Anoniem Voormalig Veen aan het Lambert Veens Pad

Het veen heeft in deze lage landen in de oudheid zijn saillante rol gehad in het leven van de mensen. De randen van voormalige moerrassen heeft de archeologie vele schatten opgeleverd. Menig offergave. Maar vooral vanwege organisch materiaal. Veenlijken maar ook restanten van wegen, aangelegd duizenden jaren geleden. Niet duidelijk wat de zuiver economische nut van deze waren. En of die er vanuit hun aard wel was.

Op zandgrond zijn die organische vondsten veel zeldzamer. Het rot weg in de grond, spoelt uit door regen en laat vaak alleen een vlek na. Als er dan ooit al grondprofiel gemaakt wordt. En dat deze tussen allerlei ‘natuurlijk’ optredende vlekken herkend wordt. Getekend of gefotografeerd wordt en gedeeld met ander geïnteresseerden.

In zuurstofloze, licht zure veen is er een veel groter kans op organische archeologica. Daarin lost al het calcium houdende wel langzaam op, maar huid wordt gelooid. Ook haar en al wat van plantaardig materiaal is gemaakt, blijft. Wat heet, het veen is zelf niets anders dan niet vergane plantaardig materiaal.

Hoorneboerg, Zwarteberg & Veen

Je vindt dus ander materiaal in (voormalig) natte omstandigheden dan op het droge zand. Dus dat op droge zand geen veenlijken worden teruggevonden, zegt niet dat er geen vergelijkbare disposities daar zijn geweest. Wel dat er veen nodig is voor veenlijken. En dat die een zoveel rijker bron van informatie zijn dan lijksilhouetten in het zand. Het zijn iconen van het archeologische patrimonium, die eigennamen krijgen en hun naam aan clubs of instituten kunnen overdragen. Kom daar maar eens om als lijksilhouet of als potje met crematie resten. We hebben ze allen lief.

Dus met alle wetenschappelijke voorbehouden lijkt het moeras voor de vroege boeren van bijzondere betekenis te zijn geweest als overgang van één wereld naar de ander, wat dat dan ook betekenen mocht. Een deel van de overweldigende natuur waaraan de gemeenschap zich moest relateren, die uit zich of door krachten erin respect verschuldigd was. Tevens leverde het een aanvulling op het wellicht karige bestaan met geneeskundige kruiden, vogels, riet en wat nog meer zij. Reden genoeg enig eer te geven.

Of ons veentje ook reeds in de brons- en ijzertijd als moeras bestond, staat beslist niet vast. Over de bergen naar het zuiden, Hengstenberg, Zwaluwenberg, Zwarte Berg en Hoorneboeg bevond zich in de middeleeuwen het grote moeras, een onoverzienbare veenkussen, aaneengegroeid na de Romeinse tijd en vanaf het tweede millennium beetje bij beetje teruggewonnen op de natuurkrachten.

Ons veentje was in zijn kern 500 tot 600 meter breed, met uitlopers aan de noordzijde links en rechts, nog te overzien. De huidige uitgegraven bodem bevindt zich omtrent tweeënhalve meter boven NAP. Een hoogveen, vermoedelijk ontstaan uit een wasmeer zoals er veel meer in de buurt geweest zijn. Ingespoeld met water vanuit de hogere omgeving op een minder goed doorlatende bodem. Hierna langzamerhand dichtgegroeid.

Op de hoogtekaart van het gebied vormt de Hoorneboeg de mooie wederhelft van het veen, verbonden door een weg. Tegengestelde pendanten. En het heide en bosland ertussenin behoort tot de rijkste archeologische landschappen die we hebben. Tal van losse vondsten uit vele tijden. Rondom de berg bevindt zich in verschillende richting het raadakker complex. Grote karrensporenbundels doorsnijden het terrein. Maar voor de archeo-toerist zijn het vooral de grafheuvels die in het landschap de aandacht trekken. En enkele van de mooiste, grootste liggen tegen het veen aan.

Een blik op deze tumuli aan de rand van het veen doet interesse wekken in meerdere bulten, met name op de zuidzijde van de rand. Wanneer ze echter nader beschouwd worden, ontbreekt meestal de zo kenmerkende ronde basis. Toch doemt de vraag op of deze heuveltjes tot de tumuli in relatie staan in ietwat vergraven vorm, geheel ‘natuurlijk’ zijn, na de vervening zijn achtergebleven of wat ze daar anders precies betekenen.

Zuidwesthoek Veen

Er is echter nog veel meer als we iets infokussen. De hoogtekaart van de zuidwestelijk deel van het terrein doet ons maar eens verbazen wat voor grillige vormen de natuur nadat de mens acteert, kan opleveren. Links zien we nog de sporenbundels die we nog als de voortzetting van de Eikbosserweg kunnen duiden, die tussen veen en Zwarte Berg een weg naar het zuiden & grote veen zoeken. Aan de grote weg is in de 20ste eeuw enig bebouwing gekomen. Het lijkt dat iets naar het zuiden ooit nog een huis geweest kan zijn.

Er lijkt een min of meer rechthoekig afgraving van het veen hier te hebben plaatsgevonden. Maar boven alles trekt vooral het terrein direct ten westen hiervan de aandacht. Diepe insnijdingen van de mens in door de natuur gevormde duinen. Maar waar houdt hier het ene op en begint de ander? En wat voor relaties heeft het één en ander?

Een recht over duin en sneden daarin getrokken greppeltje lijkt daar zo nutteloos vanaf de Hoorneboeglaan een eindje te lopen, om plotseling een haakse bocht te maken om na een paar meter te stoppen. Een stuk forser is een grachtje dat zich lichtelijk serpentijnachtig voordoet. Of is het een dubbel walletje? Het lijkt de plaats waar de monster zich in de berg heeft ingegraven. Folkloristen, grijpt uw kans!

Ook valt de sleutelgatvormige omwalling op. Toeval? Anders verdient dit object, helaas doorsneden door het grote pad, wellicht enig koud wetenschappelijke aandacht in vergelijking met ander sleutelvormige omwallingen in andere streken. Natuur of mens? Er zijn ook graven uit de late bronstijd bekend in het oosten van het land met sleutelvormige greppels eromheen. Is hier mogelijk een regionaal variant?

Hiernaast bevindt een duidelijk door mensen opgeworpen omwalling. Rechthoekig, iets toelopend, met twee gedeeltes, ongeveer 50 X 25 meter groot. Zou de uitgegraven grond eromheen erbij horen? Hij past mooi tussen de duinen. Tijd en functie onbekend maar de suggestie van een relatie met de veenontginning dringt zich op.

het Zuiden van het Veen

Bezien wij het zuiden van het veen over de Utrechtse Weg, is het beeld niet veel minder rijk. Wel zijn de verwijzingen naar het verleden duidelijker. Op de licht bewerkte hoogtekaart is het duidelijk dat we hier naar een vervening kijken. Rechts loopt tussen het spoorweg ravijn en het veen het Lambert Veenspad. Er loopt een ommegang, rondweg om de kern van het terrein vanaf de grote weg, die ook in het noorden is terug te vinden. Alleen hier tegenover aan de andere kant van de grote weg zijn eventuele sporen hiervan verdwenen.

Inmiddels Droge Gracht

Op de zuidelijkste punt van die ommegang, tevens het laagste gedeelte van het terrein, zijn de greppels ter weerszijden hiervan, tot kleine grachten uitgegraven. Ook langs de grote weg loopt een gracht. Tegenwoordig staan deze allen droog. De kern van het terrein toont een blokjesstructuur, die na de vervening zal zijn achtergebleven. Het terrein ten zuiden van de ommegang laat weer een waaier structuur zien.

Het terrein is doorweven van karrensporen. Er zijn bergjes, enkele walletjes en greppels. De fijne arcering parrallel aan de grote weg zal resultaat zijn van mechanisch bosbouw en moet vrij recent zijn.

Dubbele Gracht op het Laagste Punt van het Veen

De functie van de grote greppels is op zich ook duidelijk. Die voerden hier water af. Waarschijnlijk verbraken deze de moeilijk doorlaatbare laag. Dan zal er hier geen wasmeer kunnen ontstaan en zal hier nooit meer hoogveen zich vormen. Tegenwoordig is alles zo verdroogd. Vraag blijft of die greppels uit de oorspronkelijke vervening zijn ontstaan of later zijn gegraven of verder uitgediept om het terrein voor landbouw (veeteelt) geschikt te maken, omdat het zich anders weer met water zou vullen.

Noordoostelijk Gedeelte van het Veen

De hoogtekaart van het noordoostelijk stuk van het terrein is grotendeels een voortzetting van het terrein ten zuiden. In het noorden zijn ook hier langs de grote weg woningen gekomen. Bij de ingang van het terrein is de greppel langs de weg onderbroken. Het weggetje noordwestwaarts door het bos, het Huydecopersspoor splitst zich hier voor een stukje. In het hoekje dat dit vormt met het zuidwestelijke pad is een rechthoekig terreintje waar honderd jaar geleden nog een gebouwtje heeft gestaan, waarschijnlijk een schaapsschot of ander soort schuur.

Reeks 3,80 Meter Brede Stroken in het Bos

Maar ons aandacht gaat hierop toch met name uit naar de arcering rechts. Anders dan die links aan de grote weg zijn deze groter uitgevoerd. Bij bosbouw liggen de stroken misschien 1,20 of 1,50 meter uit elkaar. Hier zijn de stroken maar liefst 3,80 meter uit elkaar. Ze zijn ook fors genoeg om zonder veel moeite in het veld terug te vinden. Deze worden ook elders nabij verveningen teruggevonden en kunnen derhalve hiermee geassocieerd worden. Ik ken geen schriftelijke bronnen waarin ze precies omschreven zijn. We kunnen ons voorstellen dat blokken vochtig veen hierop ter drogen werden gelegd. Immers veen moest droog verkocht en gebruikt worden en vocht was ongewenst extra gewicht waar je niets aan had.

Dit gebied heeft zoals vele soortgelijke te veel details om allen in het kader van ons rubriek te benoemen. Ieder wordt van harte aangemoedigd zelf op onderzoek te gaan. Dit is een mooi voorbeeld van een voormalig hoog vervening, waarover eigenlijk nog niets geschreven was en zelfs geen officieel naam heeft. Andere landschappen hebben hun andere eigenaardigheden. En vanachter ieder digitale verbinding kun je eerst op hoogtekaarten via AHN3 naar die eigenaardigheden speuren om vervolgens in het veld te bedenken wat je er precies van vindt.

Noordwestsen van het Veen met Grafheuvels

Als wij tenslotte nog op een hoogtekaart van het noordwesten van het terrein kijken, krijgen we weer ander informatie. De ommegang lijkt hier hoog over een natuurlijke duinrand te lopen. (U kunt het zelf met bovenstaande link nalopen.) De majestueuze grafheuvels zijn al bekend genoeg. Zij geven elk bezoeker een esthetisch genoegen. Maar heeft u ooit beseft hoe dicht onder de zuidelijkste een greppel loopt. We kunnen eigenlijk wel spreken van het insnijden ervan.

Majestueuze Grafheuvels

Het lage terrein achter de tumuli draagt minder evident de sporen van vervening. Toch lijkt dat al met al hier ook het waarschijnlijkst. Het zou in elk geval die anders toch wel opmerkelijke greppel verklaren. En misschien doet die dat hier ook. Maar dat verklaart niet waarom die greppel omhoog loopt over het duintje aan de rand van het veen. Ook niet waarom die de grafheuvel insnijdt. Waar zit de functie? Zaten ze om werk verlegen of had men een punt te maken?

Die greppel blijkt te bestaan als het noordelijkst van een brede laan tussen de heuvel en het veen. Die Hoorneboeglaan blijkt meer in te houden dan de geasfalteerde strook en daaraan geplante bomen. Hoewel de greppel zelf niet helemaal doorloopt naar de Hoorneboeg, maakt zij deel uit van een vrij brede strook tussen de grote berg en het veen. Een ander weg loopt ten noorden van de huidige, geasfalteerde oprijlaan. In het verlengde van deze spoor is op het terrein van de huidige landgoed een fragment van een vroegmiddeleeuws zwaard gevonden. Het GNR ontmoedigd gebruik van onverharde weg en greppel als doorsteekje tussen bos en hei, tevens terreingrens.

Onverharde Laan

Aan de rand van het veen maakt de gehele strook een knik. Dit is wel iets merkwaardig. Ware de laan doorgetrokken om recht op de Utrechtse Weg te lopen, zou die knik niet nodig geweest. Als we boven naar de de overzichtskaart van de gehele veen kijken, wekt de gehele verloop de indruk oorspronkelijk geraaid te zijn op de plaats over de weg waar dat gebouw ooit in het hoekje stond en de daarachter gelegen Huydecopersspoor.

Natuurlijk kan zo’n knik er zitten omdat of die er zo ontstond toen de vervening plaatsvond of bijvoorbeeld omdat vanaf de grote weg schuine kavellijnen zijn getrokken. Maar normaal lopen die recht. Geen wet van Meden & Perzen. De hoogtekaart geeft tegenwoordig de mogelijkheid aan de hand van de fyschische oppervlaktestructuur voorzichtig iets aan historische geografie te doen, waar dat vroeger onherkenbaar bleef. Het moge geen hard bewijs zijn, het geeft toch een sterke vingerwijzing..

Hoorneboeglaan (doorsnijdt Duin en kinkt)

Wat ook opvalt, is dat de noordelijke, onverharde laan of spoor en de greppel tegen de duinrand van het veen oplopen terwijl de moderne oprijlaan door de rand heen is gegraven. Deze laatste ligt echter weer tevens iets verhoogd van het niveau waarop het veen is weggegraven. Ook merkwaardig is hoe die greppel plotseling ophoudt. Een ander greppel noordwaarts begint daar maar sluit er niet precies op aan.

Het is goed mogelijk dat de strook vanaf de berg tot de randduin veel ouder is dan de vervolg door het uitgeveende terrein. Toen het naar alle waarschijnlijkheid nog een wasmeer was, kon daar natuurlijk sowieso geen weg doorheen lopen, tenzij hier specifiek heel wat moeite voor verricht zou zijn geworden.

Tienhovens Kanaal geprojecteerd over Huide Koperspoor in 1843

Over de reeds genoemde Huydecoperssproor zijn wij iets beter ingelicht. In 1797 koopt Joan Huydecoper van Maarseveen en Neerdijk kasteel Groeneveld bij Baarn. Hij liet een privéweg aanleggen van deze nieuwe woning naar zijn woning in Maarseveen (!), waar dit stukje onder andere nog van over is. Een ansichtkaart van rond 1900 toont nog het verboden toegangsbordje, voor hen die daar omhoog keken. Grond was toen nog niet zo duur en Joan was een grote bobo. Later is deze strook nog in nadere belangstelling gekomen omdat hierlangs een verlenging van het Tienhovenskanaal werd geprojecteerd, die zou aansluiten op de Gooiersgracht achter Blaricum. Een in verband hiermee getrokken greppel is nog tot aan de A1 nog na te speuren.

Tenslotte volgt een beschouwing van de twee noordzuid lopende verbindingen in het gebied en hiermee iets over de nomenclatuur. De één een lokaal functionerend bospad tussendoor, naar aanleiding van een dramatisch aanrijding met een trein vrij geruisloos aan het openbaar verkeer onttrokken, de ander tot de komst van de snelweg iets naar het oosten de voornaamste route vanuit het Gooi naar Utrecht.

Hoekje van de Wereld rond 1770 (noorden links)

Beider begin moet vrij bescheiden zijn geweest. Oudere kaarten kunnen ons slechts ten dele iets over zeggen. Als er in het buitengebied wegen van lokaal belang worden opgetekend, gebeurt dit vrij summier. Op een kaartje van het gebied van omstreeks 1770 lijken er vanaf de Veendrift (Emmastraat) bij Hilversum links, min of meer twee routes zich tussen zuidwaarts (naar rechts) te begeven tussen Eikbos(ch)serweg en Maartendijkse Weg. Zelfs deze laatste is anoniem op de kaart opgenomen, hoewel die toen zeker nog van enig betekenis was.

De route van de Vuursche op ’s Gravenland, ook wel Vuursche Dreef genoemd, die precies iets ten noorden van alle bergen liep, ontbreekt zelfs geheel, terwijl die er toen wel degelijk geweest moet zijn. Ook alle individuele bergen ontbreken. De gehele omgeving is generiek als heuvelachtig ingevuld. Dat valt in de praktijk best mee. De meeste paden en sporenbundels houden rekening met enkele echte hoogtes en lopen grotendeels over een min of meer vlakke ondergrond zonder hiervoor al te grote kronkels, stijgingen of afdalingen te hoeven maken.

Ook een precieze verloop van aangegeven routes dient met voorzichtigheid op oude kaarten gezocht te worden. De route van de latere Utrechtse Weg sloot pas aan op de bundels van de Eikbosserweg, zoals ieder snelle blik op AHN3 toont, voorbij de Zwaluwenberg, bij de Blokhoven. Misschien moeten we de kaart zo interpreteren dat het Lambert Veenspad ontbreekt. Of de latere Utrechtse Weg juist ontbreekt. Dat er bijvoorbeeld bij slecht weer een afsteek naar de Eik Bosschserweg bestond, lijkt zeer aannemelijk.

De natuurlijke omgeving was iets om rekening mee te houden in voorgaande eeuwen. Sommige routes waren voorbehouden aan de warmere maanden en droog weer. De omgeving was vroeger nog niet zo uitgedroogd als nu. Maar ook de onverharde weg omhoog over de berg kon op momenten hinder geven.

Beide routes zullen hiermee te maken hebben gehad. Beiden kruisten die Weg van de Vuursche, op ‘s Gravenland, Vuursche Dreef nog voordat de keten bergjes volgden. De Utrechtse Weg nog niet deze naam. We zullen het hier maar beter de Weg (Pad of Spoor) op de Tolakker noemen. In tegenstelling tot de Eikbosserweg, waarvan de bundels tussen Zwarte Berg en de Zwaluwenberg probleemloos doorsteken, pakt de Weg op de Tolakker de toppen mee van die Zwaluwenberg. Tegenwoordig nog wel een bult voor de fietser. Voeger moet deze op onverharde grond nog steiler hebben gelopen. Nu is er bij de bocht de weg een flink stuk van de berg ingesneden. De meest rechte weg was dus niet noodzakelijk het gemakkelijkst of snelste.

Het Lambert Veenspad slingerde iets verderop voort. Zijn route wordt nu doorsneden door de spoorbaan. Het stukje over het spoor wordt ingeklemd door spoorlijn en snelweg en is na het ongeluk afgesloten. Maar in historische tijden liep het in elk geval nog door tot op die Vuursche Dreef, ongeveer op de plaats waar de fietsbrug over het spoor loopt. Zeer waarschijnlijk liep het ooit een stukje door naar het Tolhuis en de Tolakkerweg, of kwam in elk geval daar vlakbij uit. Dan werd een route tussen Hengstenberg en Zwaluwenberg benut. Alles wat eraan zou kunnen herinneren in het landschap is in verschillende periodes met verschillende ingrepen weggegraven.

Lange tijd zullen beide wegen een bescheiden bestaan hebben gehad. Mogelijk liepen één of beiden oorspronkelijk niet verder dan het veentje. Later zal het niet heel druk geweest zijn. Als één van de twee zou kunnen uitgroeien, zou dat eerder het Lambert Veenspad geweest zijn. De geschiedenis heeft toch anders beslist. In 1837 werd de Weg op de Tolakker verhard en werd het met aansluiting op een verbeterde Tolakkerweg herbenoemd de Utrechtsche Straatweg, na 1883 eenvoudig Utrechtse Weg genoemd. Lambert Veens pad bleef achter afgeknepen tussen spoorlijn en snelweg, een kwijnend bestaan. Er is geen doorlopend pad meer. Het zal zo snel vergeten worden.

We zijn geneigd wat we uit het heden kenen, terug te projecteren op het verleden. Dat de grote weg hier het belangrijkst is en dus wel het oudst zal zijn. Toch ben ik geneigd te veronderstellen dat een pad naar het veen toe waarschijnlijk ouder is dan het pad erdoorheen. Zeker waar het het stukje erdoorheen betreft. In dit geval vermoed ik ook een aanwijzing in de naam.

Namen zijn noodzaak, voor de administratie. Het terrein ten oosten van de grote weg, waar het veentje toe behoort, tussen de huizen en spoorlijn, is door het GNR aangeduid met Lapersbos. Dat is zeker geen historische naam. Het terrein is eerst door het spoor en later de snelweg afgesloten van het gebied waar het oorspronkelijk deel van uitmaakte, het Gooiersbos. Dit stukje natuur lag nog wel in het verlengde van het Lapersveld in Hilversum en dit leek een prima naam aldus. Inmiddels is het alweer afgesneden maar nog wel bereikbaar vanaf het Lapersveld. Dit heeft zijn naam te danken aan de ligging aan de vroegere Lapersweg, namelijk de Soestdijkerstraatweg. Het historische Laapersveld, waar de beroemde slag in 1348 plaatsvond, bestond waar deze weg op de grens van Hilversum en Baarn overgaat in de Hilversumse Straatweg, ter hoogte van het Kievitsdal. Dus iets Laper heeft in deze omgeving eigenlijk niets te zoeken. Laten we het hier dus zeker geen Lapersveen noemen.

Op de achtergrond verheft de Hoorneboeglaan zich in groen boven het verveende veld

Het Straatnamenboek Van Hilversum door A.H. Meijer uit 1988 weet onder andere het volgend te melden over het Lambert Veenspad. “Genoemd naar Lambert Veen die in de vorige eeuw (dat wil dus zeggen 19de eeuw) als bode (!!) deze weg van Hilversum naar Utrecht geregeld heen en terug wandelde”. En verder dat in raadsstukken het ook wel Lammert Veenspad werd genoemd.

De schrijver heeft enkele van deze straatnamenboekjes geschreven, wist de weg door de gemeentelijke archieven. Zeer leesbare boekjes met leuke feitjes. En eenmaal gedrukt wordt het een gemeentelijk standaardwerk & worden de feitjes tot canon. Maar aan dit verhaal heb ik toch de neiging te twijfelen. Het verhaal kan haast niet kloppen..

De suggestie is dat een gemeentebode van Hilversum in de 19de eeuw, maar nog voor de komst van de trein, vanuit zijn ambt regelmatig op en neer naar Utrecht moest. En dan misschien om geld uit te sparen, de afstand liep. Maar daarbij óók steeds dit paadje nam. Wellicht woonde hij nog wel aan het Veeneind terug, maar die route is wel om als die vanuit het raadhuis aan de Kerkbrink heen naar Utrecht moest vertrekken. Maar misschien was hij wel dienstbode. Of postbode. En toch kan het verhaal haast niet kloppen.

Het heeft hier toch veel van weg dat de schrijver een verhaaltje is aangemeten. Steeds op zoek naar het verhaal achter de straat- en ook veldnamen, is de schrijver enkele malen op het Lambert of Lammert Veenspad gestuit. Deze achterhaalt wel wáár dit liep. Maar dan vraagt de schrijver zich af, voor het verhaaltje, wie zou deze Lambert (of Lammert) Veen geweest zijn. En dan loopt die vast. Die vraagt om zich heen, op het archief en op het gemeentehuis, die in Hilversum gelukkige wijze bij elkaar zijn. Blanco. Tot een gemeentemedewerker, misschien zelf wel een bode, zegt: ‘Misschien was het wel de gemeentebode die..’. Beter wordt het niet, niemand weet iets concreet. En zoals het gaat met misschientjes, aan het eind van het werk worden ze gewikt en gewogen. En als ze niet worden tegen gesproken, nee, zelfs door iemand ‘goed mogelijk’ worden gevonden, die je reeds met het verhaal over andere straten goed heeft geholpen. Dan zal dat ‘waarschijnlijk’ wel zo zijn en dat kan net genoeg zijn om in het boek opgenomen te worden. En toch kan het verhaal haast niet kloppen, hoe waarschijnlijk je het ook bedenken kunt.

‘Wat dan?’ en ‘Hoe zo?’ mag u zich dan hier afvragen.

Gemeentebodes van Hilversum hadden uiteraard in de 19de eeuw of daarvoor geen enkele reden regelmatig in een naburige provinciehoofdstad te zijn, tenzij om misschien in eigen tijd de Harde Bollenstraat te bezoeken. Maar dan had hij waarschijnlijk hiervoor geen pad naar zich vernoemd gekregen. Naar Naarden moest hij misschien, af en toe, heen. En dan over de gebaande wegen als éénieder. Men had namelijk al lang de postkoets uitgevonden.

En met andere soort bodes, verklaart misschien waarom men niet meer wist of deze zich Lambert of Lammert liet noemen, maar wordt allemaal erg vergezocht.

Lambert (ook Lammert) is nog wel zo’n mooie, oude Gooise naam. En de maagschap Veen behoort tot de oude Hilversumse erfgooiers. Dat maakt het verhaal aan de oppervlakte nog zo geloofwaardig. Wie is dan Lambert of Lammert Veen van het pad geweest?

Greppel met Grafheuvels op de achtergrond

Helaas zijn bij de grote brand van Hilversum 1766 veel waardevolle documenten verloren gegaan. Een kort genealogisch onderzoek laat je weer eens de grote kindersterfte van vroeger beseffen, ook onder de Veens. Van 11 Lambert en Lammert (van der) Veens die ons als kandidaat zijn overgeleverd, door het tot de werkzame leeftijd te brengen, zijn enkele uit de tapijtfabrikeurstak, anderen uit de arme tak, weer andere onduidelijk. De oudst overgeleverde is Lambert Peterszoon Veen, die in 1671 de koptienden overneemt van Thijmentje Gijs. Er kunnen goed nog oudere zijn geweest maar we hebben die niet terug gevonden.

Maar ik twijfel of één van deze werkelijk een eigen pad hier gehad heeft. Het kwam natuurlijk wel voor. Die Joan Huydecoper is zo’n voorbeeld. Maar als we kunnen accepteren dat het door Meijer opgetekend verhaaltje uit een duim ergens gezogen is, kunnen we met open ogen beschouwen hoe zo’n naam ons kan zijn overgeleverd. Natuurlijk wel van een Lambert, zeer waarschijnlijk.

Het heet Lambert Veenspad. Het pad van Lambert Veen. Toen ik het veentje voor het eerst ontdekte, las ik Lamberts Veenpad. Eens in Hilversum ging de Groest over in het Veeneind. Dat liep uit op de Veendrift. Hiervandaan liep een pad dat uitkwam bij ons veen. Dat zou je een veenpad kunnen noemen. Maar de naam van die pad is het pad ván Lambert Veen.

Wat waarschijnlijk is dat het Lamberts veen was. Hij kan best ook Veen als familienaam of nog slechts als toenaam gehad hebben. Dan ware het Lambert Veens veenpad. Maar dat is bij gebrek aan bewijs speculatief.

Zuidwest Hoek Veen (detail)

Ik ben taalkundig op glad ijs om de genatief s zomaar van Veen naar Lambert te verschuiven. Maar ik wil hier geen taalkundig argument maken. Wellicht was hier eenvoudig sprake van een meervoud van ‘veen’. Wel wil ik speculeren, dat ons veen ten tijde van behandeling door de gemeenteraad al lange tijd was uitgeveend. Het kan toen reeds vergeten zijn als vervening, toen nog slechts een relatief waardeloos stuk heetveld. De relatie met de naam van het toen nog bestaande pad kan best toen al vergeten zijn. Wel kende men Lambert Veen, zowel de tapijtenmaker als de arme. Ook kende men Lammert Veen, weer iemand anders. Men kende de oude veldnaam nog, maar niet meer zo precies. En enkele van de raadsleden verspraken zich. Er was tenminste een secretaris die het zo opschreef. Niemand die bezwaar maakte of er maar iets over te zeggen had.

Er zijn enkele venen in de omgeving geweest die naar personen vernoemd zijn.

In 1475 verkoopt de priorin van het vrouwenklooster Oostbroek, Gheertuyt van Gronensteyn aan Thonis Evertsoen van Vlowijck en zijn vrouw Gheertruyt “ende haeren naecomelingen” de offgrift , afgraving, van een 12 roeden breed strook tussen de Oude Gracht en de Vuursche, langs de Vrouwengrup, waar later het landgoed Pijnenburg verrees.

Dit hield het recht tot vervening in, waarna het land in oorspronkelijke hand terugging. In 1510 hebben de nakomelingen dit inderdaad teruggegeven. Vernoemd naar de uitgever of naar de gebruiker of beiden, het stond bekend als Gheerkin Veens‘.

Op een kaart van de Vuursche uit 1597 is genoteerd iets ten noorden, buiten de heerlijkheid in het Baarnse ‘Jan Huberts veenen geweest nu vuytgegraven’. Het betreft onder meer een nog gedeeltelijk omwald en begracht terrein bij de knik in de Kaapweg. Jan Huberts is hier midden 16de eeuw actief geweest. Hij is rond 1520 geboren en woonde op de Vuursche. In 1552 en 1553 attesteert hij in gerechtsonderzoeken. Er wordt over hem vermeld dat Jan Huberts in de jaren 1564-1565 beboet is door schout en schepenen van Blaricum en van Laren.

Dit zal ook bij benadering de tijd zijn geweest toen onze Lambert of Lammert zich met onze vervening heeft beziggehouden. Iets eerder of iets later nog mogelijk. De man is ons verder niet overgeleverd. Hij kan Veen geheten hebben en dit zou de verwarring hebben helpen verklaren, als we hem hadden teruggevonden. Lambert Veens veen en pad.

Een naam is uiteindelijk niet meer dan wat wij geloven dat die is. Het is ook op zich niet erg dat het GNR het bos en heide oost van de grote weg Lapersbos noemt. We hebben wel grotere problemen in de wereld. Maar ik krijg Lapers voor dit voormalige veen niet uit mijn strot. Als u het mij niet kwalijk neemt, zal ik het noemen, zoals ik al dacht dat het heette, Lamberts Veen. En mocht u dat overnemen en meerderen dat zouden, is wellicht een stukje geschiedenis hersteld. Volgt misschien de officiële naamgeving ook nog eens.

Nog veel te onderzoeken in een veel bezocht en zeer bekend gebied