechts geslacht en het enkel eeuwen vroeger terugvinden van die naam, Zuilen als plaats, was op zichzelf al een belangwekkende vondst.

In de oude literatuur lezen we dat de oudst bekende voorouder was Dirk van Sulen (van Nijenveld) die vanaf 21 mei 1285 wordt vermeld en sneuvelde in 1304 te Zierikzee. De familie vestigde zich in Utrecht en stelde zich in dienst van de bisschop en interesseerde zich daarnaast actief in het inpolderen en droogleggen van moerassen in de streek van de Vecht en in de Langbroekerwetering. De investeringen waren winstgevend en de van Zuylens werden gefortuneerd. Al snel lieten ze kasteel Zuylen bouwen, waar zij tot 1422 de eigenaar van waren. Vanaf 1327 tot in het midden van de zestiende eeuw werd het ambt van hofmaarschalk van de Utrechtse bisschop onafgebroken door een Van Zuylen uitgeoefend. Vanaf de vijftiende eeuw was er bijna altijd een Van Zuylen betrokken bij het stadsbestuur van Utrecht, als “oudman”, raadslid, wethouder of burgemeester.

Maar zoals dat gaat, staat onderzoek niet stil. Vooral het door werken in de archieven van over de grens, op zoek naar verbanden met het vaderland, waar schrijver zelf de nodige bijdragen aan heeft geleverd, heeft nog wel iets over de voorvaderen van Dirk van Sulen naar boven gehaald.

In de 13e eeuw werd door de Heer van Suilen en Anholt een donjon gebouwd. Van deze woontoren is niet veel bekend. In de 14e eeuw werd de donjon uitgebreid met een zaalhuis. Het geslacht van Zuylen verdeelde zich in diverse takken: het geslacht Van Zuylen bleef tot aan de 14e eeuw heerser van het kasteel.

De oudst teruggevonden voorvader was Rutger van Xanten, geboren circa 1080, overleden omstreeks 1155. Hij was gehuwd met Aleidis van Sulen. Geboren omstreeks 1080. De aartsbisschop van Keulen bevestigde in een oorkonde uit 1153 dat Rutger van Xanten en Aleidis van Sulen het goed Sulen (in de graafschap Kleef) als bruidschat hadden gekregen. Later werd het goed Sulen aan het Stift van Rees verkocht.
Zoon was Gerard van Zuylen en Anholt. Geboren rond 1100. Hij was gehuwd met een Aleid.

Kinderen waren Steven I van Zuylen en Anholt (Geboren 17 oktober 1125 te Anholt, overleden 10 juli 1209 in kasteel Anholt), Sophie van Zuylen en een Dirk (Diederik) van Zuylen, nog niet de onze.

Kinderen waren Steven II van Zuylen, geboren omstreeks 1160, die trouwde met Hadewich van Wiltenburg, Johanna van Zuylen en nog een Dirk van Zuylen. Steven II van Zuylen was gehuwd met Henrica van Abcoude. Geboren 1165, overleden 1230. Dochter van Hendrik van Amstel.

Onze Dirk wordt genoemd als zoon van Steven III, achter-achter-achterkleinzoon van Rutger en Aleidis.

De oudheid van het geslacht reikt inderdaad ver terug, tot in de 11de eeuw. Maar die wortels liggen op behoorlijke afstand van de Vecht, namelijk in het Rijnland. Xanten, Anholt, Kleef, daar lag het oude stamslot der Sulens. Pas met Steven II, die trouwde met een meisje uit Abcoude, blijkt de familie in onze streek te geraken. Daarmee alleen al blijkt de vervalsing. Vóór SII’s huwelijkse interesse kwam de familie nog niet hier voor. De vervalser kan nooit dáár SVLEN gelezen hebben.

Of dader dit in 1846 kon weten of niet, als hij het had geweten, had hij niet deze familie gebruikt!

Had hij een iets minder aansprekend geslacht ingevoegd als de van Amstels, Abcoudes of Myndens, was de vervalsing minder evident geweest. Waar Dirk zijn Utrechtse stamslot bouwde, was de plaatsnaam Zwesen.

Bij Gysseling:

Suegsna • 9e kop. 10e kop. eind 11e • ed. DB, p. 338
Suabsna • 1e helft 9e kop. 1e helft 11e • vita s. Liudgeri, Le W 3 v°
Suecsnon • 10e • D W IX a 1 a, 34 v°
Suesen • (1165?) • U B 412

Nog in de 18de eeuw was er dáár sprake van de heerlijkheid Zuilen en de Zwesereng. De opsteller van de tekst had dan nog een spitsvondigheidje kunnen invlechten. Zwesen is waar de grote meerderheid van onderzoekers denken dat onze lokale held, de heilige Liudger geboren is, hoewel Ruwiel, Nederhorst en een enkel plaats in Friesland hun eigen claim hierop hebben.

Naast Bonifacius nog een ander naam kunnen laten vallen, is een truck die hij gemist heeft. Gelukkig maar. Maar de tekst, hoewel vals bezit nog wel enkele andere zaken die toch de moeite waard zijn op in te gaan.

plaatsnamen

Fehtna, Jodichem, Wercunde, Bunninchem, Tulle, Haltna, Luriche, Dorestat, Fecht, Marsna, Lonaralaca, Amuthon, Vennapa en Furs. Allemaal mooie, oude toponiemen uit het vroege bisdom. Behalve Sulen dat pas in de loop van de dertiende eeuw iets wordt, hebben we te maken met traceerbare plaatsen en stromen in het Stichtse, die hier, wat een geluk, allen zogenaamd acte de présence geven rond het jaar 900. Niet dat alle namen zover verder teruggaan. De Furs duikte pas op in een, naar wordt aangenomen naar de waarheid opgestelde falsa uit 1085, waarschijnlijk uit begin 13de eeuw. Dat was natuurlijk juist de bedoeling om alles iets verder op te rekken en samen te brengen.

Dat de opsteller van de tekst Loenen voor Lonaralaca aanziet, terwijl wij tegenwoordig daar Loenersloot lezen, vind ik in tegenstelling tot dr. Bakker minder bezwarend. Natuurlijk werkt de geografie dan niet meer maar als onze monnik vanuit Muiden in plaats van naar Loenen over over de Vecht naar Loenersloot over Smal Weesp en Gein wilde, ter logies of om iemand te ontmoeten, had het best gekund dat men voor een bezoek aan de Vuursche met paarden richting het oosten zich begaf. Langs een pad langs de Loenersloot, die Laca, die wegens benoeming van de plaatsnaam waarschijnlijk al als watertje bestond, tot de Vecht, die wel ergens overgestoken moest worden..

Of het opmerkelijk is dat de schrijver Loenen voor Loenersloot leest, is de vraag. Lonaralaca was in elk geval de oudste vermelding van één van de twee. Zoals Bussum zogenaamd ouder dan Huizen is, alleen in overgeleverde vermelding. Van een onderzoeker uit de eerste helft van de negentiende eeuw kon zo’n misvatting zich voordoen. De standaardwerken die we nu kennen en gebruiken moesten nog geschreven worden.

Als kritische onderzoeker hoef je voor gebruik zelf niet de vraagstuk naar elk gebruikte toponiem te verdedigen. Sommigen worden eeuwenlang al betwist, soms met taalkundige, dan weer met historisch geografische argumenten. Het overgroot deel van je inzichten neem je over van voorgangers. Wat fijn als mensen al een hoop uitzoekwerk hebben verricht en daarmee een standaardwerk samenstellen. Daar kon de tekstschrijver bij het uitkomen van de volksalmanak nog niet overbeschikken.

Handboek der Middel-Nederlandsche geographie, naar de bronnen bewerkt, kwam pas in 1852 uit. De schrijver hiervan was ook de schrijver van onze falsificatie!

Harmarkerus

Waar komt die merkwaardige naam vandaan van de verzonnen monnik? De vroegmiddeleeuwse naamvorming kent behoorlijk veel vrijheid om één naam op allerlei manieren samen te stellen. Als je maar één enkel naam bezit, is er veel aangelegen er vele kanten mee uit te kunnen. Vaak was een naam een samenstelling vaders en moeders naam. Broers blijken vaak een variatie te hebben op een thema, een naamdeel. Zoals Odokar, Odobar, Odogeer enz. Ook kan men bij intreding in de kerk een nieuwe naam aannemen. En als tegen het einde van het millennium de mode ontstaat je enige naam te verkorten tot koosnaam raak je het overzicht gemakkelijk kwijt.

“Was de naam Hamarkerus misschien geïnspireerd door de achternaam Hamaker? In Janssens dagen was er bijvoorbeeld een apotheker van die naam in Leiden.” vroeg dr. Bakker zich af. Later in die eeuw was er Hendrik Jacobus Hamaker (Hilversum, 16 september 1844 – Utrecht, 2 maart 1911) was een Nederlands jurist. Hij was als hoogleraar verbonden aan de Universiteit Utrecht. Bovendien was er H.G. Hamaker, die Iets over de huslotha, de vronescoud en de beden in Holland schreef voor Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde.

De Catalogus episcoporum Ultrajectinorum (Lijst van de Utrechtse bisschoppen) bevat een overzicht van de belangrijkste daden van de Utrechtse bisschoppen vanaf 690 tot en met 1342. Dit overzicht dat in eerste opzet omstreeks 1342 is aangelegd (door hand A), is in de veertiende en vijftiende eeuw aangevuld en voortgezet door vijf andere auteurs (hand B, C, D, E en F). Vooral hand B voegde omstreeks 1380 uitvoerige kroniekaantekeningen toe, waaronder ook veel gegevens uit de geschiedenis van de graven van Holland. Tegelijk heeft deze hand alle bisschoppen van Willibrord (695) tot en met Jacob van Outshoorn (1322) voorzien van een volgnummer.
De eigenlijke Catalogus wordt voorafgegaan door twee lijsten: op fol. 1r staat een uit ca. 1400 daterende lijst van de graven van Holland (door hand D), en op fol. 1v een lijst van de bisschoppen van Utrecht over de periode 695-1342 (hand A), aangevuld en voortgezet door de vijf latere handen tot en met de regering van bisschop David van Bourgondië, dus tot ná 1456. Vervolgens begint op fol. 2r de eigenlijke Catalogus.

Het tekst is slechts in één handschrift overgeleverd. Dit handschrift maakt deel uit van een convoluut, dat wil zeggen een verzamelhandschrift met verschillende handschriften die op een later tijdstip (in dit geval de zeventiende eeuw) samen zijn ingebonden in een band. Dit convoluut bestaat uit twee (codicologische) eenheden. De eerste codicologische eenheid dateert van ca. 1342 met veertiende- en vijftiende-eeuwse aanvullingen, en bevat naast de Catalogus een afschrift van het Cartularium met de rechten van de Utrechtse bisschop (Liber donationum imperialium). De tweede codicologische eenheid dateert van ca. 1446 en bevat afschriften van enkele traktaten uit de dertiende en veertiende eeuw.

Na Theodard of Theutbert, die omstreeks 790 overleden zal zijn, trad een bisschop aan, zesde in de lijst, van wie we alleen de naam kennen: Harmakar. En deze naam wordt ook nog op verschillende manieren gespeld: Erwackerdus, Erwackrus, Hermocarus, Harmacarius, Harimacarius, Ewacharus, Ewachterus. Volgens de bisschopslijst is hij gestorven op 27 of 28 augustus van een niet genoemd jaar en net als zijn voorgangers begraven in de Sint-Salvator. In een veel latere, zestiende-eeuwse bron wordt van zijn opvolger gezegd dat deze in 806 in zijn eerste bisschopsjaar was en daarom wordt 806 als het sterfjaar van Harmakar aangehouden. De belangrijkste middeleeuwse geschiedschrijver van het Sticht, de veertiende-eeuwer Jan Beke, zegt zelf dat over hem niets anders bekend is dan dat hij bij zijn voorgangers begraven is, dus in de Sint-Salvator.

Onder Harmakars episcopaat heeft in 794 of 795 de stichting plaatsgehad van een aartsbisdom Keulen met enkele suffragaanbisdommen. Karel de Grote maakte toen niet bisschop Hildebald tot aartsbisschop à titre personnel, maar stelde een bisdomsindeling in op basis van de Laat-Romeinse provincie-indeling de kerkprovincies Germania I en II. Tot Germania I kwamen Keulen als aartsbisdom en de bisdommen Luik en Utrecht te behoren. Hoewel we verder niets van hem weten, kan als gevolg hiervan Harmakar beschouwd worden als de eerste bisschop van Utrecht en niet, zoals zijn voorgangers, bisschop in Utrecht. Na het overlijden van Harmakar in of vóór 806 werd Rikfried bisschop van Utrecht

Eenmaal in 1342 genoemd is deze obscure man, met alle spellingvariatie een goede kandidaat voor de inspiratie achter deze evenzo obscure monnik.

cogschuld

Naast het vermelden van een inheemse, heidens cultus op de Vuursche, is het vermelden van een obscure term met een korte toelichting wat die betekent, één van de grote ontdekkingen van het stuk, de COGSC(H)ULD. De tekst verklaart “de koninklijke schatting, cogschuld genoemd, die van de schippers betaald wordt; welke van de zee Almere daar binnenkomen, om naar Trecht en den Rijn op te varen”.

Cogschuld komt in de hele geschiedenis slechts drie keer voor en wel met betrekking tot het Utrechtse bisdom. De discussie wat deze precies inhield woedt nog immer. Het laatste woord is er nog niet over gesproken. Daarom had bovenstaande vermelding van uiterste belang zijn geweest.

Het is dus een verzinsel, dus maakt natuurlijk niet uit wat er staat. Echter de falsificator haalt hier dus wel een echt iets aan en geeft impliciet zijn eigen theorie weer, wat dat iets zou zijn. Volgens hem betreft het hier een tol. Echter overal waar verder van een tol sprake is in vroegmiddeleeuwse stukken, heet deze altijd THELON, de term ervoor. Er lijkt geen reden dat deze cijns voor de situatie van de doorvaart over de Vecht naar de Almere een speciale, unieke term behoefde. Bovendien zou je in de originele bronnen dan iets van toelichting verwachten dat het een Thelon betrof. Dat blijkt niet. Alleen dat het een cijns is, “omnemque censum, qui vulgarice cogsculd vocatur”.

Hierom en omdat het een verzinsel betreft, gaat eigenlijk niemand er vanuit dat het hier een tolrecht betreft. Er is echter weinig overeenstemming wat het wel betreft.

het Cartularium van Radboud

Cartularium-van-Radbod-Egmondse-kopie-ca.-1095-Britisch-Library-Cotton-Tiberius-C-XI

De drie bewijsplaatsen zijn niet in origineel overgeleverd. Dat geldt voor het grootste deel van overgeleverd materiaal uit de vroege middeleeuwen. Zij zijn ons overgeleverd in oorkonden uit het Cartularium van Radboud.

Een cartularium is afschriftenverzameling die vanaf het eind van de 11de eeuw ontstonden om een toegankelijke overzicht te geven van het bezit en eigendommen van een bepaald religieuze instelling.

Wat we bezitten is een exemplaar eind 11de eeuw opgesteld voor de abt van Egmond. In die periode is hiervan ook een vrijwel identieke kopie gemaakt. 25 teksten zijn opgenomen in het Egmondse Cartularium van Radboud. De goederenlijst van rond 870 is afzonderlijk en uitgebreider opgenomen. Deze oorkonden uit het Egmondse cartularium zijn ook allemaal opgenomen in het eerste afschrift in het Utrechtse Liber Donationum. Toegevoegd is één tekst uit het Liber Donationum (Nr. 24) die in het Egmondse cartularium ontbreekt.

Cogsculd vinden wij terug:

Cartularium van Radboud, nr. 15, 30 juni 948/949, Utrecht (vals)

Cartularium van Radboud, nr. 17, 1 april 948, Utrecht (vals)

Cartularium van Radboud, nr. 23, de goederenlijst van de kerk van St. Maarten te Utrecht, Tournehem (echt)

De vertaling van de tekst van nr. 15 luidt “Hiermee heeft de eerbiedwaardige heilige kerk van Traject, knikkend op het verzoek van Baldric de prefect, alles wat de koningen van onze voorgangers hebben bijgedragen aan dezelfde kerk, of zelfs aan de rest van welke gelovigen dan ook, dat wil zeggen, het tiende deel van alle de koninklijke landgoederen en tolgelden en munteenheden die nodig zijn binnen de grenzen van hun episcopaat, naast de belastingen die huslata en de cogsculd worden geheven, ook dingen in de stad, ooit Dorsteti, maar nu Uuik genoemd, en in alle andere plaatsen van de bovengenoemde stad aan de zee, en op de eilanden en andere provincies die aan de zee grenzen, die door de keizers of koningen op recept zijn overgedragen aan de kerk van Traject, bevestigen wij dit door ons gebod van immuniteit, waarin wordt geboden dat niemand de macht mag hebben om iets hiervan weg te nemen, maar dat ze onwankelbaar moeten blijven met eeuwige standvastigheid.

Die van nr. 17 luidt “Laat het aan al onze gelovigen, nu en in de toekomst, bekend zijn hoe wij, ter genezing van onze ziel, of zelfs de meest geliefde van onze echtgenoten, in de gezegende nagedachtenis van Aetgis, al het vissen, dat we tot nu toe in Amuson en Almere hebben gedaan leek te hebben door ons koninklijk recht, en al de belasting, die gewoonlijk cogsculd wordt genoemd, door het gebod van onze autoriteit aan de kerk van St. Martin, die is gebouwd in een plaats genaamd Treht, waar de eerbiedwaardige bisschop Baldricus onbekend is president, we hebben het toegekend aan zijn eigen recht van vorig jaar. En om ervoor te zorgen dat deze schenking van onze milddadigheid stevig en onwankelbaar door de loop van opeenvolgende tijden heen kan blijven bestaan, hebben we het onder onze eigen hand bevestigd en opdracht gegeven om het te verzegelen met de afdruk van onze ring.

De goederenlijst van de kerk van Sint Maarten te Utrecht is een historisch stuk waar in de loop van tijd van alles is ingevoegd en bijgevoegd. Het is van eminent belang voor onze vroege toponymie met ruim 200 geografische namen. Zij verdient eigen studies en die heeft zij ook. D.P. Blok heeft in 1957 in de Mededelingen van de vereniging voor Naamkunde een belangrijke behandeling gegeven. Maar er zijn meer. Hierin komt dus ook Cogsculd voor “In Almere regalis decima census qui uocatur cogsculd.” oftewel “In het Almere een tiende van de koninklijke belasting die cogsculd wordt genoemd.

Dat is al het materiaal. Twee onecht veronderstelde documenten en een terloops benoeming in een niet officiële authentieke verzamelschrift. Toch moet de term wel op iets echt betrekking hebben gehad. Onze geschiedvervalser had zijn hypothese. Voordat we naar de andere ideeën hieromtrent gaan kijken, moeten we even stilstaan bij de falsa en wat vals en echt was in dit verband.

Vals & Echt

Iets dient gezegd te worden over het verschil wat wij als echt beoordelen tegenover wat dit in de middeleeuwen betekende. Oorspronkelijk was de kern van een overeenkomst het gesproken woord ondersteund door een symbolisch gebaar waargenomen door getuigen. Wanneer er sprake was van een continuïteit van de hierdoor ontstane rechtsverhouding, kon na het wegvallen van die getuigen verwezen worden naar de traditie, soms later bevestigd door de dan betrokkenen.

Het schriftelijke verslag hiervan zou van bijzondere bijkomstigheid langzamerhand tot de kern van de zaak worden. We zien in cartualia dat de substantie van een charter veelal precies gekopieerd wordt terwijl de namen van inmiddels lang overleden en dus waardeloze getuigen vaak als overbodig achterwege worden gelaten.

Voor de opstellers van cartualia en andere vroegmiddeleeuwse klerken golden andere normen wat echt was. Ten eerste benaderden ze de teksten niet als geschiedenis. Zij keken vooruit, wellicht naar naar een naderend eindtijd, maar dan toch naar hun directe toekomst. Geschiedenis was alles wat hun tot het heden had gebracht, een complex aan bezit, eigendom en voorrechten.

Een cartualium was een makkelijk opzoekboek. De inhoud moest juist de actuele situatie weergeven. Van belang was de juistheid niet originaliteit. Waarschijnlijk is het succes van dit soort boeken mede reden dat de originele documenten, niet meer nodig werden geacht en meestal ook zijn verdwenen. In een tijd dat de rechten en eigendom niet meer omstreden waren of bedreigd werden, verkregen deze boeken authentieke gezag.

Maar van de onderliggende charters is het ook bekend dat ze niet als heilige relieken altijd werden behandeld. In de behoefte de situatie juist weer te geven, vond men zich gerechtigd annotaties aan te brengen, zaken tussen of onder te voegen om de zaak te verbeteren en completeren. Ook werden ontbrekende documenten authentiek opgesteld. Vaak blijkt dit nog in het afschrift waar ze naar de situatie ten tijde van de opstellers verwijzen, dat nog niet bestond in de tijd van de originele schenking, zoals bij de schenking aan het kapittel van Sint Jan in 1085 het geval was.

Wat wij als niet authentiek en dus vals ervaren, lag voor de middeleeuwse klerk net anders. Zoals in de vervalste brief laten bepaalde namen zulke documenten zich als vals kennen, hoewel deze opstellers in tegenstelling tot de rijksarchivaris wel oprecht de vermeende juiste situatie op dat moment weergeven.

Riemtallen

Over het algemeen wordt de cogschuld aangenomen te duiden op een verplichting van voormalig door Vikingen geregeerde streken, in Holland, Utrecht en Zeeland om met een boot, een Herenkogge, hun vorst in tijde van oorlog te steunen. Eén riem was pars pro toto een roeier. De standaard lijkt 32 riemen op één kogge. Een plaats moest bovendien zelf een schip zenden. Kleine plaatsen met een lager op te brengen riemtal, mochten zich aanmelden op het schip van een naaste plaats, zoals die van Weespercarspel zich op de boot van Weesp dat mochten doen.

Bij Luit van der Tuuk lezen we hoe dit zit. “…Er is in het goederenregister van de Utrechtse kerk, opgesteld in de vroege tiende eeuw, sprake van een belasting, die naar de koggen cogsculd, ofwel ‘koggeschuld’ genoemd werd. Die vinden we ook in twee oorkonden die later gedateerd zijn. We mogen aannemen dat we hier met een aan de koggedienst gerelateerde belasting te maken hebben. Deze zou volgens de historicus Van Loon nog als kogschuld in grafelijke brieven uit de late Middeleeuwen in het baljuwschap Rijnland te vinden zijn en werd hierin met de koggenorganisatie in verband gebracht. Vanwege het vroege voorkomen van deze koggeverbanden en de daarmee verwante cogsculd is het van belang dat we langer blijven stilstaan bij het fenomeen van de koggedistricten. In de vroege Middeleeuwen behoorde het gehele Nederlandse kustgebied tot de Friese kustlanden. De indeling in scheepsdistricten kwam echter alleen voor ten westen het Vlie (het latere gewest Holland) en niet in Midden- en Oost-Friesland. Koggen kwamen incidenteel ook elders voor, zoals op ver- schillende plaatsen in Zeeland en in Vreeland bij Utrecht, maar het betreft hier steeds een geïmporteerd fenomeen. Het ziet er dan ook niet naar uit dat we met een speciaal Friese aangelegenheid te maken hebben. Bovendien vinden we deze scheepsdistricten ook buiten onze kustgebieden. Want er is een opmerkelijke overeenkomst tussen de bij ons voorkomende koggedistricten en soortgelijke in Scandinavië voorkomende gebieden. Voor de achtergronden van de koggenorganisatie richten we daarom, net als in het eerste deel, weer onze blik op de thuislanden van de Noormannen…

…Deense boeren moesten jaarlijks een scheepsbelasting betalen. Die werd naast, en niet ter vervanging van de feitelijke scheepsdienst geheven. Want de scheepsdienst zelf kon worden afgekocht. Waarschijnlijk kunnen we in deze jaarlijkse scheepsbelasting de Deense tegenhanger van onze cogsculd herkennen. Dan moeten we de cogsculd opvatten als een scheepsbelasting en niet als een afkoopsom voor de scheepsdienst, zoals wel wordt aangenomen. Die afkoopsom kennen wij ook en die komen we in het latere Holland tegen als een betaling, de riemtalen geheten…

…Een fraai staaltje van de superioriteit van de Friese schepen vinden we in een relaas in de jaarboeken van Fulda, waarin een gevecht in het rivierengebied tussen Denen en Friezen is beschreven. Plunderende Denen werden in de rug aangevallen door Friezen, die hen met ‘kleine schepen’ konden benaderen. De Denen hadden daarvoor al hun langschepen moeten verlaten. Blijkbaar konden de Friezen met hun schepen verder doordringen in de wateren die door de Denen waren gekozen. Het is niet erg waarschijnlijk, dat er meteen ten bate van de Deense heersers honderden nieuwe schepen werden gebouwd. Bestaande vaartuigen moesten daarom door hun eigenaren geschikt worden gemaakt. Mogelijk hield Hroerekr enige langschepen achter de hand als strategische reserve nadat een groot deel van zijn mannen naar Engeland vertrokken was. Zeker nadat de koggeplichtige bevolking, die cokingigenoemd werd, in 867 tegen de al te ruim geïnterpreteerde landweerverplichting in opstand kwam, kon de Deen in mindere mate op de koggenorganisatie vertrouwen.

Na het einde van de Deense heerschappij bleven de koggeverbanden voortbestaan. Zij werden in het Hollandse Noorderkwartier zelfs uitgebreid, want we vinden deze scheepsdistricten terug in gebieden die pas later werden ontgonnen en bewoond. We nemen aan dat de dreiging van de Hollandse graven de vrije Friezen daartoe noopten. De koggedienst is lange tijd een landweerplicht gebleven. Pas met de komst van de Hollandse graven werd deze defensieve scheepsdienst ingelijfd en omgevormd tot een heervaartplicht ten bate van deze heren.

Het-machtsgebied-van-Hroerekr

Het lijkt dat de term COGSCULD als gegoten op de coggedienst van toepassing is. Het woordje driemaal, wellicht door één dezelfde hand binnen korte tijd op enkele weggeraakte stukken genoteerd, past goed op wat in latere tijd RIEMTALLEN worden genoemd. Het woordje vormt een vroegmiddeleeuwse brug tussen een uit de hoge middeleeuwen bekend stukje staatsinrichting waarvan de wortels in de Vikingentijd worden vermoed.

Deze mening wordt op het moment door de meeste mensen aangehangen. Van der Tuuk beschouwd nader de manier hoe deze belasting in de vroegmiddeleeuwse bisdom plaats kan hebben gehad. Want niet alle later ontwikkelde vormen van belasting konden in de 9de en 10de mogelijk of zelfs denkbaar zijn. De staat was nog niet ontwikkeld om zomaar met van alles nieuw geld te verdienen.

Koog

Maar tegen deze opvatting bestaat ook eminente oppositie. Een belangrijk bezwaar komt uit taalkundig hoek. Zij stellen dat COG en COGGE niet zomaar met elkaar kunnen worden gelijkgesteld. Zelfs niet als we rekening houden met de nogal losse spellingconventies uit die tijd.

Bij neerlandistiek.nl vinden we het volgende.”In het Nederlands verschijnt het woord pas in de twaalfde eeuw: minores [t.w. naves]vero, videlicet kogan et omnes cum losaboinga dabunt VIII d. ‘De kleinere [t.w. schepen] echter, namelijk koggen en alle (schepen) met een los boord, zullen 8 penningen geven’ [1159-1164 in het Toltarief van Letterswerve]. Daarna vindt men nog drie keer de vorm cogga in oorkonden uit 1163, 1199 en 1199 (cop. 1246-55). Het WNT en sommige etymologische woordenboeken noemen nog een samenstelling cogsculd ‘koggeschuld’in het goederenregister van Utrecht uit 918-48 en uit twee oorkonden van 948 en 949, maar het is helemaal niet zo zeker of dit woord bij de benaming van het schip behoort. Deze interpretatie is waarschijnlijk gebaseerd op de vorm coggeschuld ‘aantal roeiers dat door een gouw ter beschikking moest worden gesteld voor een kogge’ (MNW III,1679; XI,302).

Maar dit Middelnederlandse woord bestaat helemaal niet. Als men namelijk gaat kijken waar het MNW het woord vandaan heeft, dan blijkt dat het teruggaat op een opstel van H. A. A. van Berckel in Dietsche Warande 5 (1860), 32-356. Deze heeft de attestatie in het bovengenoemde goederenregister gebruikt en zonder enige verdere argumentatie aangenomen dat het hier om het woord kogge ging. Daarbij wordt de levering van roeiers voor een schip in het Middelnederlands gewoonlijk riemtal genoemd, vgl. MNW VI1,369. Daar men in het Oudnederlands als eerste element eerder kogga(n)- zou verwachten, lijkt met het woord uit de tiende eeuw iets anders te zijn bedoeld. Het ONW geeft dan ook een andere interpretatie: koogschuld, waarschijnlijk belasting op het bezit en/of gebruik van buitendijks land (koog of kaag).”

Op hun website wordt uitgelegd wat de technische bezwaar is met de dubbele G om van COG-GE(SCULD) tot de verkorting COG(SCULD) te komen.

In die jaren was een flink rand lage veenlanden rond de Almere. Stormen eind 12de eeuw hebben deze grotendeels opgeruimd, het bekende klei op het veen. Een goed reden waarom we later er ook niets meer van vernemen. Als het taalkundig dan ook nog klopt, kunnen we misschien er de voorloper inzien van wat later nog in ’t Gooi koptienden heette.

Giscot en Huslotho

Rechtshistorici erkennen het taalkundig argument maar voor hun gaat de oplossing weer te ver. Er lagen weliswaar grote onontgonnen stukken veenland te verdelen maar was daarvoor een speciale belasting denkbaar. Natuurlijk zouden er tienden over de opbrengsten geheven worden. Oorspronkelijk waren deze voor de kerk, dan voor de wereldlijke verdedigers van de kerk, uiteindelijk voor wie ze gekocht had. Voor een recognitie cijns zoals bij de latere copes, lijkt dit te vroeg.

Natuurlijk waren de ontginners naar mate van horigheid verplicht hun heer met diensten en in natura bij te staan, zoals de bewoners van een toen nog veel groter Urk. Dit was allemaal aan de orde van de dag. Het lijkt minder waarschijnlijk dat speciaal voor enkele buitendijks gebieden er voor het jaar 1000 1l een extra belasting bedacht is.

In Blok, Het goederenregister van de St. Maartenskerk te Utrecht

“…Concluderend kunnen we dus zeggen : de lijst is aangelegd tussen 918 en 948 en staat in direct verband met de koningsoorkonde van 1 april 948. Er is geen reden te bedenken waarom men eerder, in de 9° eeuw, een lijst zou hebben aangelegd die alleen de goederen in dít bepaalde gebied bevatte. Dat de lijst niet na deze oorkonde is aangelegd, blijkt uit de vermelding van de eveneens op 1 april 948 geschonken tiende van de cogschuld en huslothe, die kennelijk later geïnterpoleerd zijn (zie beneden). De lijst geeft echter niet de toestand van 918-948 weer, maar de bezittingen zoals de kerk die in de 9° eeuw had…

kaart naar Blok

De zin « De teloneis quoque et de negotio etc.» gaat terug op O.U. 43 (23 mei 753) met duidelijke dictaatontleningen (de teloneo velde negotio aut undecumgque ad partibus fisci census yperare videbatur). De daaropvolgende huslothe gaat terug op O. U. 111 (A april 948).

De zin «In Almere – cogsculd » gaat terug op O.U. 113 (30 juni 949).

De zin « sed modo ille alie partes novem proprie sunt s, martini » gaat terug op O. U. 113 en het volgende « sed et alia piscatio in flumine Feht etc. » op O. U. 120 (21 april, 953).

Deze gehele, zeer geïnterpoleerde passage over tienden en visrechten moet er in a als volgt uitgezien hebben :

..de teloneis quoque et de negotio aut undecumque ad partem regiam jus fisci censum exigere debet omnis decima sancti Martini est. In Uueromeri omnis piscatio et in Uteromeri laxatio retium quod tragal dicitur, omnis, et dimidium piscationis ad sanctum Martinum pertinet. In Dalmersce tota piscatio sancti Martini, In Amuthon septem were ad piscandum. In Nesse villa cum omni piscatione. Decima etiam in Almeri de sagenis sancti martini est. De UUiron in Aluitlo etc.

Ter hoogte van het einde van de eerste zin stond ín margine de huslotho bijgeschreven en daaronder de cogsculd. Deze is in b verkeerdelijk ingepast midden tussen de visrechten. De zinnen « sed modo ille alie partes etc. » en « sed et alia piscatio etc.» stonden weer bijgeschreven naast het slot van de zin over de visserij in Almere.

In b is dit tot één geheel samengesmolten, waarna de piscatio in Getzeuuald in flumine Fennapa er nog eens in margine bijgezet werd, ongetwijfeld omdat het ook de visserij betrof.”

Nu is van de Huslotho, soms geschreven Huslatho wel iets meer bekend. Het betekend letterlijk Huislade. Het was een Friese belasting aan de voordeur. Een generieke heffing per huishouding, gelijk of die groot of klein, arm of rijk was. In Noord-Holland heette deze Vroonschuld, geld in plaats van diensten voor de vroonheer te verrichten, geld te betalen.

Huslotho komt in verschillende oude wetboeken voor. Het zou de enige belasting aan de koning, verplicht door de overigens verder vrije Friezen op te brengen. Zij zou nog Karolingisch zijn. Zou het terloops genoteerde Cogsculd niet de lokale variatie op de Huslotho en Vroonsculd dan kunnen zijn? Het moet in elk geval niet worden uitgesloten dat zij een gemeenschappelijke oorsprong hebben.

Tenslotte nog de mening van M.F.P. Dijkstra in Rondom de mondingen van Rijn & Maas, 2011

“De schepen, eventueel varend in konvooi uit veiligheidsoverwegingen, arriveerden in de haven met vlagvertoon en met gezang om hun vredelievende bedoeling kenbaar te maken. Omdat de handelaar viel onder het stapelrecht (ius emporii), diende hij zich te melden bij de havenautoriteiten, met opgave van zijn logeeradres en betaling van aanleggeld (ripaticum). Tijdens het wachten op de havenmeester en andere koninklijke douaniers, bestaande uit plaatselijke ministeriale kooplieden, mocht hij de jurisdictie van het havengebied (in ripis) niet verlaten. De lading werd uitgeladen en haar waarde bepaald, waarbij de douaniers werden geadviseerd door lokale handelaren. Dan werd de tol betaald (de feitelijke invoerrechten) en een aanvullende heffing ten bate van de koning en zijn douaniers, mits deze binnen drie getijden arriveerden. In de haven van Londen noemde men dit het recht op ‘voorkoop’ (pre-emptie, feitelijk een afgedwongen lossing in ruil voor bescherming door een gastheer).

In het Frankische Rijk lijkt het conjectum, of giscot in de volkstaal, hetzelfde als voorkoop te zijn. Vanaf 815 waren de lieden van de Utrechtse kerk hiervan vrijgesteld in Dorestad (en later ook in andere tolplaatsen). Wanneer de handelaar verder landinwaarts wilde reizen kon hij in Londen deze voorkoop afkopen door het betalen van scavage (OE sceawung). Na een eerste keus uit de koopwaar kwamen de plaatselijke handelaren aan de beurt, waaraan de koopman verplicht was zijn waren te verkopen. Zij zorgden voor verder vervoer en verhandeling van de goederen. De visiterende handelaar was gebonden aan diverse beperkingen: hij mocht niet zomaar het land verder binnenvaren wanneer hij zijn waren in het emporium niet kwijt kon en hij was beperkt in de duur van zijn aanwezigheid en in de producten die hij wilde uitvoeren. Hield men zich niet aan de regels, dan viel men onder een speciale havenrechtbank. Op overtredingen stonden boetes en confiscatie van goederen.

Op basis van een lezing van Akkerman (1967, 248-249) versus Middleton (2005, 348). Conjectum gaat terug op de verplichte bijdrage in het bieden van onderdak en levensonderhoud aan koninklijke ambtenaren of militairen die op doorreis zijn. Hier zijn echter de kooplieden op doorreis. De betekenis van giscot wijst in dezelfde richting. Volgens Middleton is het een combinatie van gista (Mfr. gîte: logies, schuilplaats) en scot (OE sceat: betaling). Voor de betreffende Utrechtse oorkonden zie onder meer DB 179, 187 en 189). Zou de huslotho de benaming in de volkstaal zijn van de conjectum in de oorspronkelijke betekenis van het woord, dus voor missi en militairen op doorreis? Zie oorkonden DB 191, 195 en OHZ I, 55. 1081 Ganshof 1958, 20-22; 1959, 44-47.” Wie weet?

Utrechtsche Volks-Almanak

Om de schuld te bewijzen van het wetenschappelijk bewust misleiden van de oudheidkundige wereld, moet een beschouwing gegeven worden of men in het werk van uitgave een pastiche mocht verwachten of dat men absoluut vanuit mocht gaan dat het hier serieuze onderzoek betrof.

Enkele almanakken worden vandaag nog uitgegeven. Meer uit traditie en lokale folklore nemen velen jaarlijks nog velen een van de voorhanden zijnde merken een exemplaar in huis. Vroeger, nog voor er internet was, voordat de voornaamste adressen in een telefoonboek waren terug te vinden, was voor de inwoner of gast in menig stad de almanak de middel om alle relevante informatie over het openbare leven op te doen.

Er was een min of meer vaste indeling ontstaan voor de almanak. De Utrechtse kwam rond Nieuwjaar uit en bestond uit drie delen, de eigenlijke almanak, de mengelwerken en de dichtwerken. De almanak gedeelte begon uiteraard met een uitgebreide kalender, multiculturele jaartallen, zonsverduisteringen en verjaardagen van het koninklijk huis.

Hierna trof men allerhande informatie over het openbare leven, wie wat waar de overheid was, scholen en instellingen en merkwaardige (dat wil zeggen, belangrijke) gebouwen. Daarna volgde het openbaarvervoer. De trein had zijn intrede gedaan en nam ook de eerste plaats in. Van het bedrijf niet slechts de directie met naam vermeld maar ook opzieners en een kassier.

Maar nog veel meer pagina’s betreft vervoer ter water en het wagenvervoer. Een uitgebreid netwerk van verbindingen waar je jezelf of wat spullen vanuit Utrecht kon vervoeren. Ook naar ’t Gooi, Vechtstreek en omgeving, zelfs naar Maartensdijk. Hierna volgen eerst de mengelwerken en dan de dichtwerken. Het laatste gedeelte was waar allerlei creativiteit een plaats had. Feestliederen, oden, sproken, al wat het sentiment aansprak mocht in dit gedeelte een plaats vinden. En enkel plaatje voor de sier. Daarin kon je jezelf zorgeloos verliezen als je zaterdag om 11 uur ’s ochtends bij de Bakkerbrug op een schouw richting Maartensdijk was ingestapt.

De mengelwerken maakten het belangrijke middelgedeelte uit. De uitgever L.E. Bosch bestede als redacteur er veel werk aan. Hij schreef er ook enthousiast kopij voor. Er was ruimte voor allerlei wetenswaardigheden die de interesse konden hebben. Natuur, eeuwigdurende kalenders, sociale en politieke beschouwing, wat de overheid met de runderpest in 1811 had gedaan. Een belangrijke schilderij kon in het gedichten gedeelte een mooie patriottische ode ontvangen, hier zou echter een kunsthistorische beschouwing kunnen plaatshebben.

Boven alles was er aandacht voor geschiedenis. Vaak gelijk nog steeds in lokale blaadjes het geval is, aandacht voor kleine weetjes, aanvullingen op bekende verhalen, vondsten met veel colour locale. Bijdragers kenden elkaar uit de academische kringen en cultureel leven. Gewoon was men zich tijdens het universitair reces de tijd te nemen zich aan gevarieerd onderzoek uit persoonlijk interesse te wijden. Had men iets te melden, meer dan een kolom, minder dan een boek, kon men bij de heer Bosch terecht. Vaak waren het kleine onderwerpen, een interessant brief uit een gekochte verzameling, een stoffig boek bij een oude rijke familie mogen inzien. Maar zeker voor zaken van groter belang stond het kantoor van Bosch open.

Het is duidelijk dat de uitgever het stuk niet in de mengelwerken had opgenomen, als die zelf niet overtuigd was van de echtheid. En als die echt was, had Bosch daarmee een groot primeur te pakken. Ook het publiek ging er aldus ook vanuit dat het boekje van Bosch echt onderzoek faciliteerde. Het was een goede reden dat men oude exemplaren verzamelde, zoals ook later bij de uitgaven van vereniging Oud-Utrecht.

De vervalsing zal voor Bosch gevoeld hebben als een persoonlijk affront. Zeker niet zoals beschaafde heren zich onderling behoorde te verhouden. De dader heeft of zeer weinig respect voor de uitgever getoond of heeft op een behoorlijk verwrongen wijze indruk op deze willen maken. In elk geval een grote zelfoverschatting. Dader heeft wel de vruchten hiervan geplukt en is tot grote achting gedurende zijn leven gestegen..

biografie

Dader Van den Bergh werd in 1805 in Düsseldorf geboren als zoon van Johannes Cornelis van den Bergh en Josephia Eliana Serrurier. Zijn vader was als oranjegezinde tijdens de Franse tijd uitgeweken naar Duitsland. Na de Latijnse school in Amsterdam te hebben gevolgd ging hij in 1823 Nederlandse taal- en letterkunde, geschiedenis en rechtswetenschappen studeren aan de Utrechtse hogeschool. In 1830 sloot hij zijn studie met een promotie af. Als lid van het Utrechtse studentencorps nam hij deel aan de Tiendaagse Veldtocht in 1831.

Reinier-Cornelis-Bakhuizen-van-den-Brink.

Zijn proefschrif was Dissertatio juridica inauguralis, sistens observationes selectas de perjurio ejusque poena, oftewel geselecteerde observaties over meineed en de bestraffing ervan! Ironie ten top! Hij breekt daarin heus geen lans voor het straffeloos valse getuigenissen kunnen afleggen!

Hij begon zijn maatschappelijke loopbaan als advocaat bij het Hoog Militair Gerechtshof in Utrecht. Tien jaar voor de publicatie had de vervalser in Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer, Utrecht 1836, geschreven: ‘Een altaar uit den heidenschen tijd vermoed ik in de lage Vuursche, gewoonlijk de Vuurst genoemd, alwaar een ontzaglijke steen op vier kleinere rustende zich bevindt, door drie reusachtige boomen overschaduwd. Het dorp ligt aan de hei, drie uren van Utrecht.” Het boekje is zeldzaam. Het zal een kern van waarheden bevatten, met een schepje zout te nemen. Het is geen standaardwerk geworden en er wordt weinig naar verwezen.

In 1838 richtte hij het tijdschrift Bibliotheek voor oude Nederlandsche Letterkunde op. In datzelfde jaar startte hij een onderzoek in het Franse Rijsel naar de daar aanwezige archiefstukken die van belang waren voor het bestuderen van de Nederlandse geschiedenis. Zijn bevindingen werden gepubliceerd in drie delen getiteld Gedenkstukken tot opheldering der Nederlandsche geschiedenis, die respectievelijk verschenen in 1842, 1845 en in 1847.

In 1849 werd dader benoemd tot leraar aan het gymnasium van Leiden en tot privaatdocent aan de Leidse hogeschool. Het geven van onderwijs bleek niet zijn sterkste kant te zijn en na een jaar zag hij zich genoodzaakt om zijn werk neer te leggen. Hij was in die tijd bibliothecaris van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. In 1852 verscheen van zijn hand het Handboek der middelnederlandse geographie. In datzelfde jaar werd hij door Bakhuizen van den Brink naar het Rijksarchief gehaald als diens rechterhand.

Dader werd in 1855 benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. In 1856 werd hij benoemd tot adjunct-archivaris nadat Bakhuizen van den Brink twee jaar eerder rijksarchivaris was geworden. In 1865 werd dader op voordracht van Thorbecke na het overlijden van Bakhuizen van den Brink benoemd tot rijksarchivaris. In 1887 ging hij op 82-jarige leeftijd met pensioen. Een half jaar later overleed hij in zijn woonplaats Den Haag. Van den Bergh was ongehuwd.

Dader heeft tal van publicaties op zijn naam staan. Behalve over archiefzaken schreef hij dichtwerken en werken over geschiedenis, volksoverlevering en taalkunde. een niet complete lijst bevat onder andere

Dissertatio juridica inauguralis, sistens observationes selectas de perjurio ejusque poena, de proefschrift, Utrecht, 1830

Wapenklank, 1830

Bespiegelingen over den aard en de ontwikkeling onzer taal, Leiden, 1831

Het Baskische meisje in den burgeroorlog van 1834-’35, Utrecht, 1835

Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer, 1836, Utrecht.

De leer der enkele en dubbele vokaalspelling in het Nederduitsch, onderzocht en opgehelderd, Rotterdam, 1836

De Nederlandsche volksromans : eene bijdrage tot de geschiedenis onzer letterkunde, Amsterdam, 1837

Onze oude liederen en kleine gedichten, 1839

Gedachten over armoede, overbevolking en kolonisatie, Leiden 1845

Brief van kloosterbroeder Harmarkerus aan broeder Gozelinus te Keulen, Utrechtsche Volksalmanak 1846

Proeve van een kritisch woordenboek der Nederlandsche mythologie, Utrecht, 1846.

Gedenkstukken tot opheldering der Nederlandsche geschiedenis: opgezameld uit de archieven te Rijsel en op gezag van het Gouvernement uitgegeven, Leiden 1842 t/m 1847

Grondtrekken der Nederlandsche wapenkunde, Leiden, 1847

Over den oorsprong en de beteekenis der plaatsnamen in Gelderland, 1847

De Nederlandsche wateren vóór de twaalfde eeuw, 1850

Nog een woord over Leidens regt op het Haarlemmermeer, 1851

Fragmenten van Oud- en Middel-Nederlansche poëzij en proza, 1852

Handboek der Middel-Nederlandsche geographie, naar de bronnen bewerkt, Leiden, 1852

Berigten over de Kamer van Justitie te Vianen, 1853

’s Gravenhaagsche bijzonderheden, ’s Gravenhage, 1857/1859

De geslachten van Velsen en Woerden, 1860

Grondtrekken der Nederlandsche zegel- en wapenkunde, Amsterdam, 1861

Het huis Teilingen, Haarlem, 1869

Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Uitgegeven van wege de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, 1873

Het proces van Oldenbarnevelt getoetst aan de wet, ’s Gravenhage, 1876

Nijmeegsche bijzonderheden, Nijmegen, 1881

De binnenlandsche staatkunde van Oldenbarneveld, 1882

Het Rijksarchief te ‘ s Gravenhage, 1882

gevolgen

Zijn stuk heeft voor het begrip van Cogsculd geen grote gevolgen gehad. Hoe anders is dat voor onze Steen aan de Vuursche. In 1833 werd over de steen voor het eerst gepubliceerd. Scheltema’s Berigt aangaande een oud altaar (dolmin), of een naar een hunebed zweemend overblijfsel van de eerste bewoners dezer landen, in het dorp de Vuursche, in zijn Geschied- en letterkundig mengelwerk, hield beide mogelijkheden open.

In 1836 heeft dader reeds een lans gebroken voor een “altaar uit den heidenschen tijd” op de Vuursche. De brief moest in 1847 de coup de grâce voor zijn particuliere theorie zijn. Deze frame heeft zijn doorwerking gehad. Een bijzonder steen roept om een naam. Terwijl een groot deel van de liefhebbers lange tijd ervan uitgingen dat de steen, die ontbrak op de populaire gravure van deze plek, als folly of eyecatcher was neergezet in de 17de, 18de of 19de eeuw, heeft het geschrift, (waarom liggen de draagstenen dan een half metertje onder de grond?) bijgedragen aan het idee dat het niet tot de hunebeddencultuur hoorde of tenminste als dolmin (beter is dus dolmen) tot een vroegmiddeleeuwse heidense cultus hoorde.

De schade betrof de populaire bekendheid van de steen enerzijds, een ontvankelijk deel van regionale en nationale oudheidkundigen anderzijds. Talloos zijn de ansichtkaarten en populaire uitgaven waarin naar de steen als dolmen wordt gerefereerd.

Maar nog groter is de schade voor onderzoekers. Voor velen bleek het verhaal te smakelijk om er geen kern van waarheid achter te voelen. Al was de steen oorspronkelijk een TBR graf, dat hoeft niet uit te sluiten dat millennia later de steen als altaar gebruikt hoeft te zijn. Het zou een tastbaar bewijs zijn van de moedige en heilzame kerstening van onze streken. Heiden zijn hier tenslotte in deze periode gekerstend. De duivels zijn toen afgezworen. Een kern van waarheid.

We weten dat Pluim (1896a-c; 1919a-b), Pleyte (1896), Grimberg (1896) en Van der Schaaff (1896) zich in het idee lieten vangen. Maar er zijn nog veel meer mensen, die bijvoorbeeld als geïnteresseerde dit uit één hun werken vernam of uit de krant of op een ansichtkaart. De ware aard van het pastichje was zeker niet voor al deze mensen evident.

Zelfs jeugdige leden van de GSAW (in De Wodanseik, begin jaren 1960), en IPP-studenten nog in 1985-93. En dan zelfs werd in de doctoraalscriptie van de IPP-studenten R.R. van Zweden, E. Jansma & KJ. Steehouwer (1985), de Brief van Hamarkerus opnieuw als belangrijke echte bron opgevoerd. In 2001 kon Van Zweden noch Steehouwer zich Hamarkerus’ brief herinneren. Dr Bakker heeft hun er nog op geattendeerd. Jammer genoeg is deze brief door de IPP-student W. Wimmers op grond van die ongecorrigeerde scriptie opnieuw als bron gebruikt in Wimmers & Van ZwedenArcheologische en historisch-geografische elementen in een natuurgebied, 1992, het standaardwerk van de Gooise archeologie, een kleine schande. en door Wimmers herhaald in 1993 in An Naruthi thiu kirica endi kiric land: nieuw licht op een veelbesproken vermelding!

“‘Oh geest van van den Bergh!’ verwenste een vroeg- 20e-eeuwse auteur (die ik helaas niet terugvinden kan) de mystificateur terecht.” merkt JAB terecht op. Tegen deze achtergrond valt te constateren dat er weinig urgentie gevoeld is om vele jaren na het onbeholpen oorspronkelijke onderzoek van Janssen alsnog een nieuw hunebed te ontdekken. Het zou het meest westelijk en zuidelijk liggend hunebed zijn in Nederland. De overigen zijn allen rijksmonument. Onze steen maakt slechts deel uit van een beschermd dorpsgezicht. Dat is dan iets.

Blok’s analyse van de Goederenlijst

oproep aan Nederland

Het heeft uiteraard geen zin dader op te graven en voor het gerecht te brengen. Niet kies. Wat zijn reputatie betreft, de kwestie zal een lelijk smet blijven op zijn blazoen. Terecht.

Zelf is hij afgestudeerd op het kwalijke van valselijk getuigen. Niemand beter die beter wist dat het kwalijk was de oudheidkundige wereld te misleiden, overtuigd dat je ermee weg kunt komen.

Hij is er ook mee weggekomen, helaas. Zijn reputatie en positie in de oudheidkundige wereld is alleen maar gestegen. Toegegeven, hij heeft er hard voor gewerkt.

Een reputatie die echter wel van te lijden heeft, is die van de Steen aan de Vuursche. De naam Dolmen is bij het grote publiek ervoor ingeburgerd. Geen archeoloog bij RCE of provincie die zijn vingers eraan wil branden. Sommige sprookjes, al is het bekend dat ze sprookjes zijn, hebben blijkbaar een duurzame nawerking. Bij onze steen is deze na bijna twee eeuwen nog voelbaar. Zelfs onze actuele standaardwerken blijken ermee besmet.

Ik roep allen die de Gooise oudheid liefhebben en de Steen aan de Vuursche in het bijzonder om zelf niet meer over een altaar/offersteen/dolmen te spreken. Daar waar anderen in onwetendheid het nog zo benoemen, zou u op de hoogte kunnen stellen van het verhaal.

Een bijzondere steen roept om een naam. Maar het zou minder een leugen zijn van het Hunebed aan de Vuursche te spreken. Echter juister zou zijn mogelijke of waarschijnlijke Hunebed. Geen gevleugelde uitdrukking. Op zich kan men het neutraalst spreken van de Steen aan de Vuursche.

Als het monument teruggaat naar de trechterbekercultuur is het mogelijk dat het oorspronkelijk iets groter geweest. Ook van de officiële canon van hunebedden is bekend dat stenen verpatst zijn voor enkele knaken. De grond onder de huidige steen is verstoord en archeologisch niet meer van waarde. Maar de grond in het verlengde van de Steen kan zeer wel bewijs bezitten van een TBR cultuur, door scherven of grondsporen. Er zijn tegenwoordig nog meer mogelijkheden technisch bewijs voor een periodisering te leveren.

Ik roep iedereen die een hunebed op de Vuursche toch wel van belang acht, dit gegeven ter harte te nemen. Neem de vlam op voor deze Steen. Als u één van de zeldzame mensen bent die invloed op dit soort processen heeft of zo’n persoon kent, doe er wat aan.

Ieder schepje grond kan maar éénmaal archeologisch worden opgegraven. Ondeskundig onderzoek zou meer kwaad doen dan ons verder helpen. Ik weet niet of bij de huidige generatie archeologen er nog vele zijn met actuele kennis van hunebeddenbodems. Maar sinds begin van deze eeuw, toen dr Jan Albert Bakker zijn stukken schreef, is de wetenschap vooruit gegaan. Als de verstoring na aanrijdingen niet te groot zijn geweest, zou je kunnen denken aan een monster zand van onder de draagstenen te nemen om te kijken hoelang geleden het zand dáár daglicht heeft gezien. Alles in goed overleg.

Ik heb gezegd.

Yankel Jan Kobalowitz, Hilversum oktober 2024

Reageren?