september 2024
geschiedenis & archeologie van de Vuursche, deel 10

de steen aan de Lage Vuursche
De beroemde steen aan de Lage Vuursche is vastgelegd op talloze ansichtkaarten en in tekening en prent. Die ligt prominent aan het begin van de dorpsstraat op een viertal draagstenen voor het oude rechthuis van de Vuursche, een eeuwen oude herberg.
Men refereert er vaak aan als een offersteen, een dolmen. Lang zijn de meeste oudheidkundigen ervan uitgegaan dat het een folly betreft om de functie het rechthuis te benadrukken of het begin van de dorpsstraat aan te geven, of om gewoon mooi te wezen.
Of daar allemaal ook maar iets van klopt is erg de vraag. In een archeologische beschouwing van de Vuursche mag de steen niet ontbreken. Maar de schrijver dezes heeft weinig toe te voegen aan de lange rij onderzoeken en stukjes reeds eraan gewijd.

De meest deskundige analyse is reeds gedaan door de Baarnse archeoloog dr. Jan Albert Bakker. In twee stukken nu bijna twintig jaar oud zet hij kort en krachtig uiteen wat er over de steen op dit moment te zeggen is. Dr. Bakker is de grootste deskundige van Nederlandse hunebeddenbouwers, naar hun aardewerk Trechterbekercultuur genoemd. Van de andere zijde heeft hij in de tweede helft van de vorige eeuw vanaf zijn schooljaren zich als één van de stuwende krachten betoond in onze regionale archeologie in zijn volle breedte. Zijn publicaties zijn te talrijk hier op te sommen.
Maar ook in functie van het Museum voor Gooi en Omstreken, de gemeente Hilversum, onze vereniging AWN Naerdincklant of de jongelieden van de Wodanseik, ontelbare uren in het veld, archieven, boeken en overdrukken is zijn plaats in de regionale oudheidsvorsing nauwelijks te overschatten.
De volgende twee artikels zijn zeker mede als eerbetoon bedoeld aan de oude professor. En dan met lekker veel plaatjes, want dat is internet. In het boek Kanttekeningen komt dr. JAB in 2004 in emeritaat terug op een aantal zaken, 47 in totaal, waar hij tijdens zijn lange carrière zich mee bezig heeft gehouden en nu terugkijkend een kanttekening wil plaatsen.

De oudheidkundige vorsing is immers altijd work in progress en allerlei feiten en inzichten worden gewijzigd, verdiept en verscherpt nadat je er eerder je over hebt uitgelaten. Het getuigt niet van het falen van JAB dat hij behoefte heeft op enkele zaken terug te komen. Het is juist groots dat hij eerder werk zelf wil bekritiseren met voortschrijdend inzicht. Mag zijn zuiver wetenschappelijk eer boven enig eerzucht alle onderzoekers tot voorbeeld dienen.
Hij heeft het boek met eigen middelen in een klein oplage uitgegeven. Het is nog niet digitaal toegankelijk. Herpublicatie zou terecht zijn. Het is voorzien van een indrukwekkend notenapparaat en vele kruisverwijzingen. Al in 1957 had hij als jongeling reeds aandacht gegeven aan de steen in Westerheem. In K(anttekening)2 komt hij erop terug & wordt op alles ingegaan waar het onze steen betreft.
In 2005 is hij in TVE nog voor het grote publiek ingegaan op de iconografie rond de steen. Na een korte inleiding, eigenlijk een samenvatting van K2, geeft de schrijver een kunsthistorische beschouwing van vijf oude afbeeldingen van steen en rechthuis. Het is met het overige van TVE digitaal toegankelijk.

Voor zover mogelijk hebben wij de oorspronkelijke tekst aangehouden. Waar noodzakelijk hebben wij enkele verwijzingen aangevuld, een aanvullend afbeelding B2 aangekondigd en wat bewijs voor andere grote stenen uit de buurt. De tekst over de Soeststapel is gelaten. Zo dacht toen nog ieder erover. Mijn in 2008 gevonden kandidaat hiervoor was toen nog niet aan de orde. Mijn bevindingen heb ik uiteraard dr. JAB voorgelegd. Het was mij een eer dat hij mijn onderzoek van belang achtte en de moeite van het vervolgen waard vond. Ik heb er reeds over gesproken in het stukje De Soeststapel op De Vuursche & zijn Pendant Heuvel.
Helaas zijn zijn bevindingen rond de steen in de afgelopen decennia nog niet opgepakt. Maar het is dus mogelijk dat wij met een klein stukje Trechterbekercultuur te doen hebben. Het meest zuidelijke en westelijke hunebed zou het kunnen zijn. Als het ooit bewezen kon worden, een feit van boven regionaal belang. De stapel is met of zonder status als deel van het dorp monumentaal. Het dorpsstraat heeft wel al een beschermde status. Een heldere observatie uit de vorige eeuw was dat bij een relatief moderne folly toch niet de draagstenen een halve meter in de grond zouden zijn ingraven. Wie weet?

.
K2. De Steen en TRB-aardewerk van Lage Vuursche (op publicatie Westerheem, 1957)
Jan Albert Bakker
.
1. De vroegste afbeeldingen van de Steen.
De aquarel van Jan Bulthuis in de Koninklijke Verzamelingen te Den Haag, met opschrift ‘De Vuurst in ‘t Sticht van Utrecht zo als het zig vertoonde in den Jaare 1781’, gesigneerd ‘J: Bulthuis f 1786’ en 16,0 x 19,6 cm groot, toont de Steen links vooraan achter een hek (zie hieronder De Steen en het Rechthuis van Lage Vuursche, afb. 2). Rechts ziet men het Regthuis annex herberg, met tolboom. Deze in lichte kleuren geaquarelleerde pentekening is gepubliceerd door W.J. de Boone (1971; ook De Ridder 1997, ill. p. 7). Hij behoort tot de Atlas Munnicks van Cleeff (Koninklijke Verzamelingen MCS 628), die in 1870 door Prins Hendrik de Zeevaarder gekocht is (Van der Klooster 1973).

.
Tot 1971 is deze aquarel niet aan archeologen bekend geweest. Wel daarentegen een naar een tekening van Bulthuis door K.F. Bendorp gemaakte prent van hetzelfde gezicht.
Deze prent, “‘“t dorp Vuurst’ in deel 3 (1786) van Bendorps Vaderlandsche Gezichten […] naar het leven geteekend door J. Bulthuis (4, pl. VIII, onder), laat de Steen daarentegen helemaal niet zien! Hiervan uitgaand had P.J. van Ravesteijn in 1917 — in navolging van de Hilversumse oudheidminnaar C.L. Heek — geconcludeerd dat de Steen in 1786 nog niet op die plaats lag en dus geen prehistorisch monument kon zijn. Deze gedachte staat in een obscure overdruk (Hilfert 1917), die ik (via Van Ravesteijn 1924) in 1957 in de Hilversumse Openbare Leeszaal vond. Heeks redenatie — die in de hele discussie over de betekenis van de Steen in de 19e en vroege 20e eeuw nog geen enkele rol gespeeld had — overtuigde mij volledig en, mede omdat Van Giffen (1925, 1927) dit artikel nog niet gekend had, schreef ik publicatie 4. Maar in 1971 bleek dus door De Boones publicatie dat de Steen er volgens aquarel 628 in 1781 toch wel gelegen had — zelfs lag de deksteen zoals een dolmen of hunebed betaamt met de bolle kant naar boven en de vlakke kant naar onderen.
Hoe komt het nu dat de prent de Steen wegliet? Eerst dacht ik dat de graveur tekening 628 niet begrepen had, maar dat is nauwelijks het geval, zoals bleek in 2001.

Dertig jaar na De Boones publicatie is het antwoord op deze vraag geleverd door mijn plaatsgenoot H. Bronkhorst (med. 25.11.2001). Bij het systematisch bekijken van alle afbeeldingen van Lage Vuursche en Baarn in de Atlas Munnicks van Cleeff in het Koninklijk Huis-archief vond hij een kleinere tekening van hetzelfde gezicht door Bulthuis, die Van der Klooster (1973) niet vermeld had. Het is déze tekening die als voorbeeld voor de prent van Bendorp heeft gediend (Oost-Indische inkt, gewassen en gesigneerd J. B. del. ‘, Koninklijke Verzamelingen MCS 626). Dit blijkt o.m. uit de twee vrouwen die op de prent en op 626 achter de drinkbak voor de herberg staan, maar op 628 ontbreken. Drie personen achter de balustrade van de herberg op 626 zijn op 628 door één man vervangen en op 628 zijn de mensen beter getekend en geschaduwd dan op 626, waar het voor de graveur minder relevant was.
Verder zijn er nauwelijks verschillen. Maar op 626 is de Steen bijna geheel verstopt achter het hek en een struikje op de voorgrond, slechts als je dat echt wilt kun je hem herkennen. Blijkbaar heeft Bulthuis er zelf in 626 geen bijzondere aandacht aan besteed, al nam hij de Steen wel in zijn veldtekening op. Dat de graveur op 626 de Steen niet herkend en overgenomen heeft is nu maar al te begrijpelijk. Er is dus een opmerkelijk verschil tussen Bulthuis’ tekening 626 met de daarop gebaseerde prent (1786) en diens aquarel 628, waarop de Steen wel duidelijk is afgebeeld. Het hek is hierop iets verschoven en verlaagd, er is wat gebladerte is weg- gelaten en de Steen is in silhouet goed zichtbaar. Deze verduidelijking lijkt achteraf in het atelier gerealiseerd te zijn, bijvoorbeeld op verzoek van de opdrachtgever. Daarbij is een foutje opgetreden. Terwijl de op 626 nauwelijks zichtbare Steen zich daarop vóór de meest linkse boom bevindt (wat correct is), is hij op 628 achter die boom getekend.

Als ik Bendorps ets en de tekeningen 626 en 628, derivaten van Bulthuis’ verloren gegane veldtekening uit 1781, als één tel zijn er in totaal vijf tekeningen van de Steen en de herberg uit de periode 1775-1825 bekend. Ik beeldde ze af en analyseerde de bouwkundige en topografische bijzonderheden in detail in De Steen en het Rechthuis van Lage Vuursche, en zal er hier kort over zijn. Er is een gewassen tekening (zie hieronderDe Steen en het Rechthuis van Lage Vuursche, afb. 1), ongesigneerd, ongedateerd en niet afgemaakt, van omstreeks 1781, redelijk getekend (in mijn bezit). De op alle latere tekeningen voorkomende aanbouw aan de voorgevel tussen deur en opkamer van de herberg ontbreekt, terwijl deze (of een daaraan voorafgaande vlak wandstuk met venster) er toch echt geweest moet zijn. De tekenaar heeft dus een travee ‘ingeslikt’. Op Bulthuis’ tekening (zie hieronderDe Steen…, afb. 2) volgt de subliem uitgewerkte meerkleurige aquarel van Jacob Cats, herberg, Steen en Dorpsstraat gezien vanaf de tolboom (op de kaft van dit boek afgebeeld; De Steen…, afb. 3; Van Ginkel e.a. 1999, 135; Sotheby Mak van Waay, veiling 3.4.1978).
Deze is niet nauwkeuriger te dateren dan tussen 1781 en Cats’ dood, 9.11.1799. In augustus 1800 aquarelleerde Jurriaan Andriessen dit gezicht vanaf hetzelfde punt (De Steen…, afb. 4; 4, pl. VIII-boven; Rijksprentenkabinet A3942). Tenslotte tekende — vrijwel zeker — Jan van Ravenswaay herberg en Steen omstreeks 1820 (De Steen…, afb. 5; ongesigneerd en ongedateerd, Goois Museum E110).
Het — naar het voorbeeld van Erik Schmitz — op de kadasterkaart van 1824 uitzetten van hun gezichtslijnen en gezichtspunten (De Steen…, afb. 6) wees uit dat de Steen volgens al deze afbeeldingen onmiskenbaar op de huidige plaats gelegen heeft.
Dat de Steen tussen 1781 en ca. 1795 van de oostkant van de weg — nu een parkeerplaats, evenals de pastorietuin daar achter met een nu verlaagd oppervlak — naar zijn tegenwoordige plek aan de westkant verplaatst zou zijn, zoals ik tekening (De Steen…, afb. 1) verkeerd interpreterend in 1988, A extant and formerly present hennenbedden in the Netherlands in Palaeohistoria 30, blz. 63-72 schreef, is dus onjuist.
De rijweg is verplaatst, niet de Steen!
Toen De Ridder bij de voorbereiding van zijn gids (1997) bij me kwam met de suggestie dat de drie sprietige en kromme boompjes naast de Steen bij Bulthuis en Bendorp identiek waren met de drie rechte bomen bij Cats en Andriessen, leek die me nog onacceptabel, maar intussen ben ik er volledig van overtuigd dat hij gelijk heeft gehad. Helaas had ik De Ridder in 1997 aangeraden zijn idee weg te laten. Uit de vijf tekeningen lieten zich de wijzigingen van de voorgevel van het achter de Steen gelegen regthuis-raadhuis-herberg en die in de positie van wegen en tolboom in 1775-1825 goed reconstrueren. De kruisvensters van het regthuis zijn tussen 1781/1799 en 1800 (De Steen en het Rechthuis van Lage Vuursche, afb. 3-4) door schuiframen vervangen, waarbij de gevel gepleisterd is. Een analyse van de vele 20e-eeuwse foto’s — na een periode zonder bekende afbeeldingen tussen 1820 en 1895/1900 — en een studie van de ontpleisterde voorgevel en het inwendige zouden de bouwgeschiedenis van de herberg verder kunnen aanvullen.
Samengevat: de Steen lag in elk geval al in 1781 op zijn huidige plaats.

.
2. De Steen zelf.
De grote deksteen rust op vier draagstenen. De opgegeven maten van de deksteen verschillen nogal. Volgens Overweel & Zandstra (1967) meet hij 250 x 100 x 70 cm. Van Giffen (1925, pl. 116) geeft 2.20 x 1.59 m.
J.C.F. baron d’Aulnis de Bourrouil (1849-1923) schrijft in zijn handgeschreven Chronologische Geschiedenis van Baarn 1, 46 (Streekarchief Amersfoort; fotokopie in oudheidkamer Baarn — met dank aan H. Bronkhorst), wel hoofdzakelijk op grond van Scheltema 1833, welke publicatie ik nu niet bij de hand heb: ‘De steen is amandelvormig en heeft een lengte van Oost naar West van 2 el 23 duim, de breedte is 1 el 60 d, de omvang in de grootste lengte is van 5 el 26 d. en in de grootste breedte 3 el 97 d; zeis hoog 1 el 16 d. Ze ligt 20 d. boven de bodem. De 4 staande steenen zijn van ongelijke grootte, één is er gemeten met medewerking van de Hr. Bosch [van Drakestein], ze is hoog van uit den grond gemeten 2 el 1 duim.’ In termen van het toen vigerende Nederlandsche Metrieke Stelsel (Janssen’s ellen, Helinium 18, blz. 87-90) mat de Steen 2,23 x 1,60 x 1,16 m, was de omtrek in de grootste lengte 5,26 m en die in de grootste breedte 3,97 m; onwaarschijnlijk veel zou echter 2,1 m voor de hoogte/lengte van de zuidwestelijken draagsteen zijn. Betreft het een drukfout van 1 el 1 duim, 1,10 m?

Aangezien Janssen (Hilversumsch oudheden, 1856, 73-74) bij zijn opgraving in 1851 onder de Steen alleen glasscherven en andere moderne fragmenten vond, die ‘op meer dan ½ el [m] diepte’ rustten op ‘harden zandbodem met oer vermengd’, en hij alleen aan de westelijke buitenkant van de Steen ‘sporen van asch, benevens eenige keien en een brok graniet’ aantrof die misschien resten van ‘de verwoeste bevloering van het hunebed’ waren, blijft zijn gedachte dat de Steen een rest van een groter hunebed is, zonder nieuwe opgraving speculatief aangezien geen enkele TRB- scherf of ander Neolithisch artefact aangetroffen is. De moderne scherven zouden bij Scheltema’s graverij vóór 1833 in de grond gekomen kunnen zijn.
J. Scheltema, die met een ‘Berigt aangaande een oud altaar, (dolmin) of een naar een hunebed zweemend overblijfsel, van de eerste bewoners dezer landen’ (1833) als eerste over de Steen schreef, dacht dat deze voor den dag kon zijn gekomen bij de aanleg van de dorpsweg omstreeks 1650, waarbij een hoge, zandrug kan zijn doorgegraven. Janssen (1856, 74) achtte deze theorie zeer aannemelijk.
Inderdaad zijn de 24 m uiteen liggende rooilijnen van de huidige Dorpsstraat omstreeks 1655 door de heer van Drakestein, Gerard van Reede aangelegd, waarbij deze allee aan het begin van de Vuursesteeg geëgaliseerd en verbeterd zal zijn. De Steen ligt aan het begin, iets oostelijk van de middenas en zou bijvoorbeeld daar onder een zandheuvel op een O-W gericht streepduin gelegen kunnen hebben. Herberg, pastorie en kerk zouden op zo’n 10-20 m brede, 2-4 m hoge Laat-Glaciale dekzandrug gebouwd kunnen zijn geweest, maar deze gedachte behoeft een bevestiging door gedetailleerde hoogtepuntenkaarten en boringen, te meer daar de tuin van de pastorie en de parkeerplaats tegenover de herberg intussen afgegraven zijn. Zouden de aanwezigheid van zandrug en dolmen er toe geleid kunnen hebben dat de rijdweg zich tot ca. 1790 ter plaatse niet voortzette maar omboog naar de voorgevel van de herberg?
Daartegen pleit echter dat de tekening van omstreeks 1780 (De Steen…, afb. 1) geen enkele verhoging als eventueel restant van een zandrug laat zien (wel bevond zich daar een weinig ontgonnen stuk grond) — de slinger in de weg naar herberg en tolboom toe zal dus veeleer door de praktijk van het tolgaren gedicteerd zijn geweest.
Dat de theoloog Professor Dr. W. Moll (1812-1879), in 1837-45 dominee te Lage Vuursche, ook onder de Steen gegraven zou hebben — zoals de Baarnse onderwijzer en amateur-historicus T. Pluim veronderstelde op gezag van het schoolhoofd te Lage Vuursche (1863-1883), H.J. Kruijder, wat Stevens, de Lage Vuursche 1982, blz. 49-50 herhaalde — kon Van Giffen (1927, 70-71) overtuigend verwerpen, o.a. op grond van mededelingen en stukken van diens zoon, de Groningse entomoloog prof.dr. J.W. Moll, Van Giffens leermeester.
Scheltema (1833), die de afbeeldingen uit 1775-1825 niet vermeldde, verwonderde zich over het ontbreken van volksverhalen of eerdere schriftelijke vermeldingen over de Steen.
‘Op het dorp zelf heb ik deswege geen de minste bijzondere berigten kunnen opsporen. Alleen is mij eenmaal eene flouwe overlevering gemeld, dat deze steen in vroegere tijden onverwachts uit den grond was voor den dag gekomen. […] Voor deze opvatting heb ik nog een bijkomend bewijs condice [circumstantial evidence] gevonden hier in, dat er onder de omwooners noch schijn of schaduw van eenige overlevering bestaat dat het des nachts bij deezen steen zoude spooken.’ Vervolgens merkte hij op dat als de Steen al in de Middeleeuwen bekend was geweest, er verhalen als die over de Duivelssteen te Namen over zouden hebben bestaan (Cahier 1957, 73, naar afschrift A. Perk). Mede daarom veronderstelde Scheltema dat de Steen pas bij de aanleg van de Dorpsstraat omstreeks 1650 gevonden was.
De Wilde (1906) heeft al gesteld dat de afwezigheid van volksverhalen weinig over de ouderdom van steengraven zegt, want over de Drentse hunebedden bijvoorbeeld zijn er vrij weinig bekend (Hunebed de Duvelskut bij Rolde, een literatuurstudie, Nieuw Drents Volksalmanak 119, blz.62-94 en Kanttekening 42 hierover, bespreken een uitzondering). Ook hun aanwezigheid zegt m.í. niet noodzakelijk iets over de ouderdom van de monumenten, want zij kunnen vrij snel ontstaan, zoals de volgende voorbeelden leren.
Kort voor 1800 zijn, bij een op het nippertje verhinderde poging de resterende dekstenen van hunebed G1 te Noordlaren met buskruit op te blazen, daarin twee diepe gaten geboord. In 1844 legde J. Boeles dit schriftelijk vast. ‘[Dit] acht ik van belang, opdat niet, na verloop van tijd sommigen zich het hoofd breken met gissingen over den oorsprong en de beteekenis dezer gaten. Immers nu reeds maakt men de kleine kinderen wijs, dat de reuzen in dezelve den duim staken, en elkander zoo de steenen toewierpen.’ (109, 122-123).
Dat Stevens (1982, 50-52) slechts twee, zeer recente, verhalen over de Steen kon vermelden, bevestigt dit beeld.
Koning Lodewijk Napoleon zou zich er eens te paard als standbeeld bovenop hebben opgesteld (De Rijk 1905, 35). Dit verhaal is echter ook aan verschillende Drentse hunebedden verbonden, o.a. aan hunebed D45-Emmerdennen waarvan de grote platte deksteen naast de ingang hiervoor veel beter geschikt was (voorts aan die te Noordlaren, Annen, Rolde en Eexterhalte: De Wilde 1906). Inderdaad kan koning Lodewijk zijn huzarenstukje wel op een hunebed volvoerd hebben (al ligt het voor zover mij bekend in geen enkel ooggetuigenbericht vast), maar dat dit nu juist op de bolle en daarvoor veel te krappe Steen van Lage Vuursche gebeurd zou zijn, is wel uitgesloten, zoals De Wilde (1906) al schreef. Verder vertelde men in de 20e eeuw arglistig aan kinderen dat er bloed uit de Steen kwam als je er een speld in stak. Wie dit lang genoeg bleef proberen kreeg bloed uit zijn eigen duim!
Hierna komen in $ 2.4 enige theorieën over een andere herkomst van de Steen aan de orde. Uit 1954 stamt een moeilijk controleerbaar verhaal van de schilder en graficus Johan Briedé, die Van Giffen kende uit de tijd van zijn aanstelling bij het RMO (1910-1911) en als tijdelijk medewerker van het BAI in 1927. (Over Briedé o.a: Pfeiffer 1982; Keyser 1993; hij tekent een papegaai in de film Zoo van Bert Haanstra.)

Onder zijn tekening van de Steen, gesigneerd ‘Lage Vuurse, 4/2/1954 J.M.B.’ (in het GM) schreef Briedé ‘Deze stenen zijn hier omstreeks 1800 neergelegd, v Giffen zag in ‘t archief Bosch van Drakestein de rekening’. In het archief Bosch van Drakestein was deze rekening omstreeks 1980 niet te vinden volgens mededeling van Jhr. F.J. Bosch van Drakestein (Addink-Samplonius 1984, 215). Ook Van Giffen (1925, 137-138; 1927, 67-73) schrijft er niets over. In theorie zou hem die rekening in 1926-1927 door Jhr. P.J. Bosch van Drakestein getoond kunnen zijn bij de opgraving van de grafheuvels op Groot Drakestein. Van Giffens magnum opus over de hunebedden (1925, 1927), waarin de Steen uitvoerig behandeld werd, was toen deels bij de drukker, deels verschenen. Beiden kunnen toen heel goed over de problematische Steen gepraat hebben. Briedé zou dan hiervan in 1927, toen hij tekenaar bij Van Giffens hunebeddenopgravingen en in het BAI was, gehoord kunnen hebben.
Het is echter de vraag of het archief van (Groot-)Drakestein terugreikt vóór de verwerving in 1805-1807 door de familie Bosch van Drakestein. Misschien ook betreft dit bericht bijvoorbeeld het plaatsen van een grenssteen aan de Hoge Vuurseweg, die als ‘steen, Drakesteyn’ vermeld wordt op een kaart van J.L. van der Meer uit 1789-1794 (ARA-OSK U5-4; afb. Gaasbeek e.a. 1994, 314, ook De Ridder 1997, 16; datering Olde Meierink 1995 en Scholten 1989, 131-132, 225 nr. 158). Dat er inderdaad een rekening zou bestaan voor het verslepen van de Steen vóór 1781 wil ik voorshands echter betwijfelen (werden er toen voor zulk werk door dagloners of pachters al rekeningen geschreven?). Toen Van Giffen in 1957 na publicatie van Hunnenbeddencultuur in de Lage Vuursche, Westerheem, 1957, contact met mij opnam over deze problematiek heeft hij niet over zo’n rekening gesproken en kon hij mij niets meer over een bewijs voor een recente plaatsing van de Steen vertellen.
Hij stipuleerde toen vooral dat de Steen volgens zijn boek (1925, 138, n. 1, 190, n. 1; 1927) geen hunebed was en vroeg me of het door mij als oortje herkende scherfje (zie $ 2.3) niet toch een buikscherf van een versierde trechterbeker geweest was, zoals hij in zijn boek had gesteld (quod non).
Briedé heeft zich dus waarschijnlijk vergist. De Steen is niet door het Rijk als archeologisch monument wettelijk beschermd. Toch lijkt het geboden dat er nooit door niet-archeologen onder of naast de Steen gegraven wordt en dat een eventueel archeologisch onderzoek uitsluitend door een ervaren TRB-opgraver wordt uitgevoerd.
Ook als ooit bij bodem- en archiefonderzoek afdoend zou blijken dat ter plaatse absoluut geen prehistorische zaken of grondsporen in de grond zitten en dat de Steen dus wel als preromantische wegversiering of folly neergelegd was, bijna precies in de as en aan het begin van de Dorpsstraat-allee, moet men hem juist om die reden zeker niet verplaatsen — hij maakt dan immers integraal deel uit van de geplande aanleg van 1640-1655 van een van de meest afgebeelde (en sinds 4.8.1966 wettelijk beschermde) dorpsgezichten van ons land. Op de talrijke afbeeldingen van na 1900 van de herberg en/of het begin van de Dorpsstraat ligt de Steen meestal prominent op de voorgrond (pannenkoekenhuis De Vuursche Boer heeft een indrukwekkende verzameling aan de wand).
In 1887 kreeg de zevenjarige kroonprinses Wilhelmina ten paleize les van schoolmeester F. Gediking. “De prinses vroeg soms honderduit. Zij wilde onder meer weten wat toch die merkwaardige steen op de Lage Vuursche voorstelde, die ze daar gezien had. Dat bracht Gediking dan weer op een uiteenzetting van de stenen en gebruiken van de druïden, waarbij Stonehenge niet vergeten werd’ (Fasseur 1998, 95; Gedikings cahier V, les 208, herfst 1887).
Misschien is deze anekdote een reden te meer om de Steen te laten liggen waar hij ligt, ondanks het drukke toeristenverkeer — dat immers juist door het eigenaardige van dit dorpje aangetrokken wordt.
.
3. Drie hunebedscherven.

.
Drie TRB-scherven van Lage Vuursche (4, 55-57) zijn gelithografeerd door Pleyte (1902-1903, pl. TV, 2a-c) en opnieuw, naar de originelen, getekend door H.J. Calkoen (4, pl. XIII: 2-3, XIV: 4; repro in De Ridder 1997, 6). In het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden (RMO) zijn ze geregistreerd onder de nummers Vt 5-7. Vt 1-7 waren ‘Germaansche Oudheden. Scherven van aardewerk aan de Vuurst en St. Maartensdijk gevonden. Van vroeger in het Museum in bewaring gegeven; doch eerst geïnventariseerd 23 Oct. 1869’ (RMO, inventarisboek 9.8.1869-1874, p. 53). Vt 1-4 waren scherven “uit Maartensdijk, uit de verzameling van den Heer Haasloop Werner.’ In 1957 noteerde ik: ‘hieronder 2 scherfjes van Drakesteinaardewerk, de andere ijzertijd.” Vt 5-7 waren volgens het inventarisboek ‘Afkomstig van den Heer Perk, gevonden bij het heuveltje aan den molen’ (Cahier 1957, 15). ‘Vt’ komt uiteraard van ‘“Vuurst’, alias De Vuursche.
De drie TRB-scherven Vt 5-7 zijn uiterst intrigerend, daar zij als ensemble eigenlijk alleen maar uit een echt hunebed kunnen komen. Het betreft namelijk goed geconserveerde, zorgvuldig versierde scherven met ‘verse’ breuken van drie verschillende potten uit minstens twee niet gelijktijdige aardewerkhorizonten: een schouderscherf van een schouderpot en een tunneloortje van schaal of emmer, beide van de Drouwener stijlhorizon (Brindley 2-4), en een hals-schouderscherf van een Vroeg-Havelter amfoor (Brindley 5).
Na de dood van H.G. Haasloop Werner op 29.9.1864 was een pak tekeningen, brieven en verdere geschriften van hem, van archeologisch-topografische aard, ‘aangekocht op den tweeden boekverkoping, Nr. 1260’ en onder ‘Veluwe’ gevoegd bij Janssens topografisch archief (UB Leiden, handschrift BPL 944.111: Cahier 1957, 55-56). Van activiteiten van Haasloop Werner te Maartensdijk is mij niets bekend.
Volgens Kramer-Clobus (1978, 443) werd Janssen in 1869 directeur van het Muntenkabinet van de Leidse Universiteit (vacature Van der Chijs sinds diens dood op 4.11.1867). [De door Brongers (1976, 380) en Brongers & Wynia (2000, 24) vermelde datum 1863 is fout; Brongers 2002, 131-132 maakt deze fout niet.] Gezien de aanstellingsdatum van Pleyte, 1.2.1869 in Janssens vacature, denk ik aan een indiensttreding van Janssen in januari of per 1 februari 1869. Reeds op 22.7.1869 overleed hij onverwacht na een korte ziekte.

De datum waarop Vt 5-7 door Perk aan het RMO in bewaring gegeven zijn, is onduidelijk. Op 23 oktober 1869 zijn blijkbaar enige oudheden geregistreerd die vóór het vertrek in januari 1869 van L.J.F. Janssen, 2e conservator van het archaeologisch kabinet, en o.a. de Nederlandsche oudheden, waren ingekomen, gezien de notitie ‘van vroeger in het Museum in bewaring gegeven, doch eerst geïnventariseerd 23 Oct. 1869’. Vermoedelijk is de registratie verricht door de per 1.2.1869 als Janssens opvolger aangestelde conservator W. Pleyte. Tussen Janssens vertrek bij het RMO en zijn dood zal hij vanwege het museum niet over Vt 1-7 geraadpleegd zijn. Maar spijtig is dat Pleyte ook Perk niet om nadere inlichtingen gevraagd heeft.
De Hilversumse notaris en historicus A. Perk (1795-1880) onderhield sinds 1850 intensief schriftelijk en mondeling contact met Janssen over oudheden. De 55 door Addink-Samplonius (1984, 217-218; zie ook Kramer-Clobus 1978) geëxcerpeerde brieven kunnen ongeveer de helft van hun correspondentie geweest zijn. Daarin staat niets over de drie versierde TRB-scherven. Een specifieke brief van Perk hierover ontbreekt, evenmin beschreef Janssen deze scherfjes in Hilversumsche Oudheden (1856) of in zijn talloze latere publicaties. In een tijd dat zulke versierde TRB-scherven nog uiterst zeldzaam waren, zou hij dit zeker gedaan hebben indien hij ze tijdig gekend had. Zijn nagelaten papieren geven immers blijk van zijn zoeken naar parallellen van de versierde zigzagbekerscherven van de Hilversumse “haardsteden’ (zie Views on the Stone Age, 1948-1931, BROB 40, 1990 blz 73-99 en Kanttekening 31, De ‘Haardsteden’ te Hilversum: een Nederlandsch Glozel) en het versierde TRB-‘zoutvaatje’ van de Vuurst (zie hieronder).
In februari 1864 is Perk in Leiden geweest zonder Janssen te treffen (brief Janssen aan Perk 18.2.1864, ontvangen 20.2.1864: Addink-Samplonius 1984, 218; fotokopie RA Haarlem). Ook hierin geen woord over scherven of andere bodemvondsten. Janssen dacht ‘dezen zomer Hilversum te bezoeken, ook om U [Perk] eens vriendschappelijk weder te begroeten’.
Ik vermoed dat Perk zijn vondsten in de periode van zomer 1864 tot eind 1868 aan Janssen gegeven of gezonden heeft, en dat Janssen de — in zijn ogen ongetwijfeld belangrijke — scherven enige tijd op zijn bureau heeft laten liggen om er een stukje over te schrijven, waarvan het niet meer gekomen is.
Blijft de vraag welk heuveltje aan den molen bedoeld werd door degene die de scherven Vt 5-7 op 23.10.1869 registreerde (was er een briefje van Janssen bij?), en of hij zich niet vergiste. Volgens een 35 jaar oudere aantekening van C.J.C. Reuvens over grafheuvels ten N van Lage Vuursche, was er inderdaad een heuveltje naast den molen:
‘Er staat nog een heuvel denkelijk een grafheuvel weinige stappen ten W van de molen beplant met 4 boompjes’ (RMO, codex Reuvens RA.35, Nederlandsche Oudheden, sub V[uurst], 414, gedateerd 5.10.1834; Cahier 1957, 24).

Janssen (1856, 75-88) kende uit 1851: ‘één [grafheuvel] in den kom des dorps, bij den molen. Deze heuvel is thans van boven plat gemaakt en met twee lindeboomen beplant. Hij heeft p.m. 50 el omvang; volgens overlevering zijn er, bij gelegenheid van zijne platmaking, urnen in gevonden. De scherven die ik in de nabijheid vond liggen, en die men zeide daarvan overblijfsels te zijn, waren van germaansch karakter.’
Aangezien Janssen versierd TRB-aardewerk zeer goed kende is niet aan te nemen dat hiermee Vt 5-7 bedoeld zijn (ook al zouden zij in 1869 door een ander terecht als ‘germaansche oudheden’ geregistreerd worden, want al het inheemse prehistorische aardewerk werd zo genoemd). Een heuvel met een omtrek van ongeveer 50 m heeft een doorsnede van ongeveer 16 m, een normale grafheuvelgrootte.
In het park van huize Kloosterlaan 5, ligt een forse heuvel, doorsnede 15-16 m, 2,5 m hoog, met platte top en met oude coniferen bezet (kaartcoördinaten 143.5 / 466.2). Dit is echter de molenberg zelf, die in 1880 is aangelegd. In 1903 is de molen gesloopt (Keune 1990, foto p. 74). De veronderstelling ligt voor de hand dat bij de aanleg van de molenberg ook de grond van “het heuveltje aan den molen’ daarvoor gebruikt is, zodat daarvan hoogstens nog de basis resteert.
Pleytes overzichtswerk (1902-03, 74-75) stelde, conform de registratie van het RMO uit 1869, dat de afgebeelde scherven Vt 5-7 door ‘den Heer Perk’ waren geschonken en ‘gevonden bij het heuveltje aan den molen’. Pleyte schreef zich mede te baseren op een schetstekening van de opgraving in 1853 ‘in mijn bezit. Deze geeft eene steenbevloering met ovaal daaromheen liggende groote brokken steen, duidelijk het overblijfsel van een hunebed’. Twee brieven van Perk hierover, van 9.9.1853 en vooral 30.9.1853 (met de genoemde schetskaart) zijn geplakt in Pleytes convoluut ‘West-Friesland’, onder Baarn, Vuursche, vel 2 (archief RMO). Hier gaat het echter om een heel andere vindplaats:

‘De werklieden van Fuhrer hebben weder iets gevonden en half verstoord dat naar een haardstede gelijkt, ik hoop dat maandag te gaan opnemen en zal zeker berichten als er iets belangrijks gevonden wordt […]’ (9.9.1853). (Cahier 1957, 18). ‘Geachte Vriend […] Intusschen wil ik u niet doen wachten naar eenig bericht omdat het op uwe reisplannen van invloed zoude kunnen zijn. De Vuursche zal niets opleveren vermoede ik; met gespannen verwachting heb ik eene opgraving gedaan met Führer, maar dezelve lever- de weinig voldoenends. Wel eene bevloering en eenige kantlagen, sporen van asch, maar weinig, onvolkomen, laag, luttel gefatsoeneerd, eene soort of hoogstens twee soorten van steen, zijnde brokken van graniet en van brosse zandsteen. Noch in constructie, noch in vorm overeenkomende met de onder Hilversum gevonden haarden. Die bij deze vergeleken veel meer zorg en kunst vertoonden, geene voorwerpen van steen die bearbeid schenen, hoegenaamd; eene hoogst ruwe stookplaats misschien hooger van kanten geweest en verbroken gedeeltelijk, gelijk veel in die buurt; de plek is uitkomende uit het bosch van den weg van Maartensdijk naar de Vuursche, (de continuatie van den mooijen hoek die wij inreden naar Eik gaande) vijf minuten Zuidwestwaarts van den Vuurschen molen. Verder is tot hiertoe niets gevonden en ook de keijengraving voor den Laarder Straatweg [bij Hilversum) levert niets op. doet zich iets voor dan zal ik het melden.’ (30.9.1853). De bijgevoegde schets toont in perspectief een ring van veldkeien, van 1,63 bij 1,16 m, een situatieschetsje en de notitie: ‘De plek met heide begroeid[,] eene kleine verhooging van den grond{,] vroeger waarschijnlijk reeds afgegraven. nu de steenen nauwelijks een voet onder den grond[.] Sept. 1853.” (Cahier 1957, 19-20).

Perk vergeleek de ‘stookplaats’ met de enige maanden eerder door hem en Janssen bestudeerde ‘haarden’ of “haardsteden’ op de zuidoosthoek van het Gooi, zich er niet van bewust dat deze goed uitgevoerde steenconstructies vals waren (zie Kanttekening 31, de ‘haardsteden’.. ). Daarmee vergeleken was deze ‘bevloering en eenige kantlagen, sporen van asch, maar weinig, onvolkomen, laag, luttel gefatsoeneerd, eene soort of hoogstens twee soorten van steen, zijnde brokken van graniet en van brosse zandsteen’ duidelijk een teleurstelling. Janssen vermeldt de brief ook (1856, 88, r. 18- 31) en de door hem gegeven bijzonderheden zijn duidelijk aan brief en schets van 30.9.1853 ontleend. In plaats van ‘Führer’ of ‘Fuhren’ noemt hij de aan Perk bekende Hilversumse stenenzoeker “Van Vuuren’.
Geen woord dus bij Perk en ook Janssen over het vinden van scherven, versierd of onversierd. Ook geven brief en schets onvoldoende aan of de door Pleyte aangenomen stenen hunebed- bevloering inderdaad tamelijk aaneengesloten geweest is, zoals hunebedvloeren betaamt. Van de door Pleyte veronderstelde vloer van een hunebed hoeft dan ook geen sprake te zijn geweest, nog ervan afgezien dat een ovale vloer, door Perk beschreven als een losjes met ‘kantlagen’ omringde ‘stookplaats’, niet direct aan de vloer van een hunebed of steenkist doet denken.
Wellicht denke men eerder aan een met veel keien gemaakt graf onder een grafheuvel, gezien Perks hiervoor geciteerde notitie bij zijn schets.
Helemaal uit te sluiten is een rest van een steenkistgraf niet, als we denken aan de reeds eerder door de werklieden aangerichte schade, Perks toch wel erg vage schets en beschrijving, zijn ontbrekende ervaring met hunebedvloeren, en de ook weer niet volledig uit te sluiten mogelijkheid dat de scherven Vt 5-7 toch van deze bevloering afkomstig waren (terwijl het gros van de vele tientallen verder te verwachten scherven onopgemerkt bleef, wat mij overigens vreemd lijkt) — misschien is Pleytes veronderstelling dus helemaal zo gek niet, ook al ontbreken daarvoor nog de overtuigende bewijzen.
De locatie ‘vijf minuten Zuidwestwaarts van den Vuurschen molen’ (Perk) is niet erg duidelijk.
Perks schetskaartje met bijschrift laat wel zien dat deze ‘vroeger waarschijnlijk reeds afgegraven […] kleine verhoging’ in een ‘voetpad’, 40 el (m) ten N van het ‘Bosch van den heer Eik’ en 20 el ten O van een ‘weg’ lag en ‘met heide begroeid’ was. Janssen (l.c.) vergiste zich toen hij schreef dat de vindplaats “40 el zuid-oostwaarts van het bosch van den heer EYCK’ gelegen was (lees ‘noord-oostwaarts’ — Janssens windstreken zijn dikwijls fout, bijv. Janssen 1856, 64- 65, 77).
Aangezien het betreffende blad 32 van de Topographische en Militaire Kaart van het Koningrijk der Nederlanden (TMK) pas in 1855 in druk zou verschijnen, moesten Janssen, Perk en Reuvens hun afstanden schatten. Gewoonlijk deden zij dit in hele en halve uren, kwartieren of minuten gaans. Janssen (1856) heeft zijn opgaven niet meer aan de TMK aangepast. Welke kaarten Janssen gebruikte, blijkt niet. Reuvens gebruikte de Kaart van C.R.T. Kraaijenhoff 1:115 200 uit ca. 1823. Janssen kan voor het Gooi de kaart van A. Perk van Gooiland uit 1843 gebruikt hebben, maar De Vuursche ontbreekt daarop.

.
Wat was een ‘uur gaans’?
Omdat op voor de hand liggende plaatsen het ‘uur gaans’ [verder: u.g.] niet nader gedefinieerd wordt en men het nu, met terugwerkende kracht soms op 4 km stelt, geef ik een overzichtje van tenslotte gevonden concrete gegevens, die nogal variëren. Van Lier (1760, 8) rekende met ‘schreden waarvan er vierduizent in een uur gaan’ terwijl de door hem op p. 20 vermelde afstanden tussen hunebed D13 en D12 (400 treden = 450 m) en D14 (1200 schreden = 1100 m) suggereren dat zijn schrede 92 à 112,5 cm, zeg 1 m lang was.
Dus hij gebruikte een u.g. van ca. 4 km. Volgens de tekst van de zakatlas van De Leth (ca. 1765) was een u.g. gelijk aan 1 Franse (zee)mijl en 1500 Rijnlandse Roeden [à 3.767 m], dus 5,605 km. Ook op de Nieuwe kaart van ‘t eiland Ceylon (uitgave Isaac Tirion, 18e eeuw) zijn de schaalstokken van 15 ‘Duytsche Mijlen, 15 in een graad’ identiek aan die van 60 ‘Engelsche Mijlen’ en 20 ‘Fransche Mijlen of U.G.’. Ook volgens de Tegenwoordige Staat van het Landschap Drenthe (le stuk, 1792, 124) is ‘een uur’ [gaans] ‘by de Aardrijkskundigen’ gelijk aan 1500 Rhynlandsche Roeden. Een reis van 213,5 u.g. [te voet/stapvoets] per openbaar vervoer door Noord-Duitsland door Willem de Clercq in 1814 correspondeert met 1070 km op moderne kaarten, zodat hij met een u.g. van 5,0 km gerekend zou hebben (W.A. de Clercq 1995, 106; 1999, 67). Zijn u.g. in Nederland zijn echter identiek met die van SJ. Baalde in De Leth (ca. 1765: u.g. = 5,6 km) of iets korter, zodat ik het op ca. 5,5 km hou — de afstanden kunnen toen 10% langer dan nu geweest zijn.
Toch was volgens ‘afstandswijzer Code Napoleon, Besluit 18 Aug. 1803’ een “U.g. (lieue) = 1327 Rijnl. Roede = 5000 m’ (Staring van Wieringen 1902). Volgens deze auteurs (p. 9) was echter een “U.g. = 1/20 middelb. graad = 5/9 myriameter = 5555,556 m’, met verwijzing naar KB 10.6.1863 (Staatsblad 69): ‘1 K.M. = 0,18 u.g = 10 4/5 minuut gaans; de snelheid van een u.g. komt overeen met 1,5432 M. per seconde’. Onder “Vroegere maten’ staat verder (p. 12) ‘U.g. = 1500 Rijnl. Roede = 5651,046 m.’ De Winkler Prins (deel 11, 1886, 75: ‘mijl’) bevestigt dit min of meer: ‘De zeemijl (lieue marine, league, 20 in 1°, en dus met een u.g. gelijkstaande) heeft eene lengte van 5556,56 Ned. el’ [1 Nederlandsche el is 1 m (zie 87)]. Volgens de vrij onnauwkeurige schaalstokken in de Gemeente-atlas van Kuyper (ca. 1866) was een u.g. bijvoorbeeld 5,538 km (blad Baarn, 1866) of 5,193 km (blad Hilversum, 1866) (zie ook Kanttekening 45, Antoine-Ignace Mellings tekening van hunebedden D3-D4 te Midlaren).
Letterlijk zouden Perks “vijf minuten’ dus 417-470 m geweest zijn, maar hij schatte de afstand hemelsbreed, op het oog en afgerond op vijf minuten (wat een maximum van 625-705 m zou toelaten), zonder in rechte lijn door heg en steg te marcheren en op zijn horloge te kijken. Eventueel had Perk een uur gaans in minder hoog looptempo in gedachten — de Larousse (1902, 121e editie) stelt de “lieue’ op 4 km, dus vijf minuten gaans op wat 333 m — maar aangezien in 1765, 1792, 1866 en 1886 ‘één uur gaans’ telkens weer op ca. 5.5 km gesteld werd, lijkt dit weinig waarschijnlijk. Bovendien heeft J.A. Brongers op school nog sommen gemaakt met “1 uur gaans = 5,5 km’ (med. 2001). Van Petersen (2002, 14-16) bespreekt het uur gaans in de 18e eeuw: hier ruim 5½ km, in Frankrijk minder dan 4½ km, in de Franse tijd 5,0 km. Bovendien was 1½ uur gaans ongeveer een klein uur rijdens, reed men te paard 7½ km per uur.

Eyck van Zuylichem bezat geen grond in de gemeente De Vuursche (legger oerkadaster 1830 in Regioarchief Amersfoort). Behalve in de gemeente Maartensdijk bezat Eyck grond in het N van de gemeente De Bilt (die als een smalle wig tussen Maartensdijk en De Vuursche/Baarn in ligt). Blad 32 van de TMK, waarvan de nettekening in 1848 gereedkwam (Grote Historische Atlas van Nederland 1: 50.000, West-Nederland, Groningen 1990) en het kaartje van De Bilt in Kuypers Gemeenteatlas (1866) suggereren een locatie van de ‘stookplaats’ in een (toen) driehoekig heideveld direct ten Z van de De Biltse verbindingsweg tussen de Koudelaan in De Vuursche, en de Eyckesteinselaan op de grens van Maartensdijk en De Bilt — coördinaten ca. 142.7 / 465.1. Dit punt ligt echter 1175 m, dus 2½ keer ‘vijf minuten gaans’, van de Vuurscher molen, zodat Perks afstandschattingen helemaal niet kloppen (wat verbaast voor een bij allerlei grondstransacties betrokken notaris). In 1848 lag er in een bos tussen deze locatie en de molen, dat blijkbaar nog zo laag was dat het volgens Perks schetskaart (1853) de molen nog niet aan het gezicht onttrok.
Gezien de locatie dicht bij het bos van Eyckestein lijkt het mij minder waarschijnlijk dat de stookplaats ten N van de Koudelaan in de gemeente De Vuursche gelegen heeft, ook al kloppen de afstand tot, en de zichtbaarheid van de molen dan beter (coördinaten ca. 143.2 / 465.6, afstand tot de molen dan een 500 m).
Hoe dit ook zij, in ieder geval blijkt duidelijk dat deze stookplaats niet die ‘bij het heuveltje aan den molen’ gelegen heeft, zoals Pleyte (1902-03) en in navolging ook Addink-Samplonius (1984, 214) schreven. Ten eerste wist Janssen dat het om een heel andere plaats ging.
Vervolgens lijkt het onwaarschijnlijk dat ‘bij’ zó ruim opgevat werd dat een plaats op vijf of meer minuten afstand, maar in het zicht van de molen, aldus werd aangeduid. Ten derde, indien dit toch wel het geval zou zijn geweest, was het vermelden van bij den molen (zonder het heuveltje aan) volstrekt overbodig geweest. Perks schets en brief spreken dan ook uitsluitend over de in de verte goed zichtbare molen, niet over het heuveltje ernaast — dat op die afstand vrijwel onzichtbaar geweest moet zijn.
De in Hunnenbeddencultuur in de Lage Vuursche, Westerheem, 1957, blz. 57 veronderstelde TRB-vondst bij de Sijsjesberg of Sijdjesberg te Huizen (N.-H.) was die van een klokbeker met wikkeldraad (?) stempelversiering (Een nederzetting van de trechterbekercultuur te Laren (NH) in In het voetspoor van A.E. van Giffen, 1961, blz. 30).

.
4. Een andere grote steen, bij de molen.
Scheltema (1833) suggereerde dat de Steen op zijn huidige plaats te voorschijn gekomen is bij de aanleg van de Dorpsstraat omstreeks 1650. Over een andere steen, bij de molen, schreef hij:
‘Ik heb wel eene groote kei bij de koornmolen op de steenkamp of steenakker gezien, doch bij onderzoek is het gebleken, dat dezelve niet op steunsels lag en later heb ik berigt bekomen dat deze steen eenmaal met dommekrachten en hefboomen uit zijn vorige legplaats terzijde is gewerkt omdat dezelve den doorgang belette.’ (Scheltema 1833, afschrift Cahier 1957, 73, naar afschrift A. Perk).
Verhalen dat de Steen recentelijk van elders was aangevoerd bleven echter de ronde doen. Craandijk (1888, 9, 35) geloofde hier niet veel van:
‘Volgens ‘t verhaal, ons gedaan, leefden er nog menschen, die gezien hadden, hoe de groote steen [voor de herberg] van de zeven linden herwaarts was gebragt. Mij is verzekerd, dat hetzelfde ook den bekwamen oudheidkundige J. ter Gouw is gezegd. Maar is het verhaal waarschijnlijk? […] Intusschen, dat het geschied is in een’ tijd, die aan nog levende personen heugt, acht ik op zijn minst twijfelachtig. Wij zouden dan moeten aannemen, dat het omstreeks het jaar 1810 zou zijn gebeurd. Maar in 1803 [= 1805-1807] had de oude heer Bosch het goed gekocht. Zeker kon de steen niet wel worden overgebragt zonder medeweten, hoogst waarschijnlijk evenmin zonder medewerking van den landheer. Was hij dat gansch vergeten, toen hij in 1832 […] Scheltema er graven en zoeken liet? Of heeft hij dien oudheidkundige een poets gespeeld? En was dan iedereen in ‘t dorp vergeten, of iedereen in ‘t complot?’ De Zeven Linden was een in 1939 gesloopte 17e-eeuwse boerderij aan de Zevenlindenweg, ter plaatse van de gelijknamige camping van Staatsbosbeheer.
Jan ter Gouw leefde van 1814-1894 en had een zomerhuis te Hilversum. Dit verhaal vinden we, in 1893 uitgebreider genoteerd, terug bij zijn zoon (?) J.E. ter Gouw (1910a), alleen betrof het nu de omgeving van de molen, niet van de Zeven Linden en was het vijf jaar na Craandijks publicatie genoteerd.

J.E. ter Gouw (1910a) schrijft dat volgens zijn in 1893 in zijn Hilversumsche Oudheden (Janssen 1856) gemaakte notitie een zekere Aalt van de Pol, ongeveer zeventig jaar oud, in zijn jeugd van de bejaarde Jan van Amersfoort gehoord dat hij vroeger geholpen had de Steen van de Vuursche en zijn draagstenen ‘met takel en blok uit de diepte op een plek achter den molen naar boven te brengen’. Volgens Ter Gouw kon Van de Pol, rond 10 jaar oud, dit verhaal omstreeks 1833 van Van Amersfoort gehoord hebben en hij giste dat deze ‘zeg 20 jaren vroeger’, omstreeks 1813, de Steen omhoog had helpen brengen. Zoals we nu weten, lag de Steen toen echter al minstens 32 jaar op zijn tegenwoordige plaats. Maar er zit wel meer rek in de chronologie van dit verhaal, dat maximaal tot 1750 terug zou kunnen gaan (Hunnenbeddencultuur in de Lage Vuursche, Westerheem, 1957, blz. 27-28). Theoretisch is dus niet volledig uit te sluiten dat de Steen daar pas tussen 1750 en (enige jaren voor) 1781 is neergelegd.
Het verhaal over het omhoogbrengen van een grote steen met takel en blok ‘op een plek achter de molen’ kan ook de door Scheltema (1833) vermelde ‘groote kei bij de koornmolen op de steenkamp of steenakker’ betreffen, die ‘eenmaal met dommekrachten en hefboomen uit zijn vorige legplaats terzijde is gewerkt omdat dezelve den doorgang belette’. Ook kan het een andere, voor de Lage Vuursche vrij normale, niet door mensen aangevoerde zwerfkei zijn (vgl. Overweel & Zandstra 1967 en Kanttekeningen 26, Zwerfstenen geschikt voor hunebedbouw in Midden Nederland). Ter Gouws verhaal speelt te lang vóór 1893 om iets te maken te kunnen hebben met de veronderstelde afgraving van “het heuveltje aan den molen’ in 1880, bij het opwerpen van de huidige, forse molenberg. Toch verdient de omgeving van de vroegere molen blijvende aandacht in de toekomst (zie § K2.3 hiervoor). De Wilde (1909) schreef dat de Steen als deksteen op vier diep in de grond staande stenen rust, die men als men in de 18e eeuw een monument had willen oprichten, wel minder diep begraven zou hebben, terwijl ze z.i. wel goed als een stuk van een echt hunebed te verklaren waren. Bovendien, schreef hij, woonden er in Lage Vuursche te weinig mensen om de Steen te kunnen verslepen en opstellen! [In 1840 waren er 190 inwoners, adel en huispersoneel inbegrepen — B.J.

.
5. Soeststapel.
Omstreeks 1954 vermoedde M. Raven (z.j.-1; z.j.-2) in het grenspunt Soeststapel de oorspronkelijke plaats van herkomst van de Steen van Lage Vuursche. Volgens een proces-verbaal van 23.7.1449 hadden enige bejaarde Gooiers verklaard:
‘dat Goylant streckt in alre manieren, als hierna volcht, te weten, dat int noortoisteynde van Goylant gaet een wech, geheten Wackerswech, die leecht in Goylant ende gaet up tot den Vuyrsboom toe, ende van den Vuersboom tot up Soeststapel, van Zoeststapel tot upten hoffstede, die tussen de tween harden leecht omtrent halfwegen tussen Goyersbosch ende den Vosbergen int Sticht ende toebehoeren plach der abdisse van Elten, ende van dien hofstede noirt ommegaens […]’ (Enklaar 1932, 35-37).
De Wackersweg is de dorpsstraat van Eemnes (Wakkerendijk), de Vuyrsboom was de Hoge Beukenboom op de Hoge Vuursche (bij de galg bij De Roskam). De locatie van de Hofstede van Elten is onbekend. Perk (1845) situeerde hem tentatief ter plaatse van Eyckestein (kaart-coördinaten 142.1 / 463.6), wat kwestieus lijkt omdat dit punt toen nog midden in het veen lag. Omstreeks 1954 lokaliseerde M. Raven (z.j.-1) hem, mede op grond van de geciteerde tekst uit 1449, dichter bij de Koudelaan (coördinaten 143.2 / 465.1 of 142.6 / 465.1). En Soeststapel zocht hij aan de Zevenlindseweg tussen Vuyrsboom en de Hofstede van Elten:
‘Het enige markante punt waar we dit [Soeststapel] kunnen zoeken is het z.g.n. 6 wegen-punt Stulpse-laan — 7 lindense weg, […] (Onder stapel wordt hier verstaan een hoop veldkeien). Bij aandachtige beschouwing van de top.kaart blijkt dit punt van letterlijk cardinale betekenis te zijn, want het ligt in één lijn zowel met de grens Zeist-Soest als met de grens Hilversum-Laren! […] Het is zeer wel mogelijk dat het punt Soeststapel in 1085 met de naam Furs werd aangeduid en dat het z.g. ‘hunnebed’ van de Lage Vuursche de steenstapel was die dit belangrijke grenspunt aangaf. Deze zou dan bij de stichting van het dorp Z.-W. waarts verplaatst zijn. Craandijk vermeldt een traditie dat het ‘van de 7 linden’ afkomstig zou zijn.’ (Raven z.j.-2)
Craandijks vermelding (1888) is in de vorige paragraaf geciteerd. De betreffende zes-, nu zevensprong in de Zevenlindseweg — die later zijn naam gegeven zou kunnen hebben aan De Zevensprong van Tonke Dragt (1966) en de daarop gebaseerde, spannende televisieserie (1982) van Karst van der Meulen — heeft de kaartcoördinaten 144.45 / 466.70. Het toponiem stapel kan inderdaad op een hunebed wijzen.

De Stapelstein in het plaatsje Stapelstein bij Etzel in Oostfriesland (Sprockhoff 1975, 89) is inderdaad een klein hunebed en in ons geval hoeft men uiteraard niet te denken aan een stedelijke stapelplaats van handelsgoederen, zoals bijvoorbeeld de ‘Schotse stapel’ te Veere. Ook bij Ballenstedt in de Altmark gaf een hunebed de naam Stapel aan een dorp. “… unnd uber die Bisa die beide Ballenstedte / Crasse nunc nominatur Ballerstedte / da sagen die alten bawren / es haben da Herrn gewonet vor Christi geburt / darbey nicht fern / ligt ein Dorff / heist Stapel / quasi stabulum, darbey findet man einen sonderlichen ort / da grosse hohe steine auffgerichtet sein / in einem kreyse und feiner ordnung / das nennen die bawren das steinbette / quasi lectum lapideum, vel lapidum, oder das Helden bette / quasi lectum heroum, da sollen die alten Herrn von der Zera begraben sein / wie vorzeiten grosse Herrn sich also in die Hügel im felde begraben lassen.’ (Entzelt 1579, ‘Caroli Symbolon”).
J. Meier (1950, 53-58) toonde aan dat deze naam veel meer in Duitsland voorkwam en bovendien dat “Staffel- (Stapel-)stein als einfacher Gerichtsstein aufzufassen ist, entweder als liegender oder als stehender, was sich in den meisten Fällen nicht mehr entscheiden lässt.” Dat de Steen van Lage Vuursche als stapelsteen en gerechtsplaats van de heren van Drakestein gefungeerd heeft, wat bij mijn weten nooit verondersteld is, lijkt me niet erg waarschijnlijk.
Toch kan ik het niet laten de volgende passage van zekere Reynitzsch, in Bragur 3, uit 1794 te citeren: ‘In Wolfsbehringen befindet sich fast mitten im Dorf am Kirchhof auf einem kleinen Hügel ein mit Linden besetzter Platz, rund um mit grossen Steinen eingefasst … Man heist ihn gemeinl{ich) den gemeinen Anger [dorpsweide], auch das Mahl. In desselben Mitte unter der Hauptlinde ist ein grosser Stein als Tisch, gerad wie ein Heydnischer Opferstein aufgerichtet, den 4 kleinere Steine als Füsse tragen. Hier hält die Gemeinde ihre Versammlung, öffentliche Berathschlagung und Ansagung oder stehen in Ring.’ Meier, die deze passage aanhaalde, concludeerde ‘dass es sich um den alten Gerichtsplatz (Mahl) handelt, der mit seiner auf vier Steinen ruhenden Steinplatte das Bild eines kleinen Dolmen gibt’ (Meier 1944, 39-40). Wolfsbehringen ligt bij Waltershausen tussen Erfurt / Gotha en Eisenach. In die streek komen echte dolmens van het beschreven, met sommige van de TRB-cultuur overeenkomende type — zeker als men de ook genoemde omvatting van de plaats met grote stenen in aanmerking neemt — niet voor, althans nu niet meer.
Onlangs gepubliceerde gegevens laten daarentegen zien dat een al omstreeks 1310 genoemd grenspunt Zoys Stapel of Soest(er) Stapel, waar volgens een document uit 1601 ‘een grote grenssteen lag’, gelegen heeft tussen de Monnikenbergen en de Vlasakkers aan het Hezer Spoor. Dit is het punt waar de grens tussen De Birkt-Soest en Amersfoort enkele meters ten N van de spoorlijn Amersfoort-Utrecht nog steeds een knik maakt (kaartcoördinaten 151.53 / 462.00; Hilhorst & Hilhorst 2001, 17, afb. 2, 127-128). Deze plek ligt een volle 8,5 km ten ZO van de zevensprong in de Zevenlindseweg !
De steen of stenen van deze Soeststapel zijn al lang verdwenen en de aanleg van de spoorlijn zal ook veel uitgewist hebben, maar voor alle zekerheid zou men er op moeten letten of hier geen TRB-aardewerk en andere hunebedresten in de grond zitten. Een in 1592 als grenspunt in die contreien genoemd Zwarte Bergje of Ezelenberg (Hilhorst & Hilhorst 2001, 179) is mi. waarschijnlijk een Bronstijdgrafheuvel van zwarte heideplaggen geweest, zoals de Zwarte Berg bij Hogeloon (Glasbergen 1954). Maar of voor de Zwarte Berg bij Hilversum hetzelfde verondersteld mag worden blijft de vraag. Een moeilijk interpreteerbaar bericht over een daarin door Van Vuuren gevonden stookplaats en een uit stenen opgebouwde schacht of muurtje bij Janssen (1856, 77) biedt weinig aanknopingspunten. Er werd een verbazende menigte grote stenen opgegraven, die tot een diepte van 21 voet [ca. 6-7 m!] als een muur op elkaar zaten. Dicht tegen de stenen vond men van 13 voet [ca. 4 m] tot 21 voet diepte een grote menigte houtskolen. J.E. ter Gouw (1910b) meldt de vondst, enige tijd voor 1892, van een gemetselde, dus wel tamelijk recente, ‘stenen’ put (doorsnee ca. 1 m, 5-6 m diep) in de helling of kruin van de Zwarte Berg. Hier zal dus wel eens een boerderijtje met bakstenen waterput gestaan hebben — als veldstenen gebruikt waren denkt men aan zulke, Middeleeuwse, waterputten bij de nederzetting op de Lange Heul.
Aangezien Hilhorst & Hilhorst (2001) geen andere Soeststapel noemen, zou men moeten aannemen dat de Gooise informanten in 1449 een onwaarschijnlijk groot areaal — het grootste deel van Soesterveen, Hoog en Laag Hees — bij het oorspronkelijke Gooi rekenden, of misschien beter, dat hun verbalisanten de plaatselijke situatie niet kenden en een en ander verward noteerden (J.H.M. Hilhorst schreef mij in 2001 dit ook te concluderen). Een direct verband tussen de Soeststapel en de Steen van Lage Vuursche zou er dus niet zijn.
Bij nader inzien zou de tekst uit 1449, indien zo begrepen, dermate zinloos zijn, dat men zich afvraagt of er toch niet ook een tweede Soeststapel geweest is, conform Raven op de plaats van de zessprong — dan is de tekst wèl logisch. Inderdaad is deze een intrigerend snijpunt van grenslijnen — behalve die welke Raven noemde, liep hierheen waarschijnlijk ook de Oostelijke Nonnengroep [groep = greppel}, “de oudere grens tussen Soest-Hees en Zeist’ (Broer 2002, fig. p. 78). Maar alleen nader onderzoek van de grenskwesties rond de Vuursche en andere documenten kan het proces-verbaal uit 1449 begrijpelijker maken en uitwijzen of daar een tweede Soeststapel gelegen heeft (Hilhorst & Hilhorst 2001 bespreken de grenzen van de Vuursche niet.
Of de (tweede) Soeststapel inderdaad op dit kruispunt gelegen heeft en of de Steen daar nu vandaan komt is zeer de vraag, maar niet totaal onmogelijk, evenmin dat hij elders in de omtrek gevonden is (zie K26 Zwerfstenen..). Maar deze tweede Soeststapel kan zelfs ook identiek geweest zijn met de Steen en steeds op zijn huidige plaats voor de herberg gelegen hebben — met een (buitengewoon kleine) kans dat hij sinds heel oude tijden als Stapelsteen gediend heeft voor het rechtspreken en terechtstellen, dus als het ware de voorganger van het regthuis erachter. Heeft Van den Bergh iets van deze zeer kleine mogelijkheid aangevoeld en zijn pastiche (1845) geschreven uit frustratie dat hij geen schriftelijke bewijzen kon vinden? (zie § 2.8).

.
6. Een andere herkomst van de TRB-scherven?
Totdat te Lage Vuursche ander hunebeddenaardewerk van zo mogelijk dezelfde vindplaats opduikt, moet de mogelijkheid open blijven dat de notitie over de vindplaats van de TRB-scherven Vt 5-7 — wellicht op berichten uit de tweede of derde hand gebaseerd — incorrect is en dat deze scherven in werkelijkheid van elders komen. Het is niet helemaal ondenkbaar dat een bij andere winkeldochters in Janssens kamer in het Museum horend briefje in 1869 ten onrechte bij deze scherven gevoegd is. Eventueel zijn de Drakestein- en ijzertijdscherven Vt 1-4 ‘uit Maartensdijk, van den Heer Haasloop Werner’ met Vt 5-7 verwisseld. Daarmee zou het zwijgen van Janssen en Perk over deze versierde scherven verklaard zijn en ook zouden de onversierde ‘“Drakestein- en IJzertijdscherven’ heel goed de door Janssen in 1851 op en bij het deels begraven heuveltje opgeraapte urnscherven “van germaansch karakter’ geweest kunnen zijn.
Maar we blijven dan zitten met de vraag waar Haasloop Werner de TRB-scherven Vt 5-7 dan vandaan gehaald zou kunnen hebben. In diens geschriften en aantekeningen wordt er voor zover ik weet niet over gesproken. Vroeg-Havelter scherven als Vt 7 had hij aan het Uddelermeer (The TRB West Group, Cingula 5, 1979, 194-196, fig. B19-20), in het Beekhuizerzand (82) of elders op de Veluwe kunnen vinden, maar dunwandige Drouwener scherven als Vt 5 en 6 zijn daar zeldzaam. Te Elspeet, de belangrijkste Drouwener vindplaats van de Veluwe, overwoog tijdens die stijlperiode veel dikwandiger aardewerk (The TRB West Group…, 188-190, fig. B8-9; Mauro 1993).
Als al te speculatief laat ik deze gedachtelijn weer los en vraag me af of Janssen de drie hunebedscherven niet ergens anders vandaan verkregen kan hebben. Voor zover bekend heeft Janssen slechts in twee echte hunebedden gegraven. In 1847 groef hij in het vernielde hunebed binnen de zogenaamde Zaalhof, D44a-Emmen (Janssen 1848, 117-119). Dat de scherfjes Vt 5-7 uit D44a afkomstig zijn, dus zouden horen bij de in het RMO onder die vindplaats geregistreerde en door Janssen in detail beschreven hunebedscherven (met verwijzingen naar afbeeldingen van vergelijkbare stukken) lijkt onwaarschijnlijk (dit moet ik nog checken!). Voorts noemt Janssen door hemzelf in 1847 in de resten van hunebed Exloo-3 (D31a-Exloo) gevonden mensenbeenderen die door de Leidse anatoom G. Sandifort onderzocht waren (1848, 17, 50, 188). Dit, nu verdwenen, hunebed was in 1843 door J.S. Magnin c.s. bij de Hunsow ontdekt en vergraven (Van Giffen 1925, tabel p.156/157, 1927, 54-56).
Blijkbaar heeft Janssen hier vier jaar later een nagraving in gedaan [*1846’ (in Janssen 1848, 17) lijkt een drukfout voor “1847°]. Janssen zwijgt echter volledig over gevonden scherven en bij het naonderzoek van 1993 zijn hier vrijwel geen TRB-scherven gevonden (Lanting 1994 en mond. med. 2000).
Ook zou Janssen bij zijn inspectietocht in 1847, waarbij hij alle hunebedden in Drenthe getekend heeft (maar geen toestemming van het Provinciaal Bestuur gekregen had om er in te graven), deze scherven bij andere hunebedden opgeraapt kunnen hebben. Normaal is er weinig te vinden bij een hunebed waarin niet onlangs gegraven is, maar, behalve aan illegale keiendelverij of konijnenholen hier en daar, kan men ook denken aan de droge sloten en/of wallen die juist in de jaren 1840 door sommige gemeentebesturen rond enkele representatief geachte hunebedden en ‘grafkelders’ aangelegd zijn (gedrukt Jaarverslag van GS Drenthe over 1846). De greppels gingen bijna rakelings rond de stenen en het is bepaald niet ondenkbaar dat daarbij offerzones van aardewerk voor de ingang aangesneden waren.
Scherf Vt 7, van een op ‘Nederlandse’ wijze versierde Vroeg-Havelter amfoor, sluit overigens uit dat de drie scherven bijvoorbeeld door Janssen van een eventueel bezoek aan een opgraving van zijn vriend G.O.C. Baron von Estorff bij Uelzen meegebracht waren, aangezien aldus versierde amforen daar ontbreken. Alleen langs Eems, Vecht en Dinkel vind je in Duitsland nog geheel met “de onze’ overeenkomstige amforen. En in westelijk Westfalen en langs de Eems in Nedersaksen heeft Janssen geen excursies gemaakt, meen ik. Ook de gedachte dat de scherven Vt 5-7 elders door Janssen gevonden zouden kunnen zijn, brengt ons dus niet werkelijk veel verder (tenzij het scherven uit D44a zou betreffen).
Winkeldochters van het onderzoek door Janssen en Von Estorff van en bij de Hunneschans aan het Uddelermeer (vgl. Arentzen 2003, 8), kunnen het ook niet zijn (zie de opmerkingen over Haasloop Werner, hierboven).
Resteert op te merken dat de aanwezigheid van een echt hunebed, ten ZW van de molen of waar dan ook bij de Lage Vuursche, of waar dan ook verder op de Goois-Utrechtse heuvelrij, zeker niet bij voorbaat uit te sluiten is. Volgens het weinige dat reeds over de verspreiding van de aardewerktypen in Midden-Nederland, over de beschikbaarheid van grote stenen aldaar, en over het voorkomen van hunebedden tot in het Duitse Ruhrgebiet bekend is (zie K26, Zwerfstenen..), moet men immers serieus met die mogelijkheid rekening houden.
Een interessante plaatsnaam is bijvoorbeeld Steenbergen in de bebouwde kom van Laren (N.-H.), waar begin vorige eeuw een villa van die naam geplaatst is. Maar over grote stenen, steengruis en scherven is niets bekend en de plaatsnaam Steenbergen komt bijv. ook in Noord-Brabant voor, waar zeker geen hunebed te verwachten is — volgens mededeling van J.A.J. Vervloet (2003), geboortig uit deze stad, is haar naam ontleend aan een plaats in Vlaanderen gelegen op een stenige plek.
.
7. De Steen een dolmen?
Terug naar de Steen van Lage Vuursche. Een opmerking van J.B. Christemeijer (1836, 105), die meestal goed op de hoogte was, geeft aan dat al vóór Scheltema’s publicatie (1833) over de betekenis van de Steen is nagedacht:
‘Men heeft dat gevaarte [de Steen] daar langen tijd voor een soort Hunebed of aloude grafplaats aangezien, gelijk men die — doch op veel grootere schaal — in de heidevelden van Drenthe vindt. Onze geleerde landgenoot, de Heer Mr. J. SCHELTEMA is geneigd, deze verbazend groote kei, voor een oud altaar te houden, gelijk die, onder den naam van dolmin, in Frankrijk, in het Engelsche graafschap Cornwallis, in Duitschland en elders, nog gevonden worden.’
Ik denk dat Christemeijer, die deze regels schreef toen Scheltema’s artikel nog geen drie jaar oud was, o.a. zichzelf op het oog gehad heeft. De spelling ‘hunebed’ suggereert dat hij Westendorps boek over de hunebedden (1815, 1822°) kende, waarin evenals bij Van Lier (1760) en Picardt (1660) hunebedden als grafplaatsen opgevat werden.
Daarentegen herkende Scheltema (1833) in de Steen een ‘oud altaar (dolmin) of een naar een hunebed zweemend overblijfsel van de eerste bewoners dezer landen’.
De term ‘dolmin’ is door La Tour d’Auvergne (1792, 16, n.) in de literatuur geïntroduceerd en door M. Cambry (1805, 299) verbeterd in ‘dolmen’. Deze authentiek-Bretonse term voor ‘stenen tafel’ [t(a)ol + maen] (Le Menn 1990, 374-376), is al snel wereldwijd overgenomen. Men hield ze daar en elders graag voor offertafels, welke interpretatie men nu nog wel in populaire literatuur aantreft.
Wat het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, red. M. Philippa e.a., Amsterdam zj. [2004] over ‘dolmen’ (daarbij ‘menhir’ en “hunebed’) bericht is onjuist.
Dat de Deense archeoloog J.J.A. Worsaae (1843) tien jaar na Scheltema’s studie aannemelijk gemaakt heeft dat dolmens en ganggraven van de TRB-cultuur in Zuid-Scandinavië en Noord-Duitsland in de eerste plaats grafkelders en geen altaren waren, ontging het grote publiek ten aanzien van de Steen volledig (bijv. Witkamp 1882; en ook Pluim, zie § 2.8).
Geofferd is er bij de megalietgraven van de Nederlands-Duits-Scandinavische hunebedbouwers overigens wel, zoals pas in de 20e eeuw zou blijken, maar dan bij de ingang aan de voet van de ooit aanwezige grafheuvel, of in de kamer onder de stenen. Soms zijn daar inderdaad ook delen van mensen geofferd. Dat toen en in later tijd ook op de dekstenen offers gebracht zijn wordt niet door duidelijke vondsten gestaafd. Daar bovendien de vlakke kant naar onderen en de bolle of spitse kant van de dekstenen naar boven gericht waren (zoals in 1781 ook bij de Steen), waren het beslist geen geschikte offertafels, zoals veel 15e-17e-eeuwse auteurs graag wilden (mede geïnspireerd door Exodus 20: 24-25).
In de vakliteratuur verdwijnt de verklaring als altaar van dolmens echter volledig in 1843. Janssen (1856, 73) noemt de Steen van Lage Vuursche dan ook ‘hunebed of steengraf’, nooit ‘dolmen’. De vorm van de Steen met zijn draagstenen sluit op zich niet uit dat hier van een TRB-dolmen sprake geweest kan zijn. Hoewel het niet bepaald een typerend voorbeeld zou zijn, is de vormvariatie van de echte dolmens m.i. te groot om hierover dogmatische uitspraken te doen.
Bij dit alles moet men overigens bedenken dat ten tijde van Scheltema’s artikel (1836) eigenlijk nog geen systematisch verschil gemaakt werd tussen de megalietgraven van de TRB-cultuur en van andere prehistorische culturen; het cultuuronderscheid drong vooral pas in het laatste kwart van de 19e eeuw door, hoewel Janssen in de jaren 1850 al heel goed wist dat diepsteekscherven uit onze hunebedden en van — elders aan — de Vuursche typologisch overeenkwamen met die uit Mecklenburg, Hannover en Zuid-Scandinavië (§ 2.3, 2,5, 2.9).
.
8. De Brief van kloosterbroeder Hamarkerus.
De historicus L.P.C. van den Bergh, later Rijksarchivaris, publiceerde in 1845 in de Utrechtsche Volksalmanak voor 1846 een ‘Brief van kloosterbroeder Harmarkerus aan broeder Gozelinus te Keulen’, die hij uit de oorspronkelijke, laat-9e-eeuwse tekst vertaald zou hebben:

‘Van Amuthon voer ik terug naar Lonoralaca, waar ik het vaartuig verliet, en met een paard, door twee broeders vergezeld, landwaarts toog naar het grote woud Furs, waar ik vernomen had, dat nog heidense plechtigheden in het geheim werden gevierd. En inderdaad, wij troffen er een groot stenen altaar aan, wellicht door boze geesten zelf opgebouwd, want geen mens kan het oplichten, en aan drie zware lindebomen schenen nog overblijfselen van onzalig offerbloed te kleven. Ik heb in het gezicht der menigte de plaats met wijwater gereinigd en, daar het altaar te sterk was om omgestort te worden, er een kruis op geplant, opdat het volk zonder schade voor zijne ziel op dezelfde plaats zou kunnen samenkomen, waar zij gewoon waren te vergaderen, en de dienst des duivels in die van Christus en Zijne Heiligen zou overgaan. Het volk is daar woest en onbeschaafd en leeft van de jacht. Men zegt, dat er wolven en vossen in die wouden rondwerven, maar ik geloof, dat de boze geesten er in nog groter aantal wonen, en daarom heb ik een der broederen achtergelaten en hem een heilige relikwie toevertrouwd, die de duivelen verjagen zal.’ (geciteerd volgens De Blécourt 1979, 219-220, cf. 298; moderne spelling).
Amuthon is Muiden, Furs is de Vuursche en Lonoralaca werd als Loenen verklaard (maar dit is onjuist, zoals we zullen zien). Of Van den Bergh ooit zelf bekend gemaakt heeft dat deze prachtige tekst een pastiche van hemzelf was, weet ik niet precies (ik geloof van wel). In elk geval is de zogenaamd 9e-eeuwse tekst nooit letterlijk gepubliceerd en in Van den Berghs talrijke historisch-geografische, historische en mythologische vakstudies wordt de Brief nergens als serieuze bron geciteerd (bijv. niet in Van den Bergh 1836 en 1846a). Ook in publicaties van vroege geschiedbronnen over het Nedersticht (‘Oorkondenboeken ”) komt de Brief niet voor. Zo was al lang vrij algemeen bekend dat de Brief een ‘mystificatie of grapje’ was. De Wilde (1909) en Van Giffen (1925, 220; 1927, 71-72) wezen hier dan ook nadrukkelijk op bij hun behandeling van de Steen.
De Wilde (1909) noemt ook een pennenstrijd in Eigen Haard en de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1896 over de juistheid van Hamarkerus’ brief (Pluim (1896a-c; 1919a-b), Pleyte (1896), Grimberg (1896) en Van der Schaaff (1896) — literatuuropgaven bij Van Giffen 1925, 225-227, nrs 107-112, 139). Pluim geloofde aanvankelijk heilig in de Brief, de meeste anderen wezen er op dat deze een mystificatie was — ik heb ze er niet op nageslagen. Volgens Stevens (1982) zou Craandijk Pluim de ogen geopend hebben. Daar Craandijk (1888) geen woord over de Brief schrijft, zal dit dan wel in correspondentie geschied zijn. Maar men kan ook aan de andere polemisten uit 1896, De Wilde (1909) of later zelfs Van Giffen denken. Zijn leven lang is Pluim de Steen echter als een altaar blijven beschouwen (Pluim 1932).
Pastiches waren indertijd een sport onder jonge middelnederlandici en verschillende zijn er in studentenalmanakken e.d. verschenen (vgl. bijv. zulk werk van Eelco Verwijs: De Jong 1927, 119-133). Dat ze niet echt waren lag er dan duimendik op. Maar bij Hamarkerus is dat voor leken onvoldoende duidelijk geweest, want ook na Pluim is nog menigeen er tot laat in de 20e eeuw ingestonken. Zoals jeugdige leden van de GSAW (in De Wodanseik, begin jaren 1960), en IPP-studenten zelfs nog in 1985-93. ‘Oh geest van van den Bergh!’ verwenste een vroeg- 20e-eeuwse auteur (die ik helaas niet terugvinden kan) de mystificateur terecht.
In een doctoraalscriptie van de IPP-studenten R.R. van Zweden, E. Jansma & KJ. Steehouwer (1985) werd de Brief van Hamarkerus opnieuw als belangrijke echte bron opgevoerd. Ik meen daar toen in de kantlijn zoiets van “dat is toch een vervalsing?’ bij geschreven te hebben. Mijn vele opmerkingen in de marge hebben helaas niet tot een verbeterd overgetypte versie van de scriptie geleid (en in 2001 kon Van Zweden noch Steehouwer zich Hamarkerus’ brief herinneren). Jammer genoeg is deze brief door de IPP-student W. Wimmers op grond van die ongecorrigeerde scriptie opnieuw als bron gebruikt (Wimmers & Van Zweden 1992, 119, n. 286; Wimmers 1993).
Blok (1993) — die Van den Berghs mystificatie als bron uiteraard negeert — wees er op dat Lonoralaca de oude waternaam voor Angstel-Gein-Smal Weesp ten W van de Vecht is geweest, waaraan de naam Loenersloot nog herinnert. Deze ‘Loenerlaak’ lag dus volledig verkeerd om op weg naar de Vuursche het schip voor het paard te verwisselen. Het hiervoor wel goed gelegen ‘Loenen’, waarmee Lonoralaca aanvankelijk vertaald werd, kan het dus niet zijn — ook hier valt de vervalsing door de mand (zie K3 over vervalsingen). Zou de grappenmaker Van den Bergh Lonoralaca soms bedacht hebben als ‘oude’ naam voor het bij Loenen in de Vecht stromende, bij Nieuw Loosdrecht ontspringende veenriviertje de Drecht?
Het offeren van mensen of dieren in de in 1845 gepubliceerde Brief was door het verwerpen van de altaarverklaring voor dolmens door Worsaae (1843, zie boven) eigenlijk al anachronistisch. Van den Bergh kan zich uitgedaagd hebben gevoeld door Scheltema’s opmerking . (1833) dat er geen Middeleeuwse verhalen over de Steen bekend waren en geen volksverhalen zoals over de Duivelssteen bij Namen (le Trou du Diable, een nu verdwenen megalietgraf te Jambes, nu deel van Namen). De brief zelf kan verder zijdelings geïnspireerd zijn geweest door de pikante passage over vroegere mensenofferpraktijken bij een hunebed genaamd.
Duvelskut te Rolde in een lange, doodernstige en naar de 15-16e-eeuwse humanistische stijl als brief (!) aan een monnik (!) ingeklede, geleerde verhandeling van de Brugse monnik (!) Schonhovius, gedateerd 20 december 1547 (zie 159 en K42). De drie lindebomen in Hamarkerus’ brief verwijzen ongetwijfeld naar de drie imposante linden tussen de Steen en de herberg, die we op de 18-19e-eeuwse afbeeldingen zien.
Tien jaar eerder had Van den Bergh (1836, 71) geschreven: ‘Een altaar uit den heidenschen tijd vermoed ik in de lage Vuursche, gewoonlijk de Vuurst genoemd, alwaar een ontzaglijke steen op vier kleinere rustende zich bevindt, door drie reusachtige boomen overschaduwd. Het dorp ligt aan de hei, drie uren van Utrecht.”
De opkamer van de herberg fungeerde tot 1857 als gemeentehuis, wat Van den Bergh de gedachte aan een oude vergaderplaats ingegeven kan hebben. Dat het in 1659 ingewijde kerkje er tegenover ligt, kan de auteur aan het denken gezet hebben, want Middeleeuwse kerken en kapellen zijn — bijv. in Bretagne — dikwijls naast of boven menhirs of megalietgraven geplaatst. Was de naam Hamarkerus misschien geïnspireerd door de achternaam Hamaker? In Janssens dagen was er bijvoorbeeld een apotheker van die naam in Leiden.
Op een lome zomerdag in de schaduw van de drie reusachtige linden voor de herberg gezeten kan een goed glas bier hem tot het schrijven van zijn Middeleeuwse brief geïnspireerd hebben, teruggrijpend op zijn serieus geuite vermoeden uit 1836.
.
9 Een versierd TRB-miniatuurkommetje van de Vuursche.

Dit is een halfbolvormig kommetje met diepsteekversiering op een onversierde standring. Volgens Pleytes tekening op ware grootte (1902-1903, pl. IV: 5) is de kom zelf 4,8 cm breed en 2 cm hoog, en de standring daaronder 0,6 cm hoog en aan de basis 2,5 cm breed (reproducties naar Pleyte: 4, pl. XIV: 1 en De Ridder 1997, 5). Oren of knobbels ontbreken, langs de rand loopt een dubbele rij van afzonderlijke rechthoekige indrukjes, daaronder vormt een horizontale lijn, getekend als een serie horizontale langwerpige indrukjes, een grens met de beneden-ornamentzone, die op de grens met de standring ook door zo’n lijn begrensd is. De benedenzone zelf is gevuld met dubbele, uit losse indrukjes bestaande omgekeerde en wat bolwandige Vs, typisch voor de TRB-horizon 4 volgens Brindley (1986). Pleytes tekening is een nauwkeurige kopie van een ‘Augustus 1853’ gedateerde tekening van Janssen (ms BPL 944.III; 4, 54-55).
Geheel terecht vergeleek Janssen (1856, 76) de dubbele omgekeerde-V-versiering van dit ‘aan de Vuurst gevonden […] zoutvatvormig kommetje, van fijne, geel-bruine aarde’ al met de amfoor van Brindleys horizon 4 uit Eext (afb. Pleyte 1880-1883, pl. 99: 4). Ook Van Giffen beschouwde dit kommetje als TRB-aardewerk (1927, 399). Hij vergeleek het qua vorm met een grote Drentse voetkom en qua ‘grove puntsteekornamenten’ met die op een emmervorm (Atlas, pl. 153:15 en 50).
Vroegere zoutvaatjes leken veel op onze eierdopjes. Janssen verwees naar zijn catalogus van het (latere) RMO (Janssen 1840, nr. 73). De vorm was als fig. 39, de versiering als fig. 91, en naar de genoemde TRB-amfoor die volgens hem was ‘gevonden bij Eext, in het jaar 1756’. Zie ook de brief van Janssen aan Perk van 29.8.1853 (Addink-Samplonius 1984, 217): het ‘potje uit de Vuurst’ lijkt zeer op een potje uit Eext. Aangezien Van Lier (1760) deze versierde amfoor niet afbeeldt onder de in 1756 uit de grafkelder D13 opgegraven voorwerpen, komt hij waarschijnlijk uit hunebed D12 te Eext (Van Giffen 1927, 20-21, n. 5). Aan Van Lier, die wel een kraagfles uit D12 afbeeldt (zie K33), is hij blijkbaar onbekend gebleven (afgebeeld Knöll 1959, pl. 12: 22; Pleyte 1880-1883, pl. 49: 4).
De versiering leek Janssen met een kamvormig werktuig ingedrukt te zijn, wat misschien aangeeft dat de versiering uit rijen van afzonderlijke langwerpig-rechthoekige indrukken bestaat. Kamstempel ziet men echter nooit op ons TRB-aardewerk en de kamindrukken op klokbekers zijn veel fijner en dichter opeen geplaatst. Janssen vervolgde (1856, 76):
‘Dit potje, hetwelk misschien tot bekertje gediend heeft, werd door den hilversumschen steengraver VAN VUUREN, ‘tusschen steenen’, maar niet in een’ grafheuvel gevonden, en bevindt zich thans bij den heer Perk te Hilversum. Het heeft meer overeenkomst met aardewerk uit de zoogenoemde steenperiode, dan uit den lateren metaaltijd. Misschien zijn de steenen “waar het tusschen gevonden’ werd, overblijfsels van eene oude haardstede of stookplaats.’
Hierop volgt Janssens tekst over de in § 2.3 besproken ‘stookplaats’ vijf minuten ZW van den molen, waarbij duidelijk wordt aangegeven dat die niet de vindplaats van het kommetje was. Hoewel Janssens aantekeningen laten zien dat hij lang tevergeefs alert is geweest op eventuele vergelijkingsstukken van dit nog steeds unieke stuk, is nergens in zijn papieren of in de brieven van A. Perk een nadere aanduiding van de vindplaats van het kommetje te vinden. Kennelijk heeft de steenzoeker Van Vuuren — Führer of Fuhren genoemd in Perks brieven — het kommetje niet in aanwezigheid van Perk opgegraven, mogelijk zelfs vóór de periode van het intensieve contact van deze met Janssen, en is er later geen navraag naar de precieze vindplaats gedaan, of leverde dit niets concreters op. Men kan aan de inhoud van een vlakgraf met stenen of zelfs aan een steenkist denken.
Wellicht schuilt er een aanwijzing van de vindplaats in de volgende opgave van een van een nazaat van A. Perk van de inzending voor de tentoonstelling van 1904:
‘2 De overblijfselen van een mammouthstand, thans uit elkaar gevallen maar bij de opgraving in 1850 in vrij gaven vorm, ook nabij [de] Boomberg opgegraven. [….]
11 ter vergelijking een fijner bewerkte urn opgegraven te Garderen.
12 een klein aarden zoutvat-vormig kommetje van fijne geelbruine aarde uit de hand gevormd.
13 Een Romeinsch kruikje met inscriptie, beiden gevonden op de Heide tusschen Hilversum
en de Vuursche […] Op het kleine geele kruikje vermoedelijk van Romeinschen afkomst zijn
de volgende letters ingegrifd SPOR.’
(folioboek Bijzonderheden, waar te vinden? van de familie Perk, GM, Cahier 1957, 104-105).
Of 11 een Veluwse klokbeker betreft, is moeilijk uit te maken, maar 12 is het door Janssen en Pleyte besproken kommetje. De tekst bij 12 en 13 geeft aan dat het TRB-kommetje 12 ‘op de Heide tusschen Hilversum en de [Lage] Vuursche’ gevonden is (dus inderdaad niet bij de molen van Lage Vuursche, of zuidelijk daarvan. Janssens vindplaatsopgave ‘aan den Vuurst’ is hiermee niet in strijd). We zijn natuurlijk niet zeker dat dit familielid precies op de hoogte is geweest, maar de beide andere geciteerde opmerkingen maken een redelijk precieze indruk [het kruikje met inschrift SPOR moet een belangwekkend falsum zijn, zegt S.L. Wynia].
Perks beschrijving van een wandeling door het zuiden van het Gooi naar de Lage Vuursche (1860) levert geen nadere bijzonderheden op.
Op 25.1.1943 schreef W.J. Rust, conservator van het Goois Museum, aan J.H. Holwerda:
‘Tenslotte kan ik nog vermelden dat het mij gelukt is in de voormalige collectie Perk het potje terug te vinden dat vermeld staat in de Hilv. oudh. p. 76, regel 8 e.v. Het potje dat zeer klein van omvang is (ongeveer 2/ cm hoog en breed) en met indruksels is versierd, doet aan klokbekeraardewerk denken’ (archief RMO, Cahier 1957, 28) Vgl. de gedeeltelijk afwijkende maten volgens Pleytes tekening, hierboven.
Ik vroeg Rust om nadere informatie en schreef naar mevrouw A.M.C. Perk-Verbeek, Albertus Perkstr. 99, Hilversum. Zij antwoordde op 8.5.1957:
‘Het spijt mij ontzettend U te moeten teleurstellen wat het unieke kommetje betreft, maar ik heb dit nooit gezien, ook niet in ons oude huis aan de ‘s-Gravelandse weg. Van een kistje met oudheden afkomstig van notaris Perk weet ik ook niets. Wij wonen sinds 1937 in dit nieuwe huis, alles wat in het oude aanwezig was is dus door mijn handen gegaan. De oude papieren heb ik verleden jaar alle aan het Goois Museum geschonken. Ik hoop dat als U mijnheer Rust nog eens spreekt U hem vragen wilt, hoe dat kistje eruit zag en waar mijn man het vandaan haalde. Ik weet het niet [……]’ (Cahier 1957, 80-81).
Op 11.5.1957 bezocht ik de heer Rust opnieuw:
Deze herinnerde zich nu veel meer bijzonderheden: voor de inzending van KJ. Perk van urnen enz. aan het G.M. uit de voorm. collectie Perk [dus in of kort na 1934], had R. dit samen met de heer Heyenbrock (bestuurslid GM) bekeken. H. had het voor een vervalsing gehouden, maar hij wist er niets van. Het aardewerk had dezelfde kleur als de [Veluwse klok]beker van Jaarsma [in het GM] en een zwarte kern. Voor zover de heer R. zich herinnerde was het niet verschraald, niet glimmend, mogelijk dof, het maakte geheel de indruk klokbekeraardewerk te zijn, geen t.r.b. ceramiek. Toen zij het bezichtigden bevond dit stuk zich in een van beide vitrines van de notaris, bij de andere urnen, stenen enz. van diens collectie. Dit stuk is toen niet aan het museum gegeven hetzij toen omdat KJ. Perk dit niet wilde, hetzij, omdat de Vuursche buiten het rayon van het G.M. viel, wat later een rol ging spelen. Later, (‘mogelijk reeds’ doorgestreept] voor de verhuizing in 1937 heeft Rust het stuk nog eens bekeken. Ook toen is het niet aan het Museum gegeven. Mogelijk is het toen of later weggegooid. De heer Rust vertelde verder nog, dat de arbeider die dit stuk opgroef niet van Vuren heette doch Führen (meded. C.L. Heek, die Perks bescheiden beheerde), dit blijkt ook uit Janssen’s papieren. (Cahier 1957, 81-82).
Herman Heyenbrock (1871-1948), schilder van industrietaferelen en stichter van het Museum van den Arbeid, later Veiligheidsmuseum te Amsterdam, was van de oprichting tot zijn dood directeur van het GM en chef van Rust geweest (Van Mensch 1984a, b; over het Amsterdamse museum ook Hermans 1967).
Over de Hilversumse boekhandelaar en oudheidvorser C.L. Heek (1878-1940) zie men De Paepe 2002, 18-27. Na de dood van Albertus Perk was hij ongeveer de enige solide locaal-historicus te Hilversum. In 1906 publiceerde hij Het Gooi, jaarboekje voor geschiedenis en plaatsbeschrijving, waar alleen deze aflevering van verschenen is. Met de onderwijsinspecteur P.J. van Ravesteijn en de banketbakker J. Boerhout was hij de uitgever van het belangrijke Gedenkboek van Hilversum 1424-1924 (Hilversum 1924). In 1928 verleende hij medewerking aan de ‘Historische Tentoonstelling van het Gooi en Omstreken’ in het gebouw van courant De Gooi en Eemlander aan de Groest en in 1934 werd hij lid van de commissie van bijstand van het toen opgerichte Museum voor het Gooi en Omstreken in het Oude Raadhuis recht tegenover zijn winkel.
Inderdaad zijn de dofgele fijne klei zonder magering en de zwarte scherfkern vooral typisch voor klokbekeraardewerk — Rust was een kenner van aardewerk! Aan een vervalsing door Van Vuuren/Führer hoeft men, zeker voor een tijd waarin er nog geen eventuele voorbeelden toegankelijk afgebeeld waren, absoluut niet te denken, bovendien is er niets over wat voor vervalsingen dan ook door Van Vuuren bekend. Tot dusver heb ik, onder invloed van Rusts opvatting dit kommetje niet beschouwd als tot de TRB-cultuur behorend, maar bij nader in- zien is daaraan, gezien het versieringspatroon, toch eigenlijk geen twijfel mogelijk. Dit versie- ringspatroon is, zoals gezegd, zeer typisch voor TRB-aardewerk en bovendien zijn versiering en vorm buitengewoon atypisch voor klokbekeraardewerk. Op de normale magering van fijn granietgruis en de niet-donkere kleur van de scherfkern komen bij TRB-aardewerk soms uitzonderingen voor, die mij bij zo’n miniauurpotje niet al te zeer zouden verbazen.
De datum van een latere bezichtiging door Rust, ‘vóór de verhuizing in 1937’, klopt niet goed met de inhoud van zijn brief aan Holwerda van 25.1.1943 en moet waarschijnlijk in werkelijkheid kort voor die brief gesitueerd worden. Omdat mevrouw Addink en de heer E.E. van Mensch mij in 2000-2001 vertelden dat enige ooit door Rust in de GM-collectie ingebrachte voorwerpen met GM-inventarisnummers (!) later weer in de collectie Rust beland en na zijn dood geveild zijn, vraag ik mij nu af of het voetkommetje — dat nooit in de GM-collectie opgenomen en geregistreerd was — zich niet misschien in de verzameling Rust bevonden heeft (die ik nooit zag), en daarmee in de diaspora geraakt is (zie K7, Goois Museum, vinders, vondsten en het Gooi). Zou het dan nog eens opduiken? Het is wel heel erg jammer dat ik destijds niets van die veilingen, of van de eerdere schenkingen afgeweten heb.
Zie ook mijn opmerking over de klokbeker uit Speulde in de verzameling Rust in K7.

– Addink-Samplonius 1984 Albertus Perk en de archeologie, TVE 2, 207-219, spec. Overzicht en samenvatting van de correspondentie tussen Janssen en Perk, 217-218.
– Arentzen, W. 2003 L.J.F. Janssen: de handbibliotheek (typoscript).
– van den Bergh, L.P.C. 1836 Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer, Utrecht.
– van den Bergh, L.P.C. 1846 Brief van kloosterbroeder Harmarkerus aan broeder Gozelinus te Keulen, Utrechtsche Volksalmanak 1846 [*].
– van den Bergh, L.P.C. 1846a Proeve van een kritisch woordenboek der Nederlandsche mythologie, Utrecht.
– de Blécourt, W. 1979 Volksverhalen uit Utrecht en het Gooi, Utrecht-Antwerpen.
– Blok, D.P. 1993 Enige aardrijkskundige namen in de Vechtstreek, TVE 11, 58-60.
– de Boone, W.J. 1971 De dolmen aan de Vuurse, Westerheem 20, 149.
– Broer, C.J.C. 2002 De Sint-Paulusabdij in Utrecht en haar rechten in Baarn en omgeving, TVE 20, 71-80.
– Brongers, J.A. 1976 Material for a history of Dutch archaeology up to 1922, BROB 26, 7-62.
– Brongers, J.A. 2002 Een vroeg begin van de moderne archeologie. Leven en werken van Cas Reuvens (1793-1835), Amersfoort (NAR, Nederlandse Archeologische Rapporten 23).
– Brindley, A.L. 1986 The typochronology of TRB West Group pottery, Palaeohistoria 28, 93-132.
– Cambry, M. 1805 Monumens celtiques, ou recherches sur le culte des pierres | …], Parijs.
– Christemeijer, J.B. 1836 Landelijk schoon in het Sticht van Utrecht en in deszelfs omstreken, Utrecht (reprint Alphen aan den Rijn 1986).
– de Clercq, W.A. 1995 Graan en reizen, Willem de Clercq in 1814, Amsterdam.
– de Clercq, W.A. 1999 Willem de Clercq (1795-1844), Amsterdam.
– Craandijk, J. 1888 Wandelingen door Nederland, supplement, Haarlem.
– Enklaar, D.T. 1932 Middeleeuwse rechtsbronnen van Stad en Lande van Gooiland, Utrecht (Werken der Vereeniging tot Uitgaaf der Bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, 3e r. no. 3).
– Entzelt, C. 1579 Chronicon oder kurze einfeltige vorzeichnus / darinne begriffen / Wer die Alte Marck / und nechste Lender darbey sind der Sindfluth bewonet hat / Auch anfang und ursach der Marck zu Brandenburg / und ire veranderung / auch ankunf}ì / stamme und herkommen / aller Marggraven zu Brandeburg / so jemals gelebt / bis zu dieser unser zeit. Durch den alten M. Christophorum Entzelt von Salvelt / Pfarherren zu Österburg, Magdeburg. Facsimile-uitgave met voorwoord van prof.dr. Paul C. D. Kupka, Stendal 1925). Vgl. Wetzel (2002). Ik dank hem een kopie van de hele tekst.
– Fasseur, C. 1998 Wilhelmina. De jonge koningin, z.pl.
– Gaasbeek, F., J. van ‘t Hof & M. Koenders 1994 Baarn, geschiedenis en architectuur, Zeist (Monumenten-inventarisatie provincie Utrecht).
– van Giffen, A.E. 1925, 1927 De hunebedden in Nederland, 1, II, Atlas, Utrecht.
– van Ginkel, E.[J.], S.[W.] Jager & W.[A.B.] van der Sanden 1999 Hunebedden, monumenten van een Steentijd-cultuur, Abcoude.
– Glasbergen, W. 1954 Barrow excavations in the Eight Beatitudes, Groningen [= Palaeohistoria 2, 1954, 1-135 & Palaeohistoria 3, 1954, 1-204]
– Glasbergen, W. 1969 Nogmaals HVS/DKS, Haarlem (Haarlemse Voordrachten 28).
– ter Gouw, J.E. 1910a De Steen aan de Vuursche, De Navorscher 59, 1910, 33-34. [De Navorscher, een middel tot gedachtenuitwisseling en letterkundig verkeer tusschen allen die iets weten, iets te vragen hebben of iets kunnen oplossen 1851-1960: ruim 55000 pagina’s op CD, uitgave Stichting Historic Future (A.G. van der Steur) & Centraal Bureau voor Genealogie, ca. 1999-2000]
– ter Gouw, J.E. 1910b Drenschoten, De Navorscher 59, 1910, 34-36.
– Grimberg, J. 1896 De Vuursche, Nieuwe Rotterdamsche Courant 24 Mei 1896. [*]
– Hermans, W.F. 1967 De electriseermachine van Wimshurst (in) Een wonderkind of total loss, Amsterdam, 6- 48.
– Hilfert [= P.J. van Ravesteijn] 1917 Gooische Omtrekken, I, Groote steenen (overdruk uit Vooruit, Vrijzinnig Nieuwsblad voor het Gooi (Hilversum).
– Hilhorst, J.H.M. & J.G.M. Hilhorst 2001 Soest, Hees en De Birkt van de achtste tot en met de zeventiende eeuw, Hilversum.
– Janssen, L.J.F. 1840 De Germaansche en Noordsche Monumenten van het Museum te Leyden, Leiden.
– Janssen, LJ.F. 1848 Drenthsche Oudheden, Utrecht.
– Janssen, L.J.F. 1856 Hilversumsche Oudheden. Eene bijdrage tot de ontwikkelingsgeschiedenis der vroegste Europese volken, Arnhem.
– Keune, G.H. 1990 Verdwenen windmolens in Baarn, TVE 8, 71-74.
– Keyser, M. 1993 Johan Briedé, grafisch kunstenaar in de art deco, Stichting Drukwerk in de Marge, Bulletin 21, 18-27.
– van der Klooster, L.J. 1973 Inleiding (in) van Buijtenen, M.P. & EJ.C. Kruimel 1973 Tentoonstelling Zicht rond Gooi en Sticht, tekeningen en aquarellen uit het bezit van Hare Majesteit de Koningin, Laren (Singer)- Utrecht (Rijksarchief), iii-viii [Bulthuis’ aquarel van Steen en het rechthuis te Lage Vuursche is no. 97 in de catalogus].
– Kramer-Clobus, G.M.C. 1978 L.J.F. Janssen (1806-1869): an inventory of his notes on archaeological findspots in the Netherlands, BROB 28, 441-544.
– Kuyper, J. [ca. 1866) Gemeente-atlas van Nederland naar officieele bronnen bewerkt, deel 4, Noord-Holland, Leeuwarden [herdruk 1971).
– Kuyper, J. [ca. 1866] Gemeente-atlas van Nederland naar officieele bronnen bewerkt, deel 6, Utrecht, Leeuwarden [herdruk 1971).
– Lanting, J.N. 1994 Het na-onderzoek van het vernielde hunebed D31a bij Exlo (Dr.), Paleo-Aktueel 5, 39-42.
– Larousse, P. 1902 Dictionnaire complet illustré, Parijs, 121e édition.
– de Leth, H. ca. 1765 Nieuwe Geographische en Historische Atlas van de Zeven Vereen[i]gde Nederlandsche Provintien, Amsterdam [herdruk Amsterdam 1970].
– van Lier, J. 1760 Oudheidkundige Brieven […], ‘s-Gravenhage.
– Mauro, G.V. 1993 Trechterbekeraardewerk uit Elspeet, Amsterdam (doctoraalscriptie IPP/AAC). – Meier, J. 1944 Untersuchungen zur Deutschen Volkskunde und Rechtsgeschichte, Erstes Heft: Ahnengrab und Brautstein, Halle.
– Meier, J. 1950 Untersuchungen zur Deutschen Volkskunde und Rechtsgeschichte: [2] Ahnengrab und Rechtstein, Berlijn (Deutsche Akademie der Wissenschaften zu Berlin, Veröffentlichungen der Kommission Volkskunde 1).
– le Menn, G. 1990 Menhir, dolmen, néologismes ou mots Bretons? (in) J. L’Helgouach & J.-L. Monnier (red.) La Bretagne et l’Europe Préhistoriques, Mémoire en hommage à Pierre-Roland Giot, Rennes (Revue Archéologique de l’Ouest, Supplément no. 2), 373-376.
– van Mensch, E.E. 1984a De geschiedenis van het Goois Museum, 50 jaar wel en wee, TVE 2, 191-206.
– van Mensch, E.E. 1984b Herman Heyenbrock, kunstenaar en museumdirecteur, TVE 2, 220-224.
– Olde Meierink, B. [= L.H.M.] 1995 Drakestein (in) B. Olde Meierink e.a. (red.) Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, Utrecht, 175-179.
– Overweel, C.J. & J.G. Zandstra 1967 Een zwerfsteen van uppsalagraniet in Lage Vuursche en enkele opmerkingen over keileem in Midden-Nederland, Grondboor en Hamer 6, 175-187.
-de Paepe, E. 2002 Met hart en ziel, gevierde en verguisde Hilversummers, Huizen-Almere.
– Perk, A. 1845 Kaart van Gooiland na de heide verdeeling van 1843, Amsterdam [reprint Goois Museum ca. 1964].
– Perk, A. 1860 Hilversum, weg naar de Vuursche, Weesper en Gooische Volksalmanak voor het jaar 1861 (Weesp, 2e jaargang), 1-15. [herdrukt als Perk 1906]
– Perk, A. 1906 Hilversum, weg naar de Vuursche, Het Gooi, jaarboekje voor geschiedenis en plaatsbeschrijving onder redactie van C.L. Heek (Hilversum), eerste jaar 1906, 2-14 [ongewijzigde herdruk van Perk 1860].
– van Petersen, J.W. 2002 Reizen is tol betalen. De verkeersontwikkeling in en om het gebied van Rijn en IJssel tot de Bataafse omwenteling in 1795, Aalten.
– Pfeiffer, C. 1982 Johan Briedé, TVE 12, 159-167.
– Picardt, J. 1660 Antiquiteten, Amsterdam.
– Pleyte, W. 1877-1903 Nederlandsche Oudheden van de Vroegste Tijden tot op Karel den Groote. Leiden. Deel Friesland [en Groningen] 1877-1879; deel Drenthe 1880-1883 [W.J. de Wilde schrijft foutief 1888]; deel West-Friesland [Utrecht en Noord-Holland] 1902-1903. [zie voor de data ook 88, 234]
– Pleyte, W. 1896 De Vuursche, Nieuwe Rotterdamsche Courant 24 Mei 1896. [*]
– Pluim, T. 1896a De Steen aan de Vuursche, Eigen Haard 1896, 287-288. [*]
– Pluim, T. 1896b De Steen aan de Vuursche, Eigen Haard 1896, 368. [*]
– Pluim, T. 1896c De Vuursche, Nieuwe Rotterdamsche Courant 26 en 31 Mei 1896. [*]
– Pluim, T. 1919a De Vuursche, Baarnsche Courant 16, 1919. [*]
– Pluim, T. 1919b De Vuursche, Utrechtsch Dagblad 26 Maart 1919. [*]
– Pluim, T. 1932 Uit de geschiedenis van Baarn [herdruk Baarn-Soest 1975]

– Raven, M. z.j.-1 Waar stond de Hofstede van Elten? [overdruk zonder plaats of datum, 2 p.]
– Raven, M. z.j.-2 Soeststapel, een oud grenspunt [overdruk zonder plaats of datum, 3 p., mij met brieven en andere overdrukken van Raven in 1957 door J. Briedé gegeven)
– van Ravesteijn, P.J. 1917: zie Hilfert 1917.
– van Ravesteijn, P.J. 1924 De oudste bewoners van het Gooi (in) P.J. van Ravesteijn, J. Boerhout & C.L. Heek
(red.) Gedenkboek Hilversum 1424-1924, Hilversum, 2-8.
– [de Ridder, T. 1997) Lage Vuursche. Een wandeling door de Vuursche bossen. [Op zoek naar de geschiedenis in het landschap], Amersfoort (ROB, Archeologische Routes in Nederland 13), zonder jaar van uitgave, de derde titel staat op de kaft, niet op titelblad. De auteursnaam staat op p. 48.
-de Rijk, J.A. e.a.1905 Wandelingen door Gooi- en Eemland en omstreken, Hilversum.
Als boek verschenen geactualiseerde versie met kaarten en veel afbeeldingen van een volgens het Voorwoord “voor eenigen tijd’ in dagblad De Gooi en Eemlander in afleveringen verschenen tekst van prof. J.A. de Rijk (1831- 1897). Knipsels in het Pleytearchief, RMO, laten echter zien dat de oorspronkelijke tekst al in 1881-1887 verscheen!
– van der Schaaf, J.H.L. 1896 De Vuursche, Eigen Haard 1896, 352. [*]
– Scheltema, J. 1833 Berigt aangaande een oud altaar (dolmin), of een naar een hunebed zweemend overblijfsel van de eerste bewoners dezer landen, in het dorp de Vuursche, Geschied- en letterkundig mengelwerk III(2), 35-45. [*].
– Scholten, F.W.J. 1989 Militaire en topografische kaarten en stadsplattegronden van Nederland 1579-1795, Alphen aan den Rijn.
– Sprockhoff, E. 1975 Atlas der Megalithgräber Deutschlands, Teil 3: Niedersachsen-Westfalen. Aus dem Nachlass herausgegeben von G. Körner [und F. Laux], Text- und Atlasband, Bonn.
– Staring, W.C.H. 1902 Maten, gewichten en munten, Schoonhoven (4e druk bewerkt door R.W. van Wieringen).
– Stevens, H. 1982 De Lage Vuursche, Baarn.
– La Tour d’Auvergne 1792 Nouvelles recherches sur la langue, Bayonne. [*]
– Westendorp, N. 1815 Verhandeling ter beantwoording der vrage: Welke volkeren hebben de zoogenoemde hunebedden gesticht. In welke tijden kan men onderstellen, dat zij deze oorden hebben bewoond? Letter- en Oudheidkundige Verhandelingen van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem 1, 1815, 233-377.
– Westendorp, N. 1822 Verhandeling ter beantwoording der vrage: Welke volkeren hebben de zoogenoemde hunebedden gesticht. In welke tijden kan men onderstellen, dat zij deze oorden hebben bewoond? Groningen (2° geheel herzien en uitgebreide editie, monografie).
– Wetzel, G. 2002 Zur Geschichte der archäologischen Forschung in der Altmark (in) H. Bock (red.) Archäologie der Altrnark 1, Hünengräber — Siedlungen — Gräberfelder, Oschersleben (Beiträge zur Kulturgeschichte der Altmark und ihrer Randgebiete 7), 18-34.
– de Wilde, W.J. 1906 Een legendaire alomtegenwoordigheid, NDV 1906, 152-167.
– de Wilde, W.J. 1909 De Steen van de Vuursche, De Navorscher 1909, 551-554.
– de Wilde, W.J. 1910 De hunebedden van Nederland, De Kampioen 27, 1910, 241-244, 256-258, 277-280.
– Wimmers, W.H. 1993 An Naruthi thiu kirica endi kiric land: nieuw licht op een veelbesproken vermelding,
– Westerheem 42, 26-31.
– Wimmers, W.H. & R.R. van Zweden 1992 Archeologische en historisch-geografische elementen in een natuurgebied. Antropogene achtergronden van de Gooise natuurgebieden, Wageningen (DLO-Staring Centrum, rapport 143), 204 p.
– Winkler Prins, A. 1886 Geïllustreerde Encyclopaedie, woordenboek voor wetenschap en kunst, beschaving en nijverheid, deel 11, Rotterdam.
– Witkamp, P.H. 1882 Geschiedenis der Zeventien Nederlanden 1, Arnhem-Nijmegen.
– Worsaae, J.J.A. 1843 Danmarks Oldtid oplyst ved Oldsager og Gravhoje, Kopenhagen [*].
– van Zweden, R.R, E. Jansma & KJ. Steehouwer 1985 Archeologische inventarisatie van de Vechtstreek, Amsterdam (doctoraalscriptie IPP).
Opstellen over archeologie (Neolithicum tot Nieuwe Tijd), geschiedenis van de archeologie, ‘“t Gooi, Lage Vuursche, Drenthe, Twente, Ommerschans, Hoogkarspel, een moderne kraagfles, vogels, etc.
Foto’s kaft: ROB / F. Hoedeman (a en e), Sotheby
Mak van Waay / Jacob Cats (b). auteur (c) en briefkaart (d).
Ze betreffen o.m. de hoofdstukjes K2 (b), K33 (c), K12 (d) en K38 (e)
.
De Steen en het Rechthuis van Lage Vuursche (TVE 2005)
Jan Albert Bakker

.
Hunebedden en dolmens, vijfduizend jaar oude stenen grafkelders in Noordoost-Nederland, Noord-Duitsland, Denemarken en Zweden, worden sinds de zeventiende eeuw wetenschappelijk bestudeerd. Sinds de vroege negentiende eeuw heeft de belangstelling voor deze imposante grafmonumenten zich met de romantiek en het toerisme algemeen verbreid. In 1833 viel daarbij de aandacht op de Steen voor restaurant De Lage Vuursche. Of deze een rest van een dolmen of hunebed is, blijft echter hevig omstreden. Zonder het verlossende woord te spreken wil ik hier de belangrijkste argumenten pro en contra nalopen in deze al meer dan honderd jaar oude discussie. De Steen en archeologie.
In de eerste studie over de Steen suggereerde J. Scheltema in 1833 dat deze ‘een oud altaar (dolmin) of een naar een hunebed zweemend overblijfsel van de eerste bewoners dezer landen‘ was.1 In 1846 leek de eerste gedachte bevestigd te worden door de publicatie van de vertaling van een brief uit de late negende eeuw, waarin een kloosterbroeder Harmarkerus beschrijft hoe hij de heidense bevolking bloederige offers op de Steen had zien brengen.2 Helaas was dit stuk een grapje van de latere rijksarchivaris L.P.C. van den Bergh, waar men nog steeds intrapt. Een van deze goedgelovigen was het Baarnse schoolhoofd T. Pluim, die zich ten slotte wel moest laten overtuigen van het bedrog, maar wel aan de altaarhypothese vast bleef houden. Ook die was niet juist, want onderzoek in het buitenland had inmiddels allang uitgewezen dat de dolmens, constructies van een of twee zware dekstenen rustend op kleinere draagstenen, geen altaren maar grafkelders van de Hunebedbouwers zijn geweest – in huidige termen van de Trechterbekercultuur (of TRB-cultuur), tussen ca. 3350 en 2700 v. C.. Terloops vermeld ik hier dat op de Goois-Utrechtse Heuvelrug op een groeiend aantal plaatsen TRB-aardewerk is gevonden, zodat de Hunebedbouwers er zeker gewoond hebben, zo ook te Lage Vuursche. Met enige moeite hadden zij vermoedelijk er ook wel de nodige grote zwerfstenen voor de bouw van een dolmen of een klein hunebed kunnen aanslepen.
Opgravingen onder en rond de Steen zijn te vroeg verricht om hieruit zijn betekenis op te maken. Scheltema groef onder de Steen om de hoogte van de draagstenen vast te stellen,maar hield geen aantekening van de grondlagen. In 1851 groef de Leidse archeoloog L.J.F. Janssen daar opnieuw, op zoek naar resten van de TRB-cultuur.3 Hij schreef een nauwkeurig verslagje, maar zijn kennis van grondsporen was nog weinig ontwikkeld. Onder de deksteen vond hij alleen donkere grond met glas en modern afval in de bovenste halve meter, daaronder ‘een harden zandbodem met oer vermengd‘. Aan de westkant vond hij ‘sporen van asch, benevens eenige keistenen en een brok graniet; hierbij drong zich het vermoeden op, dat die steenen van de verwoeste bevloering van het hunebed zouden zijn.‘ Janssen dacht meteen restant van een groter hunebed van doen te hebben. Nadien heeft geen oudheidkundig bodemonderzoek meer plaatsgehad. De hunebeddenspecialist A.E. van Giffen concludeerde in 1925-27 uit Janssens bericht dat er geen prehistorisch grafmonument in het spel was.
Daartegen kan echter worden ingebracht dat de zwarte grond met glas e.d. onder de deksteen van eerdere ingravingen zoals die van Scheltema afkomstig was, dat de gele grond daaronder niet de eigenlijke natuurlijke vaste grond van onze heidevelden, maar de top van de opvulling met zand van de kamer van een hunebed of dolmen geweest kan zijn, en dat de stenen en houtskoolresten (?) aan de westkant inderdaad wel resten van de kamervloer geweest kunnen zijn. Alleen bij een nieuwe deskundige opgraving kan dit worden vastgesteld. Scheltema suggereerde in 1833 dat de Steen als oud steengraf bij de aanleg van de Dorpsstraat rond 1650 tevoorschijn gekomen was. Inderdaad is denkbaar dat hij verborgen onder een rest van zijn vroegere heuvel gelegen heeft op een smal Laat-Pleistoceen streepduin dat van kerk en pastorie tot onder de herberg gelopen heeft.
Tekening A (afb. 1) zou dan de geëgaliseerde toestand van die rug tonen. Voorts toont zij dat de rond 1650 uitgezette, 24 m brede, noord-zuid gerichte Dorpsstraat niet daar, maar achter de rug van de tekenaar begon, bij de uitrit van de laan naar kasteel Drakestein.
.
Vijf tekeningen van rechthuis en Steen, ca.1780-1820
Hierna verlegde de argumentatie zich naar de – intussen – vijf tekeningen uit de late achttiende en de vroege negentiende eeuw van de herberg en de Steen aan de westkant van de Dorpsstraat. Zij tonen de herberg,waarvan de opkamer rechts sinds ca. 1654 of eerder als rechthuis van de Heerlijkheid De Vuurst fungeerde en tussen ca. 1795-1811 en 1815-1857 als raadhuis van de Gemeente De Vuursche. Andere rechthuizen hebben dikwijls dezelfde opzet. Het lage deel links was de daaraan verbonden herberg uitspanning, tevens tolhuis. De vijf tekeningen A tot en met E worden hier afgebeeld en in het vervolg alleen met de letters aangeduid, waarbij van de drie varianten van tekening B alleen B2 en B3 is afgebeeld
.
Tekening A

Een anonieme, laat-achttiende-eeuwse lichtgrijze aquarel met potlood voortekening, 33 x20,8 cm.
De op de foto nauwelijks zichtbare potloodcontouren van twee personen en een paard voor het rechthuis en een volle tweewielige kar met paarden voor de stal rechts is in de aquarel niet overgenomen. Bij vergelijking met de andere tekeningen blijken in A nogal wat zaken weggelaten te zijn. Ook klopt het perspectief niet helemaal. Boom en wolkenlucht zijn fraai in waterverf uitgewerkt. Qua schaduw zou de tekening op een zomermorgen gemaakt zijn. Het watermerk Franse Lelie komt ongeveer de hele achttiende eeuw voor. De tekenstijl duidt vooral op ca. 1780, hoewel hij nog wel tot 1820 voorkwam.4
.
Tekening B
Op een niet bewaard gebleven veldtekening uit 1781 van Jan Bulthuis berusten:
BI, de in grijstinten geaquarelleerde nette voortekening 5 voor de prent B2 van 1786.
BI en B3 verschillen in details als de voor het rechthuis afgebeelde personen en BI is wat schematischer.
Het wat al te rustiek weergegeven tolhek en struiken onttrekken op BI de Steen links vooraan bijna geheel aan het gezicht. B2, de vaak gereproduceerde ets ‘T DORPVUURST uit Vaderlandsche Gezichten, of afbeeldingen behoorende tot den Tegenwoordigen Staat der Vereenigde Nederlanden in den jaare 1786,naar het leven geteekend door Jan Bulthuis en in het koper gebragt door Corel Frederik Bendorp, Amsterdam 1792.

De ets is nauwkeurig van BI overgenomen en de Steen is niet herkenbaar. B3, een gekleurde aquarel, 16 x19,5 cm, De Vuurst in ’t Sticht van Utrecht zoals het zig vertoonde in den Jaare 1781 (opschrift op achterkant), linksonder gesigneerd J. Bulthuis, f. 1786.
Hierop is de Steen wel goed zichtbaar door enige wijzigingen in tolhek en struiken. Deze tekening is verder uitgewerkt dan BI, vermoedelijk op bestelling van een liefhebber die Bulthuis, toen BI en B2 al klaarwaren, op het belang van de Steen attent maakte. Gezien de schaduw getekend rond het middaguur.
.
Tekening C
Een magistrale, buitengewoon fraai uitgewerkte meerkleurige aquarel (pen and brownink and watercolour) door de topografisch tekenaar Jacob Cats (1741-1799), 25,0 x 38,0 cm. Op de achterkant staat in inkt Aan de LaageVuursche / J: Cats ad viv. del.6

De tekening kan voor eerst niet veel nauwkeuriger gedateerd worden dan tussen 1781 (B) en Cats’ dood in1799. De gevel is nu gepleisterd. Cats heeft thuis de minutieuze, fleurige uitwerking en stoffering met mensen en dieren verricht aan de hand van een veldschets,waarbij hij enige dichterlijke vrijheden nam. De drie linden werden zware eiken – zijn fort! -, de Steen werd dubbel zo groot, plaatsen jaar van de jaarankers veranderden. Het prachtig getekende eikenloof van de bomen is al een beetje bruin geworden en twee honden, de op de hei rond Drakestein gehoede, geschoren schapen, drie paarden, een rijtuig,en een twintigtal personen zijn omstreeks het late middaguur van een aangenaam warme,zonnige nazomerdag afgebeeld. Zij geven een magnifiek, zij het gecomponeerd tijdsbeeld.
.
Tekening D
Een fleurige aquarel in lichte kleuren met hulplijntjes in conté, 28,5 x 18,5 cm (kader-lijnen), rechtsonder in inkt gesigneerd ‘ƒ•Andriessen’. Achterop schreef hij in potlood’in Aug 1800 ad viv. / Int dorp aan de Laage Vuurs, / Ziende van het tolhek na de Vuurnsen Steeg‘.

.
Tekening E
Een over een summiere potloodtekening (ook van de boomkronen) in grijstinten gepenseelde voorstelling, 30,0 x 24,7 cm. Ongesigneerd en ongedateerd, maar hoogstwaarschijnlijk van Jan van Ravenswaay.

Op een lome zomermiddag speelt er een meisje met haar popen graast er een geitje. Vergeten is het rieten dak van de opkamer in te kleuren. Achterop een niet uitgewerkte aquarel van twee mannen in een poort aan het water en een botter op een winderige dag. De tekenstijl is die van Jan van Ravenswaay (1789-1869), van wie het Museum Hilversum een belangrijke collectie tekeningen en schilderijen bezit. De spontane uitroep (2001) van de heer G. Teeuwissen, medewerker van dat museum, ‘Dit is vast een Jan van Ravenswaay‘ zette mij op dit spoor. De tekening dateert vermoedelijk uit diens eerste Gooise periode, 1804-1838, en niet uit zijn tweede, 1855-1869. Vergelijk bijvoorbeeld de onkruidjes op de voorgrond en de bolling van kleren op zijn gewassen tekening van kijkers naar de zonsverduistering van 1820 bij de Hilversumse molen.7 Misschien had degene die achterop E Lage Vuursche ± 1820 schreef precies diezelfde tekening op het oog. Olievlekken tonen dat de tekening in een schildersatelier gebruikt is. Zo kan er dus nog ergens een schilderij van dit gezicht bestaan!
.
Vergelijking van de tekeningen A – E
Hoewel de tekeningen A – E geen fotografische nauwkeurigheid bezitten, geven zij een gedetailleerd beeld van de veranderingen inde voorgevel van het rechthuis en de ruimtelijke ordening van de naaste omgeving. Aan de noordkant was een opkamer(vergaderkamer) boven een kelder (cachot),en aan de zuidkant een herberg met een lagerdak en een dakkapel. Daartussen zit een lagere stenen aanbouw die zover naar voren reikt als de opkamer en daarvan door een bouw-naad gescheiden is in B, D en E, maar die in A is weggelaten.
In E zit een klein raampje in de zuidwand. De opkamer heeft twee ramen;in A en B zijn dit kruisvensters met onderluiken, volgens A onder halfronde ontlastings-bogen. De hele voorgevel bestond toen uit niet gepleisterde baksteen (A en B2). In D en E zijn de kruisramen vervangen door schuiframen zonder luiken en zijn de vensterbanken omlaag gebracht. Waarschijnlijk bij deze verbouwing is de gevel geheel gepleisterd,waarbij de groeven van quasi-natuursteen-blokken aangebracht zijn. Dit blokpleister ziet men al in C, zodat deze vernieuwing tussen1781 en 1799 plaatsvond. Dit was onder het regime van de Amsterdamse koopman C.W. Sander, die Groot Drakestein na zijn aankoop in 1779 liet moderniseren, waarbij schuiframen de kruisvensters vervingen.8 Blijkbaar is het toen eveneens gekochte rechthuis later ook vernieuwd. De driekante steken in C wijzen eerder op het ancien régime dan op de tijd na 1795.
De lage herberg aan de zuidkant heeft drie schuiframen en een deur (zie A en E), die ik van links naar rechts 1-4 nummer. De ramen hebben drie tot vier verticale en zeven tot acht horizontale roeden, wellicht waren zij niet alle even groot. Tussen de ramen 1 en 2 zit op alle tekeningen een gevelplaat, C toont een lang opschrift onder het wapen van het Sticht Utrecht. In A en B hangt daaronder een prikbord, in C en D is dit op de grote lindeboom naast de Steen gespijkerd. De dakkapel is in B en C boven de gevelplaat getekend, in A, D en E boven raam 2. De deur neemt in A t/m D positie 3 in, maar verschuift in E naar positie 4. Het jaartal in muurankers is op A en D weggelaten, op B3 leest men 165?, op B2 1654, op C 1565, op E lijkt 1645 te staan. Op B staan twee cijfers links en twee rechts van de gevelplaat, op C is het hele jaartal bovenraam 1 geplaatst, op E staan drie cijfers rechts van de gevelplaat. Zo lijkt het erop dat de oorspronkelijke volgorde van de cijfers 1654geweest is. Op alle tekeningen loopt onder de rand van het rieten dak van de herberg een houten dakgoot, die links buiten de muur uitsteekt.
Vergelijking laat zien dat tekening A ouder dan of even oud is als B uit 1781 en duidelijk ouder is dan C. Vergelijking tussen A en E laat zien dat het ontbreken van de smalle aanbouw in A een tekenfout is en geen vroeger bouwstadium representeert. De tekenaar van A ‘vergeet’ immers meer zaken dan de anderen en ik neem dit eerder aan dan Van Ravenswaay een raam (3) te veel en een foute verplaatsing van de deur van 3 naar 4in de schoenen te schuiven, en dan raam 4 in A aan de aanbouw in B, D en E vooraf te laten gaan. Thans is de oude gevelindeling nog goed te herkennen als men in aanmerking neemt dat in 1880 links symmetrisch een even korte en hoge vleugel als de opkamer is aangebouwd. De jaarankers en de gevelplaat zijn niet meer te zien in de gewitte, egale gevel ende plaats van de deur is opnieuw verschoven. De houten stal S in afb. 6, links van de herberg in B – D, is in de 19e eeuw door een stenen gebouw vervangen en de houten stal P, rechts in A en E, achter de Karnemelksweg op het terrein van de Kastanjehof, is verdwenen.
Bij een eventuele verbouwing zouden de ontpleisterde voorgevel, de constructie en jaarringdatering van het houtwerk de bouwgeschiedenis van de herberg verder kunnen preciseren.
.
De omgeving en de gezichtspunten in plattegrond.

De herberg was tevens tolhuis en uitspanning, zoals blijkt uit de tolboom en tolhek, de koetsen en rijpaarden, de voerbak op wisselende plaatsen voor het huis, en de houten stallen aan weerskanten. De op stille momenten nog steeds idyllische Dorpsstraat van Lage Vuursche is omstreeks 1650 aangelegd door jhr. Gerard van Reede, Heer van Drakestein en De Vuursche,die het kasteel toen ook in zijn huidige vorm herbouwd heeft. Evenals het door een andere Van Reede gestichte Renswoude is Lage Vuursche een van de weinige buitenplaatsdorpen in ons land. Hierbij zijn de rooilijnen langs het stuk van de Vuursesteeg dat nu Dorpsstraat heet ongeveer noord-zuid, kaarsrecht en parallel, 24 m uit elkaar naar het zuiden uitgezet vanaf de Slotlaan en de stal links van het rechthuis. Bij latere dorpsuitbreiding zijn deze rooilijnen tot bij de Koudelaan aangehouden. Vijf meter uit de gevellijn kwamen laanbomen – voorwaar een riante dorpslaan! Dorpsstraat en aanliggende huizen zijn daarom sinds 4 augustus 1966 als dorpsgezicht van architectonische en cultuurhistorische waarde wettelijk beschermd.9 De andere oude gevels aan de Dorpsstraat ten zuiden van het rechthuis zijn vermoedelijk uit de 18eeeuw, van de tweede of derde generatie. Huisnummer 22 is door jaarankers 1766 gedateerd. De tekeningen A – E en de foto’s en beschrijvingen van Gaasbeek e.a. laten zien dat hun globale uiterlijk intussen weinig veranderd is. Het gebouw van het rechthuis is ouder, en de voorgevel staat scheef op de beschreven rooilijn.
Het huis komt al op twee kaarten van omstreeks 1597 voor,10 voorts op die van Sinck uit 1619 als een L-vormige hoeve met dwars voorhuis en een hooiberg op ongeveer dezelfde plaats als in 1824 (vgl. afb. 6).11 Voor het scheef op de westelijke rooilijn staande rechthuis begint het noordelijke eind van de Dorpsstraat iets naar het oosten te buigen. De Steen ligt 9 m van de gevel van de opkamer,iets bewesten de middenas van de Dorpsstraat.
Naar het voorbeeld van Erik Schmitz 12 plotte ik op een vergroting van de kadaster-kaart van 1824 de vijf gezichtspunten van de tekeningen A – E (afb. 6). Zij werden afgeleid uit de positie van de gebouwen en de Steent en opzichte van elkaar. Plaats en dimensies van de gebouwen bleken redelijk nauwkeurig, afgezien van de in tekening A vergeten aanbouw. Nergens waren objecten samengeschoven, zoals op Italiaanse veduten. De plaats van tolhek en tolboom, die niet op kaarten is aangegeven, blijkt uit A en B,ook zijn C en D ziende van het tolhek getekend. Op B is de aan het eind verzwaarde tolboom prominent weergegeven, op A is hij nog net links en rechts achter de lindeboom zichtbaar. Volgens B was naast de tolboom een (te?) ruime doorgangsruimte voor voetgangers en ruiters, en in B en vooral in A belette een lang tolhek daarnaast het rijverkeer illegale doorgang. Dit hek liep langs de zuidrand van de Hoge Vuurseweg en één geleding stond langsde noordrand van de Karnemelksweg.
Tekening A laat zien dat er in de as van de Dorpsstraat oostelijk van de Steen niet gereden werd, de grond is daar hobbelig, met gras begroeid en enige maanden eerder zijn er struiken gekapt, die op B (weer?) uitgegroeid zijn. De karrensporen voeren voor langs het rechthuis naar de tolboom. De karrensporen op C en D tonen dat men intussen zowel voor het rechthuis langs als direct in de as van de Dorpsstraat naar de tolboom kon rijden. Het bijschrift van D geeft aan dat het tolhek er in1800 nog was. Op E lijkt de tol opgeheven,want het tolhek is verdwenen en voor een tolboom is het ‘boerenhek’ te zwaar.
De tekenaar van A zette de drie linden voor het rechthuis op een rijtje achter elkaar en liet de uitstekende delen van de twee achterste weg. Bulthuis voorzag in het atelier de bomen van schilderachtige stammen en kronen en zette in B3 de zuidelijkste boom vóórin plaats van achter de Steen. Cats maakte erin C machtige eiken van. Ten slotte zette Van Ravenswaay ze in E waarheidsgetrouw neer,vergeleken met de eerste foto’s.13 De tekenaar van A heeft op een stoel gezeten voor de stal links van de herberg, vergelijk afb. 6. Hij liet rechts een draagsteen van de Steen weg en tevens, zoals we zagen, de aanbouw tussen opkamer en gelagkamer ende achter de voorste boom uitstekende delen van de twee andere bomen. Bulthuis tekende B zittend op de splitsing van Kloosterlaan en Hoge Vuurseweg. Voor zijn gezicht op Klein Drakestein van dezelfde dag 14 ging hij enkele meters verzitten. Cats en Andriessen tekenden C en D leunend tegen het tolhek naast de tolboom, hun standpunten liggen naast elkaar. En Van Ravenswaaij stond E te tekenen in de oost berm van de Dorpsstraat, waar de Slotlaan rechts van hem op uitkwam.
Op A ziet men aan de Hoge Vuurseweg nog het houten huis Q, dat evenals de stal P vooral op het genoemde gezicht op Klein Drakestein beter uitkomt.

.
De Steen
Ten onrechte heb ik in het verleden de tekeningen A en B gebruikt als argument tegen de echtheid van de Steen als dolmen of hunebed rest op zijn huidige plaats. In 1957 dacht ik in een obscure publicatie een prachtig argument voor de onechtheid gevonden te hebben. De Hilversumse amateur-oudheidkundige C.L. Heek had vastgesteld dat de Steen op ets B2 ontbrak, zodat de Steen toen dus nog niet op die plaats lag. Deze waarneming is in 1917 door P.J. van Ravesteijn gepubliceerd.15
Daar dat artikel aan Van Giffen bijzijn uitvoerige behandeling van de discussies over de echtheid van de Steen in 1925-1927 ontgaan was, vestigde ik er opnieuw de aandacht op. In 1971 publiceerde W.J. de Boone echter tekening B3, waarop de Steen wel degelijk te zien was, en dan nog wel met de ronde kant naar boven, zoals dekstenen van hunebedden en dolmens betaamt. De uiteindelijk in 2001 tevoorschijn gekomen voortekening BI verklaart waarom de graveur in ets B2 de Steen niet herkenbaar had afgebeeld: in BI was hij vrijwel verdoezeld. Vervolgens meende ik uit de in 1972 opgedoken tekening A, en ook B, te kunnen opmaken dat de Steen destijds ter plaatse van het parkeerterreintje tegenover het restaurant aan de oostkant van de Dorpsstraat lag.16
Pas nu ik beider gezichtspunten op een plattegrond uitzette (afb. 6), blijkt ook dit onjuist:de rijweg, niet de Steen was verplaatst! In1781 lag de Steen dus op zijn huidige plaats; voordien zwijgen de bronnen, al kan tekening A wat ouder zijn. Aan het begin is al gestipuleerd dat zonder een nauwkeurig en ruimtelijk vrij uitgebreide opgraving geen definitieve uitspraak over de (on)echtheid van de Steen als 5000 jaar oud grafmonument gedaan kan worden. Nu te stellen dat de Steen (pre-)historisch niets voorstelt is, zou zacht gezegd voorbarig zijn. Maar ook als de Steen bij een opgraving geen prehistorisch grafmonument zou blijken te zijn, hoort hij toch onlosmakelijk tot de Dorpsstraat. Er is een kans dat hij dan een middeleeuwse gerechtssteen of Stapelsteen is,voorganger of ondersteuning van het rechthuis. Deze zijn goed bekend uit Duitsland,waar Nederland toen nog toe behoorde.17 Misschien fungeerde de Steen bovendien als een in 1449 genoemde Soeststapel, grenspuntvan het Gooi.18 En anders moet men er rekening mee houden dat hij daar in de zeventiende eeuw als folly (versierend element)door de Heer van Drakestein kan zijn neergezet.
Gezien de talrijke negentiende- en twintigste-eeuwse afbeeldingen en literatuurvermeldingen 19 is de Steen ook niet zomaar iets dat men achteloos verwijderen of verplaatsen kan. Zoals het hunebed nu het Drentse logo vormt, is de Steen de roem van Lage Vuursche. Weliswaar heeft koning Lodewijk Napoleon zeker niet als ruiterstandbeeld geposeerd op de kleine bolle Steen van Lage Vuursche (2,2 x 1,6 m), maar deed hij dit op de tweeënhalf keer grotere vlakke deksteen (3,5x 2,5 m) van hunebed D44 in de Emmerdennen in Drenthe.20 Maar in het onderwijs aan de zevenjarige kroonprinses Wilhelmina speelde de Steen een bescheiden rol.21 En het verhaal dat je met een speld het bloed van de slachtoffers uit de altaarsteen kunt prikken,terwijl het ten slotte uit je eigen vingers komt,staat al in een meisjesboek uit 1894.22 Het getuigt dan ook van wijsheid en historisch inzicht dat de Gemeente Baarn de Steen niet verplaatst heeft ter verbetering van de inderdaad wat benarde verkeerssituatie.23 Terecht heeft men blijkbaar geoordeeld dat als de verkeersdrukte op mooie dagen te danken is aan de fraaie ligging van Lage Vuursche, men dit dorp niet ter wille van dit verkeer van een van zijn meest spraakmakende elementen moet beroven. Indien dit bij de wettelijke bescherming van Dorpsstraat en aanliggende huizen in 1966 al niet geschied zou zijn, zou de Steen alsnog expliciet bij deze bescherming moeten worden inbegrepen.
Met dank aan de Koninklijke Verzamelingen, het veilinghuis Nienhuis-Sotheby’s, het Rijksmuseum Amsterdam, het Museum Hilversum en het Amsterdams Archeologisch Centrum voor het beschikbaar stellen van de afbeeldingen. Bijzondere informatie dank ik aan de heren H. Bronkhorst (Baarn), D.T. Koen (het Utrechts Archief) en T. Laurentius (Middelburg).

.
Dr. J.A. Bakker (1935) was universitair hoofddocent bij het Amsterdams Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam. Specialiteit de hunebedden en hun inhoud, de archeologie van het Gooi en de Vuursche en de prehistorische bewoning van Westfriesland.
Literatuur (zie ook in de noten)
J.A. Bakker, ‘Hunebeddencultuur bij de Lage Vuursche? I, De Vuurscher Kei’, in: Westerheem 6(1957), p. 27-30.
J.A. Bakker, ‘A list of the extant and formerly present hunebedden in The Netherlands’, in: Palae-ohistoria 30 (1988), p. 63-72.
J.A. Bakker, ‘Opmerkingen over Drakestein voor1640’, in: TVE 19 (2001), p. 4-10.
J.A. Bakker, Kanttekeningen bij mijn publicaties enenige andere zaken, Baarn 2004.
W. de Blécourt, Volksverhalen uit Utrecht en het Gooi, Utrecht-Antwerpen 1979.
W.J. de Boone, ‘De dolmen aan de Vuurse’, in:Westerheem 20 (1971), p. 149.
H. Bronkhorst, ‘Oude tekeningen van de Lage Vuursche in het Koninklijk Huisarchief’, in:Baerne 26-(2) (2002), P. 10-13.D.
T. Enklaar, Middeleeuwse rechtsbronnen van Stad enlande van Gooiland, Utrecht 1932 (Werken Ver-eeniging Uitgaaf Bronnen Oud-Vaderlandschrecht).
F. Gaasbeek, J. van ’t Hof & M. Koenders, Baarn,geschiedenis en architectuur, Zeist 1994 (Monu-menten-inventarisatie provincie Utrecht).
A.E. van Giffen, De hunebedden in Nederland, 1,1925,II, 1927, Atlas 1926, Utrecht.
E. van Ginkel, S. Jager Ik W. van der Sanden, Hunebedden, monumenten van een Steentijdcultuur,Abcoude 1999.
L.J.F. Janssen, Hilversumsche oudheden. Eene bijdrage tot de ontwikkelingsgeschiedenis der vroegste Europesche volken, Arnhem 1856.
J. Meier, Untersuchungen zur Deutschen Volkskundeund Rechtsgeschichte [21, Ahnengrab und Rechtstein, Berlijn 1950 (Deutsche Akademie derWissenschaften Berlin, Veröffentlichungen derKommission Volkskunde 1).
B. Olde Meierink, ‘Drakestein’, in: B. Olde Meierinke. a. (red.), Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht,Utrecht 1995, p. 175-179.
T. Pluim, Uit de geschiedenis van Baarn, Baarn 1932.
F. Renou & E.E. van Mensch, jan van Ravenswaay1789-1869, schilder van vee en landschap, Hilversum 1987.
T. de Ridder, Lage Vuursche. Een wandeling door de Vuursche bossen. Op zoek naar de geschiedenis inhet landschap, Amersfoort 1997 (Archeologische Routes in Nederland 13).
J.A. de Rijk Wandelingen door Gooi en Eemland en Omstreken, Hilversum 1905 (geïllustreerde postume update van artikelen in De Gooi en Eemlander 1882-1887).
J. Scheltema, ‘Berigt aangaande een oud altaar (dolmin), of een naar een hunebed zweemend overblijfsel van de eerste bewoners dezer landen, in het dorp de Vuursche’, in: J. Scheltema,Geschied- en letterkundig mengelwerk III (2) 1833,p. 35-45.
H. Stevens, De Lage Vuursche, Baarn 1982.
Noten
1 Scheltema 1833. Uitvoeriger over de volgende kwesties aangaande de Steen: Bakker 2004, p.10-14,18-21,23-25.
2 ‘Brief van kloosterbroeder Harmarkerus aan broeder Gozelinus te Keulen over zijne reisdoor het sticht van Utrecht in het laatst der negende eeuw’, in: Utrechtsche Volksalmanak1846, p. 133-140; De Blécourt 1979, p. 219-220;Bakker 2004, p. 23-25.
3 Janssen 1856, p. 73-74.
4 Mededeling Th. Laurentius, Middelburg, van wie ik de tekening in 1972 kocht.
5 Koninklijke verzamelingen MCS 626, in 2001ontdekt door H. Bronkhorst, nog niet gereproduceerd.
6 Catalogus Sotheby Mak van Waay 284,3.4.1978, nr. 218, p. 61, ill. p. 127: A View of Lange Vuursche, an elegant couple in the foreground. Kleurenrepro’s verschenen in Van230TVE 23e jrg. 2005 Ginkel e.a. 1999, p. 135 en Bakker 2004, omslag.
7 Hilversums Museum E81: Renou en Van Mensch 1987, p. 13, 17, nr 57, vgl. ook afb. 5,cat. 51 (1810).8 Olde Meierink 1995, p. 178.
9 Stevens 1982, p. 57.
10 Als vierkantje met bijschrift Everts huijs op de kaart NA VTH 3019 uit 1597 en als vierkantjeop de ongeveer even oude kaart NA VTH 3018.
11 Vergrote repro’s: Olde Meierink 1995, p. 179 en Bakker 2001, afb. 1. In ‘Grensrelicten en oude wegen op en rond de Vuursche’, in: TVE 23(2005), p. 26-38, toonde J. Groeneveld aan dat de concentrische wallen en grachten van Warnars hofstee bij Sinck 1619 (NA VTH 2582) exact op de plaats van Groot Drakestein liggen, zodat ‘optie 1’ (Bakker 2001) de juiste is.
12 E. Schmitz, ‘Rembrandt in Diemen’, in: Kroniek van het Rembrandthuis 1990 (1-2), p. 24-32.
13 Foto’s uit ‘begin twintigste eeuw’: De Rijk 1905,p. 34 en Stevens 1982, p. 8. Tussen 1820 en 1900ontbreken goede afbeeldingen van de herberg met de Steen. Een grote verzameling afbeeldingen in pannenkoekenhuis De Vuursche Boer.
14 De ets van Bendorp naar Bulthuis is onder plaat B2 als GEZICT op vuurst in de Vaderlandsche Gezichten afgedrukt (repro bijv. Stevens1982, p. 51). De wel net zo als B3 voor een liefhebber gemaakt tekening (Bronkhorst 2002,afb. p. 11) is afwijkend van de ets met mensenen dieren gestoffeerd.

15 Hilfert (pseudoniem P.J. van Ravesteijn),’Gooische Omtrekken, I, Groote steenen’, overdruk uit: Vooruit, Vrijzinnig Nieuwsblad voor het Gooi, Hilversum 1917.
16 Bakker 1988; indirect Grootendorst-Doornekamp, ‘De steen aan de Vuursche’, in: TVE 11(1981), p. 217-219.
17 Meier 1950, p. 39-40 en 53-58, onder meer met beschrijving uit 1794 van de als gerechtssteen fungerende Stapelstein te Wolfbehringen bij Erfurt (die cultuurgeografisch geen dolmen kan zijn).
18 Enklaar 1932, p. 35-37. Vergelijk Bakker 2004, p.19-21, waar deze mogelijkheid overigens nog niet genoemd wordt.
19 Op afbeeldingen van de Bataven uit 1833-1955 komt de ‘altaartafel’ van Lage Vuursche opvallend veel voor (P. Roelofs en L. Swinkels, De Bataven. Verhalen van een verdwenen volk. Tentoonstellingswijzer, Nijmegen 2004, p. 73). Gekopieerd naar de platen in Scheltema 1833 is de Steen van Lage Vuursche ook herhaaldelijk apart afgebeeld, bijvoorbeeld in Ons voorgeslacht, in zijn dagelijksch leven geschilderd van W.J. Hofdijk (dl. I, Haarlem 1859) en Geschiedenis der zeventien Nederlanden van P.H. Witkamp(dl. 1,1882).
20 W.J. de Wilde, ‘Een legendarische alomtegenwoordigheid’ in: Nieuwe Drentsche Volksalmanak1906, p. 152-167.
21 C. Fasseur, Wilhelmina. De jonge koningin, 1998,p. 95 (meester Gedikings cahier V, les 208,herfst 1887).
22 Tine van Berken [= Anna Christina Witmond-Berkhout, 1870-1899], Een klaverblad van vier,Amsterdam 1894, p. 165.
23 Door aanrijdingen is de Steen vooral na 1950 nogal eens verzakt, waarna hij door Publieke Werken Baarn telkens weer herplaatst werd. Vanwege de Steen is de 5 – 6 m brede, rechte asfaltweg nu schuin tussen de rooilijnen ingelegd, zodat de westelijke berm voor de herberg
