Twee oude kaarten van de Vuursche uit de collectie Hingman in het Nationaal Archief te Den Haag.

deel 4

De Vierdels

Yankel Kobalowitz

Inhoudsopgave

De Vierdels op de Kaarten

De Vierdels van de Lattre

De Vierdels van de ±1625 kaart

De Vierdel van Willem Neff

De Tiendblokken bij de Vuursche

Woord van Dank

Bijlage

— Vierdeleigenaren nabij de Vuursche tussen 1536 en 1625

— Bijlage downloaden

Noten

De Vierdels

verschillende ontginningsfasen van de Vierdels nabij de Vuursche

.

De Vierdels in nauwere zin is het noordelijkste gedeelte van een uniek strokenlandschap. Smalle stroken land die schier oneindig zich naar het noorden strekken. Ze komen voort uit de eeuwenlange ontginning van de voormalige veenwildernis ten westen van de Vecht en tussen de lijn Utrecht de Bilt en het hogere land van het Gooi. De schenking door de bisschop aan het kapittel uit 1085 heeft hier deel van uitgemaakt.

De naam is afgeleid van een vierde deel van een hoeve, de hoeveelheid land in de middeleeuwen, enigszins afhankelijk van omstandigheden, waarvan een heerboer geacht werd een volwaardig bedrijf mee te kunnen voeren. Van een vierdel werd een kleine boer geacht nog te kunnen overleven. In Utrecht bedroeg een Hoeve zo’n twintig Stichtse Morgen.

Haast ononderbroken regelmatige stroken vanuit het zuiden en westen, ruim 25 meter breed, vertrokken de vierdels de wildernis in. Met een maximale lengte van bijna 12½ Km van het begin van het oude gerecht Herbertskop naar de taartpunt aan de oude Laapersweg, een nationaal cultuurhistorisch monument. Oorspronkelijk zal er nog de relatie hebben bestaan tussen een hoeve van vier stroken en de hoeveelheid land. Maar door het recht van opstrek ontstaat een wedstrijd van verschillende ontginningen in een aantal slagen gedurend enkele eeuwen de overkant te halen.

Hierdoor gaat de oorspronkelijke betekenis hier verloren en wordt een vierdel een strook met recht van opstrek. Wanneer zo’n strook nog gesplitst werd, hetgeen later een enkel keer gebeurd is, kan één vierdel twee roeden worden. Niet alleen het gebruikseigendom ging met de opstrek over aan de oorspronkelijke erfpachters, ook het gerecht waaronder de oorspronkelijke ontginning viel, schoof in de regel hiermee op.

In principe worden de sloten recht doorgetrokken. Deze patroon wordt slechts onderbroken door dwarsweteringen en -dijken waarop dan nieuwe bewoningslinten kunnen ontstaan en uit cartografische oogpunt interessante tiendpaden. Aan deze paden werden de tiende schoof verzameld, de in natura opgebrachte tiende deel van de opbrengst die aan de tiendhouder, oorspronkelijk de ambachtsheer werd afgestaan.

Over de dwarsweteringen en -dijken kan een slotenpatroon rechtdoor lopen. Bij de tiendpaden echter versprongen de sloten op regelmatige wijze enkele meters, hier meestal naar het oosten. Vaak zijn aldus deze paden na zoveel eeuwen gedeeltelijk nog terug te vinden en hiermee te reconstrueren. Deze verdeling in tiendblokken moet nog voor de eigenlijke ontginningen gedaan zijn.

Vanaf Utrecht komen we de volgende tiendpaden richting Maartensdijk tegen:

Het eerste tiendpad valt samen met de Voordorpse Dijk, die over fort Blaauwkapel loopt. De tweede valt gelijk met de Bisschops- of Oude Wetering langs de Groenekanse dijk. Hierna zijn ze terug te vinden bij de Karnemelkse Wetering, de Nieuwe Wetering en een lijn even ten zuiden van de Maartensdijk lopend over de Maartendijkse molen.

noot 79

Ten noorden hiervan zijn nog een aantal tiendpaden terug te vinden. Hierbij blijken deze paden in groepen te verdelen, waarbij de eerst vrij oost-west lopende paden een waaiervormig patroon volgen en naar het noorden steeds meer noordwest-zuidoost gaan lopen. Hierbij ligt het draaipunt van die waaierpatroon een eind ten oosten van de vierdellandschap. Dit gaat over de grenzen van de verschillende gerechten heen en moet dus door een centrale overheid zijn uitgevoerd.

Deze regelmatige patroon komt des de verder de ontginningen komen steeds meer onder druk. Verschillende ontginningsrichtingen gaan elkaar immers kruisen. Gehele ontginningen en individuele vierdelstroken worden toegeknepen en afgesneden. Echter ook gingen bij de Vuursche stroken binnen een enkel ontginning in een race naar de taartpunt elkaar knellen. Iets soortgelijks doet zich ook voor bij de Ster van Loosdrecht.

Een doorsnee vierdel is bij de Vuursche nog een meter of 20 breed. Door goed geluk of niet of (on)handig politiek en ondernemerschap zit er nabij de Vuursche behoorlijke verschillen tussen verschillende vierdels, van 11 tot 28 meter. De twee hoeven brede strook van het gerecht Overdevecht bijvoorbeeld bereikten bij de Bunten maar liefst een breedte van 262 meters oftewel 32,75(!) meter per vierdel.

zegelfragment Zweder Uterloo (vondst Anton Cruysheer)

Dat deze tiendpaden niet alleen uit cartografische oogpunt interessant zijn bewijst de vondst in 2000 van een fragment van een verguld zilveren zegelstempel van Zweder Uterloo, kastelein van Ter Eem ten tijde van de strubbelingen rond 1350, aan een voormalige tiendpad, net ten zuiden van Hollandse Rading. Zweder was kanunnik van het Domkapittel en vicaris-generaal (plaatsvervanger) van het bisdom Utrecht onder bisschop Jan van Arkel tijdens zijn langdurige afwezigheid in het buitenland. Zweder klom als geestelijke op tot proost Sint Pieter en in 1363 ten slotte tot Domproost. Na de dood van bisschop Jan van Virneburg op 23 juni 1371 schoof het Domkapittel zijn proost Zweder naar voren als kandidaat voor de Utrechtse zetel. Echter uiteindelijk is Arnold van Horne tot bisschop aangewezen. Zweder is overleden op 22 april 1378, waarna hij is bijgezet in de Dom van Utrecht. Met recht een pracht vondst op een interessante plaats.

zegelfragment Zweder Uterloo (vondst Anton Cruysheer)
zegelafdruk Zweder Uterloo (vondst Anton Cruysheer)

.

De Vierdels op de Kaarten

eigenaren vierdels op 3018 (boven) & 3019 (onder) het noorden links

De plaats van de verschillende vierdels op de kaarten is niet evident. Hoewel op de 1597 kaart de twee vierdels van den beckerd seuster direct lijkt aan te sluiten bij de westzijde van Drakensteyn/de Inham, blijken deze feitelijk iets ten oosten op de Koudelaan uit te komen. En waarom de opsomming met deze is begonnen, blijft onzeker. Ook voor het verschil tussen plaats op de kaart en in het veld heb ik geen goede reden.

Ook de reden van de meest westelijke vermelding op de ±1625 kaart, Jan Gotten (of Gallen) als laatste vermelding is onzeker. Het hangt in elk geval niet af van het gerecht waaronder deze vielen. Deze gerechten worden bij de vierdels in tegenstelling tot andere aangrenzende gebieden rond de Vuursche hier niet genoemd. Het betreft hier de namen van de eigenaren, pachters en een enkel gebruiker. Nog niet alle namen kunnen worden verbonden aan een historisch bekend persoon. Wel staat op de 1597 kaart bij de oostelijk van den beckerd seuster gelegen anonieme vierdels de Bilt vermeld als gerecht.

Wel worden de aantallen vierdels van de eigenaren op de de Lattre kaart keurig benoemd, behalve bij de laatste. Hij heeft dit enigszins tot uitdrukking gebracht in de grootte van de ruimte tussen de lijnen, hoewel niet geheel consequent. Hij laat bij de vierdels de lijnen van hiervan op twee plaatsen verspringen. Hoewel deze komen niet overeen met de teruggevonden tiendpaden. Hij lijkt echter wel hiermee de tiendpaden als landschapskenmerk hiermee te suggereren.

De betekenis van enkele lijnen op de 1597 kaart dwars over de vierdels getrokken, direct ten noorden van de geschreven namen is onduidelijk. Deze zouden kunnen duiden op één van twee parallel lopende wegen, of beiden, die de vierdels tussen Kloosterlaan (oude Hilversumseweg) en Berkenlaan (Oude Laapersweg), de oude noordelijkste vierdels, het tegenwoordige terrein van de golfclub doorkruisten. Het betreft hier de Zwarte Weg en een iets zuidelijker gelegen weg. Deze lopot tegenwoordig dwars over de banen en is op de actuele hoogtekaart redelijk goed terug te vinden, tussen G.H.Cronebos en Beukenwoud, oorspronkelijk beginnend bij de grafheuvels aan de Hoge Vuurscheweg.

het noordelijkst van de Vierdels

Bij de namen op de ± 1625 kaart ontbreekt iedere aanduiding van grootte. Hierdoor is bij de reconstructie van de vierdels een kleine onzekerheid over de precieze ligging en verdeling in 1625. Met behulp van andere bronnen, vooral het Hisgis-project is de meest logische reconstructie gemaakt. Wel heb ik op mijn overzichtskaart de verschillende vierdels daarom hier één voor één omlijnd. Hoewel ook hier niet alle namen kunnen worden verbonden aan een historisch bekend persoon, is een enkel naam mede diagnostisch gebleken voor de datering van de kaart. Tezamen met de op de kaart vermelde lengtes en oppervlakten, duiden ze op het onstaan van de kaart rond 1625.

De streepjes op deze kaart lijken geen nadere betekenis te hebben. Ook de stippellijnen lijken geen extra informatie te geven. Hier is bij de meer oostelijke gelegen vierdels de Riddervenen genoemd als ontginningsnaam.

Beide kaarten besluiten de lijst met een aantekening. De één is zeer moeilijk leesbaar. Beiden zijn moeilijk te interpreteren.

De Vierdels van de Lattre

Hier volgen de vermelde namen en grootten op deze kaart:

den beckerd seuster II vierdel

de erffgenaem van bert pertes II vierdel

Rick verhoeff I vierdel

helcken I vierdel

Wttemyent I vierdel

Lamswert een hoeven

Lieu off dierick Seur ij verdel

beverWert IJ vierdel

den Abdieen van oestbrouck IJ hoeven

lanswert ij hoven

vecht een hoeven

bedelem J vierdel

heelig kruis j hoeven

vrericks Senrens (Swaens / Swienss) J vierdel

die heeren vanden dom – j hoeven

henrick Wiellems j vierdel

Audewick J vierdel

Senteservois cloester J vierdel

berkucks viercks I vierdel

Jacob(us) giesens I vierdel

mester Heubert pauwen I vierdel

Willem neff

De eerste acht vielen onder het gerecht Oostbroek

Het land van de abdij van Oostbroek viel echter on het gerecht Overdevecht.

De rest viel onder het gerecht Oostveen.

Het is niet uit te sluiten dat mijn transcriptie een enkel fout heeft. Maar het staat ook vast dat Francois de Lattre verschillende namen verschreven heeft. Hieruit blijkt wellicht zijn Franse tong. Waarschijnlijk heeft hij de namen op het gehoor overgeschreven.

den beckerd seuster : moet zijn het St. Maria Magdalena convent van de bekeerde zusteren te Utrecht. Het convent van de bekeerde susteren was volger van de Moderne Devotie.

bert pertes : moet Bernt Proeijs zijn. Proeijs is een oude Utrechtse patriciërsfamilie. Zij had hier al zeer lang bezit.

Lamswert : Dit is Joris van Lamsweerde. Het nabij gelegen landgoed Eyckenstein was tot 1627 in bezit van een familie Lamsweerde. De oudste bouw van Eyckenstein zou uit de tijd van de kaart dateren en was waarschijnlijk nog het niet meer dan een herenboerderij. Een Johan van Lamsweerde was in 1545 secretaris van de bisschop en het Domkapittel van Utrecht. Joris van Lamsweerde is geboren rond 1546, was student te Leuven, vicaris ten Dom, zijdelakenverkoper en burger te Utrecht. Hij werd beleend met losrente uit land met hofstee in ’t Goy. De familie heeft vele hoge functies bekleed in Utrecht en daarbuiten.

Lieu off dierick Seur : Op een contemporaine lijst staat hier De Lewens

Vecht : Op een contemporaine lijst is dit Jorijan van de Vechdt. Deze is verder niet teruggevonden.

zie bijlage

BeverWert : Beverweerd is een van oorsprong 13e-eeuws kasteel, en voormalige ridderhofstad, dat zich op een eilandje langs de Kromme Rijn bij het dorp Werkhoven bevindt. Later is deze familie gelieerd geraakt aan de van Nassaus. Wie precies hier bedoeld wordt, is niet duidelijk.

Bedelem : Het Ceciliaklooster was een klooster in de binnenstad van Utrecht. In 1423 werd buiten Utrecht een hieraan verbonden buitenhof gesticht dat later zou uitgroeien tot het klooster Bethlehem. Beide kloosters waren aangesloten bij het tertiarissenkapittel in Utrecht.

heelig kruis :Het Heilig Kruisgasthuis bevond zich even buiten de Wittevrouwenpoort en herbergde een vereringsobject in verband met het H. Kruis, waarschijnlijk in de gasthuiskapel. Het gasthuis is gesloopt in 1834.

die heeren vanden dom : Het dom kapittel te Utrecht.

Audewick : In 1131 werd de St. Stevensabdij door Machteld, burggravin van Utrecht, voor een twintigtal dames van adellijke afkomst gesticht. De abdij staat ook bekend als Abdij Altwijck. Het Benedictinessenklooster werd na de Reformatie gesloten en in 1584 grotendeels afgebroken, waarna het een buitenplaats werd.

Senteservois cloester :De Sint-Servaasabdij was een vrouwenklooster te Utrecht. Het klooster werd in het eerste kwart van de 13e eeuw opgericht vanuit de St. Janskerk voor de adellijke nonnen. Zij traden toe tot de cisterciënzersorde waarbij het klooster een abdij werd.

mester Heubert pauwen : eind 16de eeuw is mr. Hubert Pauw, raad voor het Hof van Utrecht. Deze is waarschijnlijk in 1597 reeds overleden. Het betreft hier mogelijk een zoon. In 1631 worden de erven van mr. Hubert Pauw genoemd als eigenaren van land in het Oostveen.

noot 80

Willem neff : Op een contemporaine lijst staat hier willem Aertszn.

zie bijlage

Bij deze Willem Aertszn Neff staat, voor zover ik uit kan maken het volgende:

Willem neff paess(ch?)en ontzen

Wat betekent dit en waarop duidt dit? De ssduidt op een afkorting. Er zou zoiets kunnen staan als “met Pasen bij ons”. Dit lijkt een weinig bevredigende verklaring. De familienaam Neef komt wel voor in de omgeving. Deze Willem Neff is, behalve op de andere kaart en een lijstje van eigenaren van rond dezelfde tijd, tot nog toe nergens terug te vinden.

De aantekening hieronder is moeilijk leesbaar maar er staat zoiets als:

dit is de ghene naest de Vuurse gelegen, gecommen van Vurese g(e)da:(an) Willem voirn(oemt)

toenmael heeft zoo die opden naem van Vuursen geteeckent staet

Maar het is ook mogelijk dat er staat : gecommen van Ranes gda: Willem voirn. Het is ook mogelijk dat er staat : gecommen van Ranes Sa:(liger) Willem voirn.

Het een en ander kan geïnterpreteerd worden als dat Willen gekomen van Ranes bij hun was met Pasen en net overleden is. Ranes was een boerderij bij Scherpenzeel dat onlangs gesloopt is. Het is goed mogelijk dat het in die jaren reeds onder die naam bestond.

Wel lijkt vast te staan dat hij of zijn land diegene was naast de Vuursche gelegen.

Wellicht is het belangrijkste hier niet de persoon maar het strookje land dat hier gelegen is..

De Vierdels van de ±1625 kaart

Hier volgen de vermelde namen op deze kaart:

Ranesr ay ahar(???) Willem noef

Ss Witte vrouwen

St Catharijnen

Jacob Gysbertzen

Jan van Werkhoven

Jan Arienszen in 18 hoven

Raetsheer Woda(?)

Convent van Outwijck

Jan Gotten

Deze vierdels vielen onder het gerecht Oostveen.

Ranesr ay ahar(???) Willem noef : Het ligt voor de hand ervan uit te gaan dat deze dezelfde Willem is als in 1597, hoewel dat natuurlijk niet hoeft. Wat het voorafgaande betreft heb ik geen pretentie dat de transcriptie juist is. Maar wat er nu echt moet staan, zou ik niet weten. Waarom Ranes dan zowel in 1597 als 1625 van belang zou zijn, zou ik ook niet weten. Ik moet dit laten rusten maar ieder is uitgenodigd hier chocola van te maken.

Hoe jammer ook, zoals boven gesteld, is de betreffende vierdel waarschijnlijk het belangrijkst hier en niet de persoon.

Ss Witte vrouwen : Het Wittevrouwenklooster te Utrecht werd in het tweede kwart van de 13e eeuw opgericht. Het behoorde tot de St. Maria Magdalena-orde voor boetvaardige ex-prostituees en werd binnen de stadsmuren gevestigd in de noordoosthoek van de stad. In de 14e eeuw is het overgegaan naar de premonstratenzers- of norbertijnenorde, waarbij na 1350 vooral adellijke vrouwen tot de kloostergemeenschap gingen toetrden. Na de Reformatie bleef het klooster lange tijd gehandhaafd.

St Catharijnen : Het Catharijneconvent of (Sint-)Catharijneklooster was een klooster der Johannieters in Utrecht. In de hoge middeleeuwen ontstaan vanuit Johannieters die met hulp van de Utrechtse bisschop een klooster stichtten ter hoogte van het huidige plein Vredenburg.

Op het Vredenburg startte in 1529 de bouw van een dwangburcht, waardoor de kloostergemeenschap diende te verhuizen naar het Karmelietenklooster aan de Nieuwegracht/Lange Nieuwstraat. Met de Reformatie (circa 1580) kwam een verbod op nieuwe aanwas, waardoor het convent begin 17e eeuw uitstierf. Hier bevindt zich tegenwoordig het Museum Catharijneconvent.

Jacob Gysbertzen : In het Repertorium op de lenen en tijnsen van de Proosdij van Oudmunster staat vermeld onder Oostveen 65C :

20-11-1617: Jacob Gijsbertsz. bij overdracht door Arnout Gillisz. voor Anton Vermolen

Joostenz., (3 fol. 185-186v.)

11-8-1632: Eelgis Gerardsz. voor Cornelis Jacobsz., onmondig, bij dode van Jacob Gijsbertsz.,

diens vader, (3 fol. 336.)

noot 81

De kaart kan hiermee gedateerd worden tussen 1617 en 1632.

Jan Arienszen in 18 hoven : Jan Arienszen van Rosendaal was afkomstig uit Lunteren, Hij is geboren rond 1568. Naar alle waarschijnlijkheid is hij naamgever van de hofstede en latere buitenplaats Rosendaal te Achttienhoven.

Zijn kleindochter is nog geboren in 1622 in Lunteren. Hij is zelf te Achttienhoven in 1629 overleden. Zijn twee zoons en kleinkinderen wonen dan allemaal in Achttienhoven.

noot 82

Hiermee kan de kaart nader worden gedateerd als waarschijnlijk na 1622 en in elk geval voor 1630.

Convent van Outwijck : Dit is dezelfde St. Stevensabdij van Utrecht als boven vermeld.

De aantekening hieronder kan als volgt gelezen worden:

Somijge dijngen zyn op dat

scarpste nyet gereeckent over

mijls dye lymyte wsthuys

zyn

Een evenzeer intrigerend als ondoorgrondelijke aanduiding. Sommige dingen zijn dus niet op de kaart. Hiermee is echter niet duidelijk wat wel op de kaart staat.

Met het bovenstaande is wel vastgesteld de periode waarin de kaart ontstaan kan zijn. Het moet ontstaan zijn tussen 1617 en 1630, naar alle waarschijnlijkheid na 1622. De enige aanleiding voor het maken van deze kaart in deze periode is de verkoop van de heerlijkheid in 1625.

Bovendien bestaat er een akte gedateerd 10 november 1629 betreffend deze verkoop waarin een kaart van de Vuursche overlegd wordt. Naar alle waarschijnlijkheid deze kaart.

noot 83

De Vierdel van Willem Neff

Bij deze persoon of familienaam is niet de oplossing van de puzzel te vinden waarom de kaarten hier vervolgens ophouden en beginnen bij de opsomming van de vierdels. De puzzel wie is vast de moeite waard maar niet voor deze vraag.

De kaarten maken voor wat die opsomming betreft, zijn er een paar lijstjes zijn terug te vinden in het huisarchief van de Vuursche. De bovengenoemde contemporaine lijst betreft dezelfde vierdels als op de 1597 kaart, van de bekeerde zusters tot onze Willem Neff, op ons lijstje Aerts. Het is mogelijk iets ouder. Het verklaart een lijst te zijn van eigendommen vanaf Maartensdijk strekkende naar de limieten van de Vuursche. Er staan alleen namen vermeld.

noot 84

Er is ook een ouder lijst, die uit 1545 moet stammen, de tijd van de overdracht van de heerlijkheid van de van Drakenborgs aan van Culemborgh. Deze lijst is veel uitgebreider, nog langer dan de twee kaarten samen, zowel qua namen als aantallen vierdels. Hier is ook steeds de grootte bijgeschreven. Soms zijn dit in hoeven, soms vierdels en soms zelfs in roeden. Af en toe noteert men één stuk breet veens of stuk veens noch geen divisie. De lijst verklaart te behelzen Eigendommen van de venen beginnende van de hollandse rayen leggende tusschen goylandt ende tnedersticht van Uuytrecht streckende aen Lapers Wech toe

noot 85

Met deze lijst heb is de overzichtskaart van de vierdels aangevuld. Er zijn dus uit drie verschillende periodes vierdelstroken in opgenomen. Dit kan eigenlijk niet maar geeft toch een aardig idee van de onderverdeling van de vierdels. De lijst begint in het westen voorbij het uiterste van het Gooiersbos en eindigt onder Wernaars Hofstee in het oosten.

Bij de vierdel van Willem Neff is hier als eigenaar aangegeven Willem van Dorsen. De van Dorschens worden ook in 1536 genoemd, de grondbelasting het Oudschildgeld (OSG). Deze vierdel heeft dus een hele rits Willems als eigenaar gehad.

noot 86

Maar wat hierna op de lijst geschreven staat, is van belang:

Desen naevescreven moeten onder die vuerse

Indien zij van achteeh graven willen

Achteeh moet Achtienhoven zijn. De implicatie hiervan mag duidelijk zijn.

Vanuit Achtienhoven wil men de vierdels bij de Vuursche in 1545 gaan vervenen. Of de blokken al toen waren uitgezet, blijkt hier niet uit maar de vervening is dan dus nog niet begonnen.

Vanuit de Vuursche wil men dit niet per se tegenhouden maar wil men wel erkend hebben dat vanaf die bepaalde vierdel de grond tot het territorium van de Vuursche moest behoren. Zij zetten een claim uit dat dit stuk van de wildernis tot de Vuursche gerekend moet worden. Dit was toen blijkbaar niet erkend en blijkens de latere grenzen is dit ook nooit erkend. Men eiste niet de gehele taartpunt op maar slechts dit deel.

Ook blijkt dat eigenaren eigenaar al waren voordat zij de eerste spade in de grond hadden gestoken. Het oeroude recht van opstrek zorgde hiervoor. Het toekomstige eigendom was al duidelijk, al was het nog niet duidelijk onder welk gerecht zij die eigendom zouden houden.

Dit is het belang van de smalle strook, ongeveer 12 meter breed. Dit moest de nieuwe grens vormen van de heerlijkheid. Hiermee worden de aantekening op de kaarten ook enigszins duidelijk, behalve dat met Ranes.

Slechts een eeuw later, in 1645 zou een groot deel van de viedels worden aangeduid met de formulering: onland in het gemene veld. De vierdels aan de Vuursche moeten dus maar een kortstondige bloei hebben gehad van economische activiteit.

noot 87

De Tiendblokken bij de Vuursche

Francois de Lattre heeft op zijn kaart uit 1597 in de vierdels zijn stroken op twee plaatsen onderbroken. Hij lijkt hiermee te verwijzen naar de tiendpaden. Het is daarom de moeite waard uit te zoeken in hoeverre deze te reconstrueren zijn.

Hoewel de het uitzetten van tiendpaden teruggaat op het afstaan in de middeleeuwen van de tiende schoof als betaling in natura voor het recht tot exploitatie, is deze traditie voortgezet ook nadat de geldeconomie al lang zijn intrede heeft gehad. Dit zal enerzijds uit gewoonte zijn gebeurd, anderzijds was het uitzetten van tiendblokken een goed middel om de extensie van een slag te bepalen, waar de onderhavige stroken naar toe konden werken.

Tussen Maartensdijk en de Hollandse Rading zijn deze in het verspringen van de sloten nog goed terug te vinden. Bij de Vuursche echter zijn deze moeilijker te traceren. Dit kan zijn gebeurd onder invloed van latere ontwikkelingen. Tenslotte zijn in het gehele strokengebied bijna geen tiendpaden in hun geheel terug te vinden. Bij de Vuursche heeft de taartpunt de stroken doen knellen en lijkt het niet tot een regelmatige verspringing te zijn gekomen. Er is wel een inschinkeling op de grens van de heerlijkheid bij de Inham. Ook is er één bij de grens met Hilversum en Holland ter hoogte van de Kloosterlaan/Lage Vuurscheweg maar deze kan ook voortgekomen zijn door die oude weg, die veel ouder is. Wel blijken de percelen langs bepaalde lijnen een knik te maken. Deze lijnen noem ik dus de tiendpaden, al zijn op deze paden waarschijnlijk nooit de tiende schoven verzameld.

Deze lijnen zijn interessant uit het oogpunt van de verschillende fases waarin het gebied zich heeft ontwikkeld. De lijnen met kleine knikjes zijn in het veld echter nauwelijks of geheel niet meer terug te vinden. Het meest noordelijke pad verdween bijvoorbeeld door de komst van de golfbanen. Een groot hulp bij deze reconstructie zijn zeldzame oude, zeldzame kaarten met oude erfgrenzen. Een fantastisch middel om deze te onderzoeken blijkt het HISGIS project van de Fryske Akademy. Als doel heeft dit project ten het historische grondbezit op perceelniveau te reconstrueren vanaf 1400. De hiervoor benodigde kaart is voor de provincie Utrecht gereconstrueerd op basis van het kadaster van 1832.

noot 88

Hierbij zij opgemerkt dat enkele percelen een zeer grillig verloop in 1832 blijken te hebben. Ik ga ervan uit dat dit door latere ontwikkelingen, op particulier niveau gebeurd is, verkoop of ruil. Oorspronkelijk zullen alle perceellijnen regelmatiger gelopen zijn. Ik heb bij de reconstructie deze grillige lijnen aangehouden omdat het niet duidelijk hoe de indeling aan het begin van de 17de eeuw hiervan afweek. Voor het overzicht lijken deze afwijkingen van ondergeschikt belang.

De eerste lijn tussen Maartensdijk en de Vuursche zit even ten noorden van de oude kern van het dorp en lijkt over de dijk door te lopen. Deze zit op relatief korte afstand van de lijn hier ten zuiden van het dorp die in de richting van de molen van Maartensdijk loopt.

De tweede loopt zo’n beetje halverwege het dorp en de Hollandse Rading. Hieraan is in 2000 die mooie zegelstempel gevonden.

De derde loopt vanaf een punt even ten westen van de Tolakkerweg bij de Hollandse Rading. Deze drie vormen een groep zijn geraaid op een punt over de horizon ergens bij Leusden. Vermoedelijk zijn deze twee blokken tezelfdertijd uitgezet.

Op ongeveer 277 meter van deze derde lijn lijkt een parallel hieraan lopende lijn te lopen. Dit is een curiosum dat niet past in het patroon. Ik heb er nog geen verklaring voor.

De vierde lijn is één die de zuidwest hoek van de heerlijkheid raakt. Het is ook de vraag of deze lijn hier doorliep zuidoostwaarts. Waarschijnlijk wel maar dit is niet meer te constateren.

De vijfde blijkt uit te komen bij de inschinkeling die aan de westzijde van de Inham zit. Deze inschinkeling is 8 meter breed. Wellicht was oorspronkelijk het idee dat alle percelen 8 meter zouden verspringen maar dat is blijkbaar nooit gebeurd.

Deze drie laatste lijnen zijn geraaid op een punt in het Vrouwenkloosterveen, ook wel Nonnenveen, ten zuiden van de Embranchementsweg. De twee hierdoor gedefinieerde blokken vertegenwoordigen een volgende fase.

De zesde lijkt een lijn te zijn net ten noorden van de Kloosterlaan. Je zou verwachten dat de Kloosterlaan als lijn gebruikt zou worden maar het lijkt nader beschouwd niet gebeurd te zijn. De inschinkeling bij Holland heeft dus ongetwijfeld met die oude weg naar Hilversum te maken.

Tenslotte worden de vierdels in het noorden afgesloten door de (oude) Laapersweg, de Berkenlaan. Deze lijkt ook als lijn gediend te hebben. Deze drie laatste lijnen zijn geraaid op een punt in het Nonnenveen ten noorden van de Embranchementsweg. Zij vormen de laatste fase van uitgave van blokken.

Woord van Dank

Geen man is een eiland.

Velen hebben bijgedragen aan mijn onderzoek. Ik ben alle vrienden en kennissen dankbaar voor hun aanmoedigingen en inzichten. In het bijzonder ben ik de mensen van het Nationaal Archief in Den Haag dankbaar voor het ter beschikking stellen van de twee onderhavige kaarten.

Verder wil ik mijn dank betuigen aan de mensen bij de regionale archieven te Hilversum en Naarden, die mij vele malen ten dienste hebben gestaan. Ook bij de historisch vereniging Baerne ben ik uitstekend geholpen.

Een bijzonder woord van dank moet ik richten aan Karin Abrahamse, die tijd heeft gevonden in haar drukke schema om mij te helpen met de paleografie van met name de 1597 de Lattre kaart.

Allen, hartelijk bedankt!

Hilversum, mei 2016

Bijlage

Noten

79)

Hisgis project van de Fryske Akademy:

http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/utrecht/utrecht-1/Historisch-grondbezit-utrecht

80)

ibidem

81)

http://www.hogenda.nl/wp-content/plugins/hogenda-search/download_attachment.php?id=9886&type=loanroom

82)

http://www.famkroon.nl/genealogie/stamtak/ROSENDAA.html

83)

transcript Ha[2-585]

84)

Ha[6-450,451]

85)

Ha[6-452→454]

86)

Hisgis project van de Fryske Akademy:

http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/utrecht/utrecht-1/Historisch-grondbezit-utrecht

87)

ibidem

88)

ibidem