oktober 2023
de geschiedenis & archeologie van de Vuursche

deel 1: de kampen van de Vuursche en Baarn & de wal van Evert Hendricksz
een klein woord vooraf..
De voormalige heerlijkheid de Vuursche en Drakesteijn is tot op de dag van vandaag onderwerp geweest van vele studies en onderzoek. Hooggeleerde vorsers en veelschrijvers hebben gewaagd het verhaal te vertellen. Doordat het gebied op de grens van het sticht van Utrecht en het Gooiland lange tijd onderwerp is geweest van allerlei staatkundige en particuliere disputen, was er veel materiaal overgeleverd. Zeker in vergelijking met de omringende plaatsen vormt de Vuursche een cornucopia aan wetenswaardigheden. Bovendien waren er allerlei onduidelijkheden en zogenaamde mysteries waaraan men zich kon laven.
De latere studies voegen eigenlijk weinig toe aan de gebaande weg, hypothesen rond zogenaamde mysteries werden netjes gekopieerd en de bekende gegevens hier en daar herschikt. Een enkel digitale truc om een oude kaart over de moderne te projecteren, leidde tot nog meer onduidelijkheden en mystieke beschouwingen. Probleem is dat de archeologische beschouwing tot nu grotendeels buiten beschouwing is gelaten. Juist voor de Vuursche blijkt er naast vele meters aan archief, een bijzonder rijk veldarcheologische profiel te bestaan. Veel uit haar verleden blijkt in het veld, in allerlei staat nog aanwezig te zijn. Meer dan welk plaats uit onze regio is hier de middeleeuwse ontwikkeling in het landschap terug te vinden. Terwijl nog aan het begin van deze eeuw men met kaart en potlood het veld in moest, zijn er voor ieder Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) kaarten digitaal toegankelijk. Tegenwoordig een onontkoombare deel van archeologisch onderzoek.

We bezitten van de Vuursche twee bijzondere kaarten uit 1579 en 1625, waaraan we het verhaal in combinatie met de aanwezige relicten kunnen ophangen. Bovendien zijn er de laatste jaren zeer vele meters aan archiefmateriaal online gekomen, zodat je niet eens de deur uit hoeft om een gebied als de Vuursche al vrij goed te leren kennen. Of met enig kennis een bezoek te brengen. De trend, social media, neigt al het merkwaardige terug te brengen naar een aandachtsspanne van enkele minuten met plaatjes. Oneliners & eye candy.
Hiermee doen we de zaak vaak eerder kwaad dan goed. Niet alles is in een paar woorden betekenisvol samen te vatten. Bovendien biedt het digitale medium dezes de mogelijkheid verschillende dwarsverbanden inzichtelijk te maken, door naar andere artikelen te kunnen doorlinken. Of door naar toekomstige artikelen alvast te verwijzen met de mededeling “toekomstig meer”. Ook is eenieder, die binnen de regels van het wetenschappelijke spel aanvulling, hypothesen, feedback of ander kritiek heeft, van harte uitgenodigd, met of zonder plaatjes een addendum geplaatst te krijgen. Voor uitgebreide stukken is ruimte via het digitale dossier de Vuursche.

Omdat niet alles altijd uit oppervlakkigheid hoeft te bestaan, bent u van harte uitgenodigd met ons de diepte in te gaan en zo de oppervlakte van het gebied te leren kennen. In zoveel delen als het duurt. Een goed plaats te beginnen het een en ander uit de doeken te doen, zijn een aantal kampen op de Vuursche en onder Baarn gegraven, waarbij de 16de-eeuwse wallen van schout Evert Hendricksz niet onvermeld mogen blijven.
schout Evert Hendricksz
Evert Hendricksz wordt in zijn tijd steevast opgevoerd als oud-schout van Oostveen. Hierna is hij lange tijd in de tweede helft van de 16de eeuw schout van de Vuursche geweest. Hij bewoonde de hofstede tegenover het slot Drakesteijn, vanouds ’s Heeren erf genaamd. Vanuit die boerderij voerde hij zijn bewind.
In latere tijd wordt aan hem terug gerefereerd vanwege twee zaken. Tijdens zijn tijd zijn schapen van hem omtrent de Wolfsdreuvik schapen naar Laren ontvoerd. Jan Stevens van uit St. Maartensdijk omtrent 90 jaar was als zijn schaapherder getuige hiervan.
Voor onze zaak is van belang dat hij ergens in de derde kwart van de 16de eeuw ook de wallen op de Vuursche heeft laten zetten en ook de verschillende hofsteden, kampen op de Vuursche heeft omwald. Hoewel de archieven slechts in het algemeen over de wallen spreken en ze nergens op een oude kaart staan, zijn ze gelukkig in het veld gemakkelijk terug te vinden.
Op de overzichtskaart zijn ze met zwart aangegeven. Als mooie klassieke grenswallen zijn ze aan twee zijden geschept uit greppels. Ze verdelen de Vuursche in drie delen. In het noorden is de wal tot aan de grote weg te volgen. Over de weg loopt de lijn verder, zelfs een stuk verder dan de zogenoemde Negen Roeden (toekomstig meer), tot op het Wilde Veen onder Baarn. De eigendomsverhoudingen zijn in de 16de eeuw daar complex. Misschien zien we daar een ouder lijn lopen. Wellicht heeft de schout de wal zover als mogelijk doorgetrokken en is die later weer geslecht. Er loopt nog een walletje bijna parallel aan het noordelijkste stuk. Dit moet wel een eigen terrein zijn van iets. Liep deze slechts door tot aan een greppel aan het einde van dat walletje? Zeer waarschijnlijk. Of die lijn er al liep voordat Evert zijn wal legde en het terrein al in gebruik was, of dat later door dat tweede walletje pas is ontstaan, is nog niet helder. Maar dat er een relatie tussen alle wallen en greppels bestaat, is evident. De grote wal is rond 1560 gezet, geef of neem een paar jaar.

In dezelfde jaren zijn dus ook de kampen op de Vuursche omwald. Op de kaart door een opvolger van hem getekend, Franchois de Lattre uit 1597 zijn er drie anoniem en vrij klein aangegeven. Op de anonieme kaart ui 1625 zijn vier kampen. Bij het dorp is binnen de vierkant geschreven ‘Everts huijs‘. Die ouwe had zijn sporen dus wel nagelaten. Bij de twee anderen die ook door de Lattre getekend zijn, staat achteréénvolgens ‘dit is dat erve aan Dye hoge vuijrsche‘ & ‘Noch Dat erve aen Dije Vuijrse‘.
Een vierde kamp is anoniem aangegeven maar aan de rechter (noorder) zijde lezen wij ‘Dit is dye sloet Lopende nae dye veenhuijssen‘. Op de kaart heten het erven te zijn, of huis. In stukken uit de tijd heten het over het algemeen hofsteden of kampen. Een hofstede is een woning. Onder een kamp verstaan wij in het algemeen een enigszins alleenstaand omwald terrein, met of zonder grachten. Er kan op gewoond worden maar het kan ook een ander functie hebben gehad. Vaak spreken we van een hoeve, die ook weer wel verschillende betekenissen in verschillende omstandigheden kan hebben.

Voor de Vuursche mogen we aannemen dat zij in zoverre synoniem zijn, dat de kampen bewoond werden of dat waren geweest. Het is bij gebrek aan bewijsplaatsen speculatief maar de kleine weergave op de kaart van 1597 lijkt de boerderijen zelf of huiserf in engere zin aan te geven, waarbij de kamp aan de sloot naar Veenhuizen wellicht niet getekend werd omdat daar toen niemand meer woonde, er geen hofstede meer was. De wallen stonden er echter nog en staan er nog. Dus voor de maker in 1625 zal de omwalling het criterium geweest zijn.
Er bestaat nog een kaart te Utrecht gemaakt rond 1600 waarop de Vuursche schetsmatig is weergegeven. Het is echter interessant omdat het terrein anders is weergegeven. We zien bossen in het westen en het noorden van de heerlijkheid. We onderscheiden drie landbouwcomplexen. Dat zou dus aardig overeenkomen met de kaart uit 1597. Maar bij het noordelijke complex is geen hofstede getekend, wel ‘Bouckenboom‘ geschreven. Op het middelste complex is een hofstede anoniem getekend. In het zuiden herkennen we het complex nabij Everts huis, met de herkenbare taartpunt die we zullen leren kennen als het Vrouwenland, waarop Drakesteijn stond. Eén huisje daar op het veld en rechts tussen mooie, forse bomen ‘Wanaershofstede‘.

We weten uit de archieven en onze gedetailleerde kaarten echter dat Wernaars Hofstede gelijk is aan Drakesteijn op het Vrouwenland onder Zeist, op de taartpunt stond en juist een ander hofstede, Everts huis op de Vuursche ertegenover stond. Deze kaart kan dus niet als bewijs dienen voor de kampen. Het geeft echter wel een idee van de indeling van het terrein met bossen, mogelijk drie niet aaneengesloten landbouwcomplexen waartussen overig terrein, naar we kunnen vermoeden schrale heide, zogenoemde heetveld.
Everts Huis, ’s Heeren Erf

De boerderij aan de noordzijde van de Lage Vuursche is tegenwoordig een kattenpension. De bocht in de Hoge Vuurscheweg geeft de bezoeker een fraai landelijk aanzicht bij aankomst. Gelegen tegenover het slot Drakesteijn betreft het hier de oorspronkelijke hofstede van het kapittel van Sint Jan op de Vuursche.
De Vuursche wordt voor het eerst rond 1200 genoemd. De oudste vermelding betreft waarschijnlijk het zogenaamde falsum van 1085. Hieruit blijkt een schenking van de bisschop van Utrecht aan het kapittel van St. Jan aldaar. Er blijken meerdere documenten in die tijd vervalst. Deze vervalsing moet zijn gefabriceerd tussen 1180 en de pauselijk bevestiging hiervan in 1216. De inhoud is naar men aanneemt wel authentiek. Is het opgesteld aan de hand van een informele afschrift van de afspraken of aan de hand van mondeling gemaakte afspraken, met getuigen aanwezig of van een verloren geraakte origineel? Enkele onderzoekers hebben erop gewezen dat het ook enkele formuleringen bevat die in 1085 nooit zo opgeschreven kunnen zijn.

Ten aanzien van ons deel van de wereld is dit waarschijnlijk niet aan de hand. Voor ons is de vijfde regel van belang:
terram palustrem in Everkestorpe tante latitudinis superius quante erat terra eorum inferius in longitudine pertingentem usque ad Trenscoten et Furs
hetgeen zich vertaalt als:
moerassige grond in Everkestorpe zo breed als het hogere land het lage land in lengte oplopend tot aan Trenscoten en Furs
Everkestorpe, het dorp van Everikwas waarschijnlijk al een eigendom van het kapittel, lag aan de (oude) Vecht ter hoogte van het latere Achtienhoven. Trenscoten moet waarschijnlijk gelezen worden als de drie bergen, namelijk Horneboegse, Zwarte en Bosberg, de uitlopers van het hoge land van het Gooi. Het wordt zo later hier en daar een enkel keer nog in de archieven genoemd.
Waarom tot Furs? Er was geen natuurlijke verbinding tussen de Vecht en die streek. Het zou eeuwen duren voordat de wildernis hiertussen ontgonnen zou worden. En hoewel men vanaf de Vecht onze richting voortschreed, zou het land rond de Vuursche vanuit aangrenzende gerechten uiteindelijk ontgonnen worden. Eigenlijk waren het dus twee schenkingen met een wildernis ertussen. Waarschijnlijk was het voornaamste dat er bossen aan de oude weg tussen Zeist en Baarn lagen, later de Vuursche Dijk, waarvandaan je over Zeist Utrecht kon bereiken. Strategisch zorgde de bisschop misschien hiermee dat de weg bruikbaar en onder controle bleef, een route over land naar de Eem. Het kapittel verzekerde zich van een goed haardvuur.. Eind elfde eeuw speelde turf nog niet de rol die het later kreeg.

Met de zeer doortastende Hilversumse historicus, Harry van der Voort mogen we aannemen dat Furs, het hoge land later als de Hoge Vuursche of Hoge Erf geduid, eigendom was van het damesstift van Elten, bezitters van het Gooilandse oppergezag. Op de aftakking van die oude heerweg naar Hilversum was een kleinere bult. Hoewel lager gelegen dan de Hoge Vuursche toch weer hoger gelegen dan het omringende, moerige land. Historisch had men aldus kunnen spreken van de Grote Vuursche en hier een Kleine Vuursche. De geschiedenis heeft anders beslist.
De exploitatie had een centrale plaats nodig. Iets later was er enig landbouw, varkens en schapen. Het lag voor de hand om op het kopje hoger land een hoeve te bouwen. De wallen op deze plaats, in elk geval de rechte stukken, zijn van schout Hendricksz, of nog ouder, als die dáár er al stonden. Die ronding aan de Hoge Vuurscheweg zal in elk geval niet helemaal oorspronkelijk bij de hoeve gehoord hebben. De rest, de gebouwen zijn een stuk jonger. Maar al vroeg, rond 1500 is hier sprake van ’s Heerens Erf. De Heer was uiteraard de heer van de Vuursche & Drakesteijn, aan de overkant van de weg op het slotje. Oorspronkelijk hoorden beiden bij elkaar, dat wil zeggen nadat Drakesteijn eind veertiende eeuw bij de buren van het kapittel, het Vrouwenklooster onder Zeist door de nieuwe pachter van de Vuursche, Wernaer van Drakenborgh gebouwd werd (toekomstig meer).
Aldus hadden Heer & Schout hun eigen plek op de heerlijkheid vlak bij elkaar. Waarschijnlijk kon de Heer de sleutels van het torentje bij de schout thuis achterlaten en werd het slotje niet permanent bewoond.
de Hoeve aan de Sloot naar de Veenhuizen

De hoeve wordt nergens met naam genoemd. Wel wordt ernaar verwezen. In omschrijvingen van de Negen Roeden (toekomstig meer) wordt gezegd dat die loopt tot deze sloot, tot de Poel, het latere Paardengat, waarachter enig bouwland stond. Weer later wordt vermeld dat het land in desolate toestand verkeert.
Volgens van der Voort is de oppervlakte van het eigendom van het kapittel eind 12de eeuw hier flink uitgebreid toen zij de hoogte, de Vuursche eigenlijk verwierf. Dan blijft de vraag hoe ver oostwaarts hun land mocht strekken. Wij zijn hierover geïnformeerd via een document uit 1239 waarin de bisschop het kapittel vergunt een wetering te graven “ adiacente silva ipsorum que vocatur Vurs” oftewel “naast hun bos die Vurs heet”, dan richting Soest en vanaf daar richting de Eem (de oude gracht van Soest). Op de kaart 3019 staat die aangegeven als de sloot richting de veenhuizen. Deze staat ook aangegeven op de bekende kaart van Sinck uit 1619 (toekomstig meer).

Het eerste stuk van die sloot is als droge greppel noch terug te vinden tussen het Roskammerspoor, die langs de scheiwal van Hendricksz liep en de Zevenlindenlaan en nauwelijks terug te vinden in het verlengde hiervan langs de oude hoeve. Op de kaarten is de wetering niet doorgetrokken. Waarschijnlijk komt dat ook overeen met de 17de-eeuwse situatie. De vervening heeft hier waarschijnlijk de bovenlaag weggehaald. Op grond van de overgebleven relicten valt wel een reconstructie te maken (toekomstig meer).
Afwatering in een veengebied was dus van groot belang. Turf moest droog gestookt en ook droog verhandeld worden. Het veen werd hiertoe ook eerst te drogen gelegd. Ieder druppel die je van tevoren kon afvoeren, was er één minder die je hoefde vervoeren. Dat dit tevens hielp een gracht bevaarbaar te maken voor het afvoeren van het zelfde veen, verklaart mede waarom het kapittel bereid was zo’n grote inspanning te doen. Ook hier geeft de tekst letterlijk een antwoord. Deze wetering liep naast het land van St. Jan aan de Vuursche. Zij vormde de toenmalige grens.
We kunnen de hoeve daar aldus schatten uit de jaren na 1239. Waarschijnlijk was het rond 1600 nog slechts een schaduw van vorige activiteit, een zogenoemde wüstung, wij zouden woesting kunnen zeggen, een verlaten hoeve.

Het kamp bevindt zich op de rand van het gebied van de Stulpse. Al naar gelang men de grenzen trok, wordt het de 100, 130 of met het kamp dan meegerekend 200 Morgen genoemd. Het moet van het grootste belang zijn geweest voor de Heer van de Vuursche met die van Baarn in 1460 een overeenkomst te kunnen sluiten om de vervening van het gebied ter hand te nemen. Het schijnt dat die van Baarn de opbrengsten ernstig nodig hadden om wat inkomen te genereren. Zij worden allen, de dat wil zeggen de mannen met huis, opgesomd, zijn met name genoemd.
De hoeve is dus nog omwald door schout Hendriksz. Langs de Zevenlindenweg is deze in haar oorspronkelijke staat nog zeer goed terug te vinden. Op de hoogtekaart is het geheel gemakkelijk genoeg waar te nemen. Maar wat we allemaal zien? Niet wat je per se van een wüstung verwacht. Het zullen niet de relicten van een eenvoudig boerenbedrijf zijn, dat we hier zien. Hoe de latere vervening zijn sporen naliet is niet evident. Als het terrein later van Domeinen was, zien we hier wellicht de resten van militaire huishouding. Wie weet? Iets voor de jeugdige onderzoeker eens achteraan te gaan.
de Beuk op de Hoge Vuursche

De beukenboom wordt reeds genoemd in de turbe, interview onder oude lieden uit het Gooiland van 23 juli 1449 als grenspunt van ’t Gooi (toekomstig meer). Van “Wackerswechdie leecht in Goylant ende gaet up tot den Vuyrsboom toe ende van den Vuersboom tot up Soeststapel” Veel is omstreden rondom het toen gestelde tot vandaag. De boom, een beuk en vooral zijn plek nooit. Er staan nog enkele beuken op die plaats.
De boom is goed gedocumenteerd en op diverse oude kaarten getekend. Expliciet als kamp, hofstede of hoeve echter niet, behalve op de kaart van 1625. “dit is dat erve aan Dye hoge vuijrsche” noemt echter geen boom. Wellicht was de oude, grote boom op dat moment ter ziele. Enkele oude kaarten geven wat bewoning nabij de boom weer.

De kamp is nog het best op de hoogtekaart te herkennen. Het is een erf gericht op de oude Vuursche Dijk, Zevenlindenweg/Bosbadlaan. Door de grote weg is er niet veel meer van te zien. Wat is gebeurd?
Tot 1500 was er sprake van één Laapersweg, die naar Laren ging. In de 16de eeuw is dan sprake van twee Laaperswegen, de oude en de nieuwe. Wanneer we de hoogtekaart bekijken van het land ten westen van de hoeve in de richting Laapersveld (toekomstig meer), zien we over het niet ontgonnen terrein, links in het roze duidelijk twee rechte sporen lopen richting de westzijde van de hoeve. Mogelijk heeft er nog één of een vierde spoor er parallel ten zuiden gelopen maar zijn ze door de moderne weg weggevaagd. Het beeld geeft een indruk van een bewust aangelegd, regelmatige weg, waarschijnlijk uitgegaan van particuliere verveners ter plaatse die graag direct naar die hoeve wilden kunnen rijden. Mogelijk was er enig verkeer uit Hilversum hierop maar dat weten we niet.


Een grote tegenstelling hiermee is een weg die vanaf het zuidoosten van de hoeve lijkt te lopen richting Baarn. In het archief wordt er gesproken van de weg op ’t Groenewoud. De hoogtekaart vertoont een naar het oosten uitwaaierende karrensporenpatroon. De grond waar dit zo kon ontstaan was dus niet verkaveld. Het heeft alles weg van een spontaan, organisch ontstane weg. Karrensporen waaieren uit over het vlakke land zowel als over de heuveltjes.
Dat bij de hoeve van de Beuk op de Hoge Vuursche twee wegen ontstonden, geeft aan dat die van betekenis geweest moet zijn, ondanks dat over het bedrijf niets is overgeleverd. Het succes van die wegen leidde tot haar ondergang, ironisch genoeg. Maar waarschijnlijk was het kamp, net zoals die aan de sloot als ding in 1625 over zijn hoogtepunt heen. Waar ten tijde van het bedrijf de karren er nog rustig omheen reden, eenmaal een leeg en verlaten woestenij konden de wagens en karren eerst voorzichtig maar dan met steeds meer gemak over de oostelijke en westelijke wal rechtdoor rijden tussen Hilversum en de Soestdijk en Baarn.

Verder zal de scherpe kijker naar de hoogtekaart opmerken dat vanaf de Vuursche Dijk (Zevenlindenweg) ter hoogte van de hoeve een wal oostelijk loopt. Die loopt dan inderdaad tot aan de oude grens van de heerlijkheid, zoals schout Evert die mogelijk kende. Dat is dus het opmerken waard. Hoorde deze wal ook tot Hendricksz activiteit. Niet uit te sluiten maar dan toch zeker niet in zijn huidige voorkomen. Deze wal is forser, onregelmatig en lijkt niet op de andere wallen. Mogelijk heeft er vroeger een eenvoudige wal gelopen en is het later, toen de huizen er kwamen opgedirkt. Het zou dan oorspronkelijk recht of tenminste regelmatig hebben gelopen. Van eventuele wederzijdse greppels is niets meer te zien. Het gemetselde muurwerk is uiteraard ook iets van later.

.
de Zes Woningen

Deze nog een erf aan de Vuursche heeft in alle bescheidenheid haar sporen nagelaten. De spoorlijn heeft het doorsneden maar de wallen zijn verder nog zeer goed uit te maken op de hoogtekaart en goed traceerbaar in het veld. Tot een brand in 1962 stond hier een gebouw bestaand uit zes huisjes, bewoond door gezinnen van land- en bosbouwarbeiders. Nog na de oorlog had men water uit de put op het terrein. De huizen moeten ergens begin negentiende eeuw zijn gebouwd.
Over bewoning en gebruik van het kamp meer terug in de tijd tasten we nogal in het duister. Wel is er even verderop (fietspad richting Hilversum) een vijver, in een vorig gedaante een middeleeuws waterput. Ooit is daar met enkele ruwe stenen een trappetje gezet. Wellicht door de bewoners/gebruikers van de hoeve op het uiterste van de heerlijkheid.
Ook de in cultuur gebrachte veld hierachter is mogelijk vanuit het kamp mooi geëgaliseerd en vruchtbaar gemaakt. Een aantal paaltjes rond het veld, naar alle waarschijnlijkheid jachtpalen van Soestdijk van rond 1681, geven de suggestie dat het veld in 1625 bij het kamp kan hebben behoord.
overige kampen

Op de hoogtekaart van de Zes Woningen zien wij nog een erf, buiten de Vuursche. Dit kamp op het landgoed Groeneveld, zo dichtbij, zo anders in karakter. Op de Vuursche is de kamp met zijn greppels droog. Op Groeneveld is het nat. De greppels zijn diep en er loopt een waterpartij doorheen. Zelden zul je in de hete zomer zo’n romantisch hoekje in de koelte treffen. Buiten het seizoen is het echter erg nat.
Rechts, aan de westzijde, duiden oude stenen op een sluis. Of deze oud is of een voorganger vervangen heeft, is niet duidelijk. Wel begon hier de dwarsgracht, die voordat de Engelse tuin met grote vijver achter Groeneveld werd aangelegd, het weiland doorkruiste om aan te sluiten op de Drakenburger Wetering (toekomstig meer). Niet zomaar een romantisch aardigheidje, dit kampje.
Hoe precies het kampje zich ontwikkeld heeft, wie het wanneer heeft aangelegd, waarom niet eenvoudig rechthoekig? Allemaal niet geheel duidelijk. Wel duidelijk dat het fraai bijzonder is.

Een ander, weer droge kamp bevindt zich in het Roosterbos, het spoor weer over, naar het oosten. Aan de noordzijde is daar nog een oude wal. Niet door schout Evert gemaakt, naar wij weten. Drie andere zijden zijn uitgegraven. Van dit kamp weten we niets maar zal waarschijnlijk in de 14de of 15de eeuw wellicht gemeenschappelijk door lieden uit Baarn in verband met de vervening in het gebied zijn gebouwd. Als het al een kamp is.. Maar gezien één wal en dat er drie grachten erop aansluiten, kan het haast niet anders. Waarschijnlijk waren er eerst vier wallen maar wie weet? Het kamp is precies gelegen tussen twee oude grafheuvels.

Verder ligt onverwachts nog een kamp aan weerszijden van de Amsterdamsstraatweg, de Soestdijk. Slechts voor een klein stukje aan de Baarnse zijde van de weg. Maar wat goed dat die er is. De wallen zijn erg gesleten maar we kunnen toch de oorspronkelijke afmeting nagaan. Op de hoogtekaart komt alles goed in beeld. Het zal ouder zijn dan die in het Roosterbos. In elk geval ouder dan de grote weg maar die is ook niet middeleeuws.
Om een indruk te krijgen van een veenontginning zonder kamp kunnen wij kijker naar het Jan Huijbertszveen. Op de kaart uit 1597 wordt het ten noorden van de Negen Roeden, buiten de Vuursche getekend met de aantekening dat het dan reeds uitgeveend is.

Jan Huijbertsz pacht in 1553 land vlakbij op de Vuursche ter vervening. Hij was toen 33 jaar. Zijn bedrijf liep uiteindelijk dus nog een eind verder door over de Vuursche dan op de kaart in 1597 aangegeven. Maar hier in het Baarnsveen zal hij begonnen zijn en heeft hij het land zijn naam gegeven een halve eeuw later. Gebouwen die er gestaan zullen hebben, zijn allemaal weg. Wel enkele zeer forse, diepe greppels. Het veld op het westen ligt echter nog een bijzonder forse dijk en extra greppel. Tot op de dag van vandaag een zeer opvallend merkwaardigheid. Vochtig veen zal er wel op te drogen zijn gezet, kunnen wij ons voorstellen.
