Twee oude kaarten van de Vuursche uit de collectie Hingman in het Nationaal Archief te Den Haag.

deel 1

Inleiding; de kaarten en een stukje geschiedenis

Yankel Kobalowitz

Inhoudsopgave

deel 1

Inleiding; de kaarten en een stukje geschiedenis

Inleiding

De Kaarten

Oorsprong

Fysieke toestand

Onderlinge relatie

Puzzel

De Kaart de Lattre

De maker

De kaart

De Kaart Rond 1625

Datering

De makers

De kaart

Elementen van 3019 die het verbinden aan 3018

Een driehoek, de kaarten, het archief en de archeologie

Een Stukje Geschiedenis

1) De oudste geschiedenis

2) Grens tussen Elten en het Sticht

3) 1085: usque ad Trenscoten et Furs

4) Storm over Nederland: de Allerheiligenvloed van 1170

5) De wetering van 1239

6) 1280 Floris V & Holland

7) 1348 Oost Holland & de Slag op het Laapersveld; context en gevolgen

8) 1460 Hendrik van Amersfoort & Baarn

9) Tussen 1597 & 1625

10) Verdere ontwikkeling van het grondgebied van de heerlijkheid de Vuursche

Welke Provincie?

Noten

.

deel 2

Over De Inhoud van de Kaarten

Terreinen in & om de Vuursche heerlijkheid en hun grootte

De Vuursche

Drakensteyn

De Inham & Laapersveen

Stulp en omgeving

De VII morgen van Claes van Zuylen van der Haar

Het Laapersveld

Jan Hubertsveen

Wernaars Hofstee

De Hoeves

De Galg

Wolfsdreuvik

Bergen

Cirkeltje

Overige Gerechten en Territoria Genoemd op de Kaarten

Overige Cartografische Elementen op de Kaarten

Wegen

Waterstaat

Losse letters

Verdere Elementen

Noten

.

deel 3

Een Tour over de Vuursche

Het Zuiden

Wernaars Hofstede

Everts Huis

Wolfsdreuvik

Inham

Berechge

De VII morgen van Claes van Zuylen van der Haer

Buuten Gruppel

Wernaarsweg & de Nieuwe Weg

Punt a

Het Noordwesten

Laapersveen & Laapersveld

Laaperswegen

Gooier Schans

Ravesway

Jan Hubertsveen

Het Noordoosten

De Negen Roeden

Galg & Rad

Galg & Rad, waar

Galg & Rad, waarom

Galg & Rad, waarom hier

Galg & Rad, oorsprong

De Vuursche Dijk

De Noordelijke Erven

Het Oosten

Honderd Morgen, Vossenberg, 200 of 130 morgen

De Sloot naar de Veenhuizen

Nonnengrup

De Poel

De hoeve aan de Sloot naar de Veenhuizen

♥Hert

Noten

.

deel 4

De Vierdels

De Vierdels op de Kaarten

De Vierdels van de Lattre

De Vierdels van de ±1625 kaart

De Vierdel van Willem Neff

De Tiendblokken bij de Vuursche

Woord van Dank

Noten

Inleiding

Het Nationaal Archief te Den Haag bezit een belangrijk collectie kaarten van diverse topografische interesse, bijeengebracht en gecollationeerd door de grote 19de-eeuwse archivaris Johannes Henricus Hingman, de collectie Hingman.

Hierin zitten twee kaarten van de Vuursche die veel informatie geven over deze heerlijkheid vier eeuwen terug. Aan deze kaarten (VHT 3018 & 3019) is in het verleden wel enig aandacht besteed . Enkele jaren geleden heb ik in het kader van een grotere studie naar de Vuursche redelijke foto’s kunnen maken van die kaarten en heb naar vermogen een diepgaande studie naar deze gedaan.

noot 1, 2

VHT 3018 ARA Den Haag

De kaarten geven een uniek inzicht in verschillende zaken die indertijd nog actueel waren. Ze bevatten veel informatie die in het huisarchief van de Vuursche terugkomen. Die archieven helpen ons de kaarten te ontsluiten en op reis te gaan door de Vuursche 400 jaar geleden. De kaarten van hun kant maken het mede mogelijk de archieven voor ons tot leven te brengen. Zij maken het zelfs mogelijk, waar de archieven tekort schieten, deze aan te vullen en een enkel aanvulling te doen op bestaand historisch onderzoek. Hier en daar verwijzen ze naar ver terug in de middeleeuwen. Tenslotte maken ze het mogelijk tot enige nieuwe hypothesen te komen over de geschiedenis van de Vuursche en haar omgeving.

noot 3

VHT 3019 ARA Den Haag

De Kaarten

Oorsprong

De kaarten vinden hun oorsprong in twee overdrachten van de heerlijkheid, waarbij niet alleen titel, huis en alle interne aangelegenheden werden overgedragen maar ook allerlei claims en tegenclaims betreffend eigendom en rechten op en rondom de Vuursche en meer zaken van juridische aard die nog speelden. Sommige zaken speelden toen reeds eeuwen en zouden nog lang blijven spelen. Andere zaken zijn opgenomen vanwege een incident. Hierdoor krijgen we een idee wat in de ogen van de makers, vertegenwoordigers van de Heren van de Vuursche, precies nog speelde. Het waren hulpzaken voor advocaten om hun stellingen te onderbouwen.

Stel dat de Vuursche een groot fabriek zou zijn. Er blijkt van alles gestolen te worden. De fabrieksdirecteur, hier de baljuw in 1597 is zijn halve leven hier de baas geweest. Hij geeft een schets van alle toegangen tot zijn fabriek. Hij kent in zijn hoofd de fabriek goed. Als hij zijn schets maakt, zal hij vrij nauwkeurig de ontvangsthal kunnen reproduceren, waar hij net als zijn parkeerplaats en zijn kantoor dagelijks komt. Van de expeditie zal hij nog een eindje komen, daar hij af en toe daar iets moet overleggen. Maar van de keuken van de kantine weet hij wel wat daar zit maar niet hoe precies alles eruit ziet. Zo ook de drie of vier andere fabriekstoegangen waar hij in zijn werkzaam leven maar een enkel keer geweest is.

De maker van de kaart rond 1625 staat op nog iets groter afstand tot de fabriek, als ware hij een commissaris. Deze kent natuurlijk de fabriek ook maar meer op afstand. Hij is nooit overal geweest. Wel heeft deze de gegevens verzameld wat alle fabrieksonderdelen zijn en hoe groot deze zijn. Zijn schets zal zeer symbolisch van opzet zijn maar wel heel veel nuttige informatie bevatten.

Hierdoor ontbreken ook tal van zaken, omdat die volgens de makers toen niet belangrijk waren of juist zo duidelijk dat die geen verduidelijking behoefden. Talrijke zaken van bestuurlijke, economische of infrastructurele aard zijn helaas niet opgenomen omdat ze er in de ogen van de makers niet toededen. Gelukkig blijft er genoeg over..

Fysieke toestand

De kaarten zijn ruim van opzet, op mooi crèmekleurig karton. Gezien hun leeftijd verkeren ze in een uitstekende staat. De kleuren ogen nog redelijk fris. Van verschillende inkten is gebruik gemaakt. De kaarten zijn uitgezet met zwarte inkt. De terreinen zijn gewassen in geel, groen, bruin blauw en rood (3018) & groen en rood en blauw (3019). 3018 heeft hiernaast nog wat bruin. Beiden gebruiken rood voor highlights. Opvallend gebruiken beiden rood voor de verschillende hoeves maar zwart voor Wernaars Hofstee/Drakensteyn. Het schrift is in zwart (3018) en donkerbruin (3019).

Ondanks de ruime opzet hebben beiden naast groot en dus duidelijk geschreven informatie een hoop priegelschrift en zelfs een enkel overschrijving. Moeilijk leesbaar. Dit benadrukt de private en persoonlijke sfeer waarin ze ontstaan zijn.

Onderlinge relatie

Ze horen ook duidelijk bij elkaar. Naast bovenstaande overeenkomsten vullen ze elkaar inhoudelijk aan. De vierdels op 3019 beginnen met dezelfde vierdel waar 3018 mee ophoudt.

Hoewel 3018 gedetailleerder lijkt, geeft 3019 meer informatie over lengtes en oppervlakte. Ook hebben beiden kaarten wat een moderne kaartlezer fouten zou noemen, al zijn die gezien de bedoeling van de kaarten niet echt fout te noemen.

Beiden zijn geschetst om een “realistisch” beeld te geven, zonder de objectieve driehoeksmeting te gebruiken, die toe natuurlijk reeds lang bekend was en vaak werd toegepast. Beiden zijn in dat opzicht dus min of meer schematisch van aard. Ook hebben enkele impressionistische elementen, niet ongewoon in die tijd.

Echter terwijl de maker van 3019 bijvoorbeeld abusievelijk een bocht tekent in de zuidwest hoek van de Vuursche, blijken de lengtes hierop van de zuidwest punt van de Vuursche naar vervolgens Wernaars Hofstee en de Inham wel te kloppen. Alle oppervlaktes en lengtes blijken te kloppen, al is dat op de kaart niet meteen evident. De maker van 3019 heeft hulp gehad van een “echte” landmeter die de juiste aantallen roedes en morgen correct (met driehoeksmeting) heeft opgemeten.

Puzzel

Deze kaarten moeten niet geïnterpreteerd worden zoals bij een moderne topografische kaart of wandelkaart. Zij zijn eenvoudig weg niet gemaakt om door derden dusdanig gebruikt te worden. Hoewel ze nog enigszins lijken op een topografische kaart (3018 lijkt een eind te komen), heeft het weinig zin via projectietechnieken de kaartelementen te plaatsen.

Ze vormen voor ons, na 400 jaar een puzzel. Verschillende dingen blijken ook niet precies op hun relatieve plaats op de kaart terug te vinden. Toch zal blijken met hun gegevens en een klein beetje aanvullende informatie al die kaartelementen erop weergegeven op te sporen en kunnen wij deze een plek te geven de moderne topografische kaart. Alle kaartelementen blijken wel “in de buurt” van waar ze op de kaart voorkomen. Deze afwijkingen zijn soms moeilijk te verklaren. Hierbij moeten we, als we de ware plaats van het één en ander hebben vastgesteld, dan maar verwijzen naar de private en persoonlijke sfeer waarin ze ontstaan zijn.

Sommige conclusies zijn te vormen naar aanleiding van hetgeen de kaarten impliciet aangeven. Deze zijn niet op het eerste oog evident maar ik zal pogen wat ik constateer naar vermogen te onderbouwen. Aldus zal ik proberen de puzzel van deze twee bijzondere kaarten te ontsluiten en op te lossen.

De Kaart de Lattre

De Lattre schout op de Vuursche 1597

De maker

Franchois de Lattre (ook Francois de Latere genoemd) is omtrent 1540 geboren. Hij kwam uit een oud Waals geslacht. Mogelijk was hij de zoon van Jean de Latre, kapelmeester en componist (ook wel Delatre of Delattre, bijgenaamd Petit Jean of Jean Petit) geboren omstreeks 1505 en overleden te Utrecht 31 augustus 1569. Tussen 1574 en 1619 op de Vuursche terug te vinden in verschillende functies. Eerst aangesteld door Charles van Bourgogne zou hij de heren van de Vuursche dienen als rentmeester, gemachtigde, ten tijde van de kaart als baljuw en later nog als schout. De heren van de Vuursche zullen maar zelden op de Vuursche verkeerd hebben en een vertrouwd paar handen ter plaatse om de zaken waar te nemen zal hooglijk gewaardeerd zijn.

Francois wordt verscheidene keren genoemd als wonend op de Vuursche, zoals het eigenlijk een baljuw en zeker een schout betaamt. Of hij hier vastverblijf hield kan betwijfeld worden. Wel zal hij regelmatig genoeg hier zijn geweest om de boel voor zijn meester allemaal goed in de gaten te houden. Het kan dat hij op Wernaars hofstede woonde, naar we mogen aannemen een eenvoudige verdedigbare middeleeuwse woontoren met oorspronkelijk één gracht, toentertijd drie grachten omheen. Er is in het archief sprake van het zogenoemde herenerf. Misschien moet de tegenover liggende hoeve, op de kaart 3019 Everts huijs genoemd, eigenlijk als geheel met het kasteel worden beschouwd. Dan “woonde” hij wellicht aan de overkant van de weg op de boerderij maar had hij wel als baljuw de sleutels van het kasteel.

Hoe dan ook was hij in 1597 meer dan 20 jaar bekend op de Vuursche. Hij had er gewoond en gewerkt. Hij kende de Vuursche dus redelijk goed. Goed genoeg om aan de hand van de overdracht van de heerlijkheid van vader op zoon Bourgondië een redelijk gelijkend kaart voor zijn werkgever te maken, waar hij al de in zijn ogen belangrijke uitstaande zaken kon aantekenen.

achterzijde 3018

De kaart

De kaart is bijna vierkant (ongeveer 41X44 cm). Het heeft geen kompas. Het heeft min of meer een bovenkant georiënteerd tussen noord en noordoost. De titel is met duidelijk hand midden op de kaart geschreven De Veùrse Heerlychheyt. Het is gedateerd met zeer klein hand bovenin, in het Baarns veen A°.1597. Het heeft niet echt een schaal, de verhoudingen zijn ietwat vertekend maar iedere centimeter vertegenwoordigd van 75 tot 100 meter.

Hierbij zij aangetekend dat de hoeven veel kleiner lijken dan op de ±1625 en reconstructie kaarten. Drakensteyn komt met de binnenste gracht wel redelijk overéén. Dit alles zou zo gedaan kunnen zijn omdat de maker van 1625 de eigenlijke hoeves en de Lattre de erven, waar de hoofdgebouwen zaten, tekent. Deze zijn niet meer terug te vinden, behalve die tegenover Drakensteyn als we de oude situatie uit de huidige willen abstraheren. Misschien dat een latere boerderij op oudere fundamenten is gebouwd. De eigenlijke hoeves blijken omwald en die aarden wallen vind je wel terug. Hier is de uitzondering de hoeve bij de beuk aan de Hoge Vuursche, die met behulp van de topografische kaart is gereconstrueerd.

Leckendick anno 84 (?)

De kaart is, behalve bij de vierdels, niet echt vol. Toch zijn vele aantekeningen vrij klein genoteerd en dus slecht leesbaar. De grenzen zijn met vette zwarte lijnen getrokken, die op drie plaatsen zijn doorgetrokken. De Vuursche en Drakensteyn zijn één geheel, in geel. Aangrenzend gebied, wel tot het domein van de Vuursche behorend is groen. Terreinen buiten de heerlijkheid hebben andere kleuren.

Baarn wordt weergegeven met zes verticale lijnen en is licht gewassen met gele inkt. Het Baarns Veen in het noorden wordt evenals het terrein tussen de hondert morgen en de Vuursche met golfjes weergegeven. Het Vrouwenkloosterveen is leeg gelaten, heeft een lichte wassing met rode inkt om een relatie te suggereren met de rode VII morgen.

De lijnen van de vierdels zijn merkwaardig getrokken. Hoewel de maker bredere stroken van twee hoeven grootte en smalle vierdels netjes in grootte laat afwisseling, blijkt hun plaatsing enigszins af te wijken. Er zijn twee losse letters gebruikt, een a onder de zuidwesthoek van de Vuursche en een C in de poel. Deze en enkele “hulp”lijnen lijken geen functie te hebben.

Franchois de Lattre A° 1597

De kaart heeft een label eraan hangen die zijn nummer 3018 aangeeft, tevens z16..

De kaart moet vroeger een tijd opgevouwen zijn, in zessen, twaalven en zestienden (±10X10 cm). Het heeft toen enige schade opgelopen, kleine schuurtjes en een gaatje op een hoofd vouw, in de vierdels vlak bij de tekst. De kaart is hier en daar verstevigd en gerepareerd, hetgeen op de rugzijde te zien is.

De rugzijde is op zich al interessant en een nadere studie waard. Inkt van de voorzijde heeft zich ingewerkt op de rugzijde, Naast de gewoonlijk aanwezige labels van het Rijks Archief is een restant van een label aanwezig waarop veùr nog te lezen is. In de hoek tegenover is geschreven Caerte Vuerse. De kaart is blijkbaar ooit N°. 9 geweest. Er is een roosterpatroon aangebracht. Zowel boven als onder gespiegeld en later overgeplakt, waardoor moeilijk leesbaar staat zoiets te lezen als Leckendick anno 84. Ten slotte is nog geschreven dat dit de kaart is van de Vuursche gemaakt door Franchois de Lattre A° 1597.

.

De Kaart Rond 1625

anoniem rond 1625

Datering

Deze kaart werd in voorgaande studies vaak waarschijnlijk op grond van “stilistische kenmerken” halverwege de zestiende eeuw gedateerd. Dat de kaarten Hingman 3018 & 3019 met elkaar te maken hebben, klopt. De niet gedateerde kaart 3019 komt veel primitiever voor dan de de Lattre kaart. Dan is de conclusie dat die dus ouder moet zijn, snel getrokken. Waarom zou je een “slechtere” kaart maken als die uit 1597 al voor handen is. Het is toch gebeurd!

eigenaren vierdels op 3019 uit de jaren 1620

De lijst van eigenaren in de vierdels wijst zonder meer op een ontstaan in de jaren twintig van de zeventiende eeuw. Voorts voldoet de opdeling van de heerlijkheid in delen waarvan accuraat de oppervlakte wordt vermeldt, precies aan de eisen die de Staten en het Hof van Utrecht stelden aan dit soort juridische stukken in deze tijd. De vermeldingen op de kaart verwijzen weliswaar naar vele zaken uit de zestiende eeuw en nog eerder maar dat doet er toe toe voor de datering. In 1625 doen de erven van Simon van Veen de heerlijkheid over aan jonkheer Ernst van Rheede en naar aanleiding hiervan moet de kaart als aanvulling op de 1597 kaart gemaakt zijn. De kaart wordt genoemd in een stuk betreffend de overdracht uit november 1629.

noot 4

De makers

De maker heeft op de rugzijde zijn initiaal achtergelaten: f of, indien omgekeerd bekeken b.

Meer concreets is er niet. Er is wel impliciet iets over hem te zeggen. Hij moet afkomstig zijn uit de cirkel van rond het Hof in Utrecht, mogelijk een assistent van een advocaat of een junior partner. Wellicht is hij, op grond van zijn initiaal nog te achterhalen ergens in de archieven. Los van zijn persoon zijn er enkele zaken te concluderen op grond van de kaart.

achterzijde 3019

.

De maker moet beschikking hebben gehad over de de Lattre kaart. Diverse overeenkomsten maken dit heel waarschijnlijk. Op kantoor te Utrecht moeten relevante stukken, origineel of transcripties, verzameld zijn. Hij zal met aantekeningen ook de Vuursche bezocht hebben en enkele details, in het hoofd of op papier hebben aangetekend.

Het blijkt dat zijn informatie door een professionele landmeter is aangevuld. Enkele duidelijke afwijkingen tussen kaart enerzijds en opgegeven roedes en morgen anderzijds bewijzen dat de metingen apart zijn verricht. Deze landmeter was hier waarschijnlijk éénmalig en heeft een aantal terreinen precies opgemeten. Precies genoeg om na te gaan wat hij precies opgemeten heeft.

De kaart

De kaart is bijna A3 formaat (42X30 cm). Het is ook zonder kompas. Het is eigenlijk ten opzichte van 3018 één slag verdraaid, boven is west à noordwest. Verhoudingen zijn vergelijkbaar met 3018, een tikje kleiner. Zoals opgemerkt oogt het een stuk primitiever dan 3018. Sommige grenzen zijn met een boog getekend terwijl deze verwijzen naar recht lopende grenzen. Alle grenzen lopen hier in deze tijd in werkelijkheid nog recht!

De landmeter heeft de zuidelijke en noordelijke (rechte) buitengrenzen, links en rechts op de kaart, wel precies opgemeten. De kaart is veel schematischer van opzet dan de de Lattre kaart. De hoeven lijken hun “ware” grootte meer te benaderen maar hun plaatsing is minder precies. Drakensteyn, dat wil zeggen de grachten eromheen, zijn erg overdreven. En zelfs de buitenste gracht van Drakensteyn vormt geen grenspunt maar bevindt zich ruim binnen de heerlijkheid. Er zijn nog enkele discrepanties waar ik op terug zal komen.

Wel esthetisch bevredigend is de zwarte buitenrand van de kaart. Ook de annotatie in een apart cartouche in het rood linksboven is mooi. Rechts onder is een mooie K op zijn kop getekend, zonder duidelijk bedoeling. Langs de oostzijde, de onderzijde van het terrein van Vossenberch is een “hulp”lijn met rood naar rechts enigszins weifelend doorgetrokken. Het buitengebied heeft, op de vierdels na, geen veldvulling.

De eigenaren van de vierdels zijn in een juiste volgorde maar willekeurig onder elkaar op en tussen de lijntjes genoteerd. Deze en de annotaties zijn “op hun kop” geschreven. De lijnen van de vierdels lijken vrij generiek neer gezet. Het is niet duidelijk of de stippellijnen ergens naar verwijzen.

De kaart heeft een label eraan hangen die zijn nummer 3019 aangeeft, tevens hieronder in een oude hand waarschijnlijk z17..

De kaart is gevouwen geweest, in zestienden (5X15cm) en heeft op de achterzijde enkele kleine reparaties. Het heeft al met al minder schuurtjes dan 3018. De rugzijde heeft dus alleen de initiaal naast de latere gebruikelijke labels en code van de Hingman collectie.

Elementen van 3019 die het verbinden aan 3018

Twee kaarten van eenzelfde gebied zullen altijd een klein beetje op elkaar lijken. Dat ze later in de collectie Hingman opeenvolgende nummers hebben gekregen bewijst niet dat de kaarten een relatie hebben. Bovendien verschillen de kaarten in op meer en minder subtiele wijze van elkaar.

Toch stel ik vast dat de kaarten een relatie moeten hebben. Niet slechts dat zij beiden zijn opgesteld naar aanleiding van een overdracht van de heerlijkheid. 3019 is de aanvulling van 3018, ruim een kwart eeuw later opgesteld, waarbij de maker de voorgaande kaart kende. Hier en daar heeft de maker elementen van 3018 overgenomen.

Een enkel overeenkomst is altijd wel te ontdekken. Een aantal overeenkomsten kan toeval zijn maar maken die relatie waarschijnlijker. Hoewel de maker van 3019 zijn eigen kaart maakte en beslist niet zijn best heeft gedaan de de Lattre kaart te kopiëren, heeft deze bewust of onbewust een aantal zaken overgenomen. Er zijn geen fysisch-geografische redenen waarom deze overeen zouden moeten komen.

Eén inhoudelijk argument is wel een sterke. Het waarom zal later aan de orde komen, maar deze relatie is al aannemelijk vanwege dit:

a) De laatste vierdel van kaart 3018 is de eerste van 3019.

Enkele fysieke argumenten zijn als volgt:

b) Beide kaarten zijn ongeveer 40 cm breed waarover de Vuursche noord-zuid geschetst is.

c) Op beiden is de buitengrenzen getrokken met dikke zwarte streep.

d) Deze is bij de Vrouwengrup doorgetrokken.

e) Zwarte objecten zijn met rood gehighlight.

f) Mede hierdoor steken de hoeves in rood af tegenover Wernaars Hofstede in zwart.

g) Beiden hebben het land van Vrouwenklooster licht gewassen in rood.

h) Beiden hebben een annotatie in het zuidwesten.

i) Beiden vermelden de Wolfsdrieffick en tekenen deze als een fel rood dichte cirkel.

j) Beiden hebben de Gooier Schans anoniem als een eenvoudig open zwarte cirkel.

k) De lijn onder de Vossenberch op 3019 komt overeen met de Baarnse “akkers” op 3018.

Een driehoek, de kaarten, het archief en de archeologie

Nu is vastgesteld wat voor kaarten dit zijn, kunnen we naar hun inhoud gaan kijken. Echter om alles uit deze kaarten te halen, zijn veldobservaties en archiefonderzoek essentieel. Veldobservatie maakt het mogelijk te bepalen in hoeverre al de dingen die vermeld op de kaarten nu nog zijn terug te vinden. Moderne topografische kaarten zijn in het verlengde hiervan een grote aanvulling.

De nu voor iedereen toegankelijke kaarten van het Actueel Hoogtebestand Nederland zijn een nieuwe, niet te onderschatten bron voor het terugvinden van greppels, heuveltjes, wallen en terreinelementen. Verder zijn is de Utrechtse kaart van het HisGis project, dat een reconstructie van het historische grondbezit nastreeft, met name voor het precies plaatsen van de vierdels een onmisbaar hulpmiddel gebleken.

noot 5, 6

Sinds kort zijn de heerlijkheidsarchieven van de Vuursche via het internet toegankelijk . In de jaren 50 van de vorige eeuw zijn er zeven films gemaakt van het materiaal hierin. Al is dit project nooit voltooid, vormt dit de belangrijkste bron voor het onderzoek. Ook bezit het Nationaal Archief in Den Haag een grote map met stukken betreffend de Vuursche.

Verder is er aanvullend materiaal in de archieven van Utrecht, Hilversum en Naarden en bij historisch vereniging Baarne te Baarn . Ook andere bronnen zoals Delpher bezitten nuttig informatie.

noot 7, 8, 9, 10, 11, 12

Een Stukje Geschiedenis

Om de puzzel rond de kaarten op te lossen moeten we terug in de geschiedenis. De volgende capita selecta hebben hun weerslag op de kaarten. Als we die puzzel hebben opgelost, is het mogelijk de verschillende plaatsen op en rond de Vuursche hun plek in de geschiedenis terug te geven.

1) De oudste geschiedenis

De bewoningsgeschiedenis van de Vuursche gaat terug naar de prehistorie. Er zijn verspreid grafheuvels uit verschillende perioden. Recente Ladar-fotografie heeft een groot raatakkercomplex aan het licht gebracht op hoger gelegen terrein van de Vuursche tussen de Hoge Vuurscheweg en de Zeven Lindenlaan. Ook de hunebed bij het oude dorp heeft recentelijk hernieuwde belangstelling.

Deze millennia hebben slechts een enkel indirecte weerslag op onze kaarten.

noot 13

Het dambord patroon verbergt prehistorische raatakkers

Na de romeinse tijd heeft er een ingrijpend wijziging in de omgeving plaatsgevonden. De hoogten van de Vuursche, Baarn en Soest kwamen als eilandjes te liggen in een zee van vrijwel onbewoonbare en ontoegankelijke veen, met de Utrechtse heuvelrug naar het zuidoosten en het Gooi naar het noordwesten. Het idee van een geheel ontvolking van het Gooi lijkt tegenwoordig achterhaald maar duidelijk is dat er slechts van kleine, zeer geïsoleerde gemeenschappen sprake is. Het veen, de randen hiervan en verspreide watertjes zullen de bevolking zeker van nut zijn geweest maar paden door het veen zullen met moeite aangelegd en onderhouden zijn.

Aan de randen van onze historische tijden, tegen het eind van de eerste millennium van onze jaartelling vormt de regio een uitloper van het machtige graafschap Hamaland. Van Holland en Gelre was nog lang geen sprake en een Utrechtse bisschop kon nog lang niet die landsheerlijke rechten uitoefenen die hij in de loop van de middeleeuwen zou verwerven.

Uit de latere situatie blijkt dat de graven van Hamaland voor de Vuursche bijzondere belangstelling moeten hebben gehad. De latere vermelding van een Hof van Elten op de Vuursche verwijst hiernaar. Deze zal dateren uit Hamalandse tijden. De Vuursche kan natuurlijk mogelijk door vererving persoonlijk aan de graaf gekomen zijn. Aanwezigheid van een hof, een curtis is mogelijk mede te verklaren door de winning van ijzeroer vlakbij. Andere Hamalandse hoven blijken zich hiermee bezig te houden. Het moet voor de graafschap van betekenis zijn geweest.

Hoe dan ook, vrijwel zeker moet de hof tevens een centrale, administratieve functie hebben gehad voor het gebied tussen Eem en Vecht, het latere Gooi en Baarn en Soest. De bewoners op de Vuursche zullen voornamelijk hofhorigen zijn geweest die waarschijnlijk geen eigen land bezaten en in dienst van hun landsheer waren.

noot 14

Graaf Wichman IV van Hamaland heeft voor zijn jongste dochter Luitgarde te Elten een vrouwenabdij gesticht en hieraan een groot deel gegeven van zijn persoonlijke bezit (zijn allodiaal) en van zijn graafschap met landsheerlijk rechten. Voor een deel zijn deze teruggedraaid ten gunste van zijn oudste dochter Adela en haar man. Blijkbaar is het Gooi inclusief de Vuursche aan Elten gekomen waarbij Soest en Baarn aan Adela zijn gekomen. Het graafschap Hamaland ging teloor en Utrecht werd de nieuwe “staat” onder leiding van de bisschop. Het land van Elten was echter erkend en gerespecteerd. Naar de oude grens werd gerefereerd in de overleverde beschrijving bekend bij de lokale bevolking.

noot 15

2) Grens tussen Elten en het Sticht

In 1449 heeft de graaf van Holland zijn raadsheren negen Gooiers laten interviewen, uit Naarden, Huizen Laren en Blaricum, in de leeftijd van 50 tot 82. Zij wisten hoe de grens liep: van de Wakkeredijk in Eemnes naar de boom aan de Hoge Vuursche, naar de Soeststapel (een opgeworpen heuvel achter de Zevenlinden camping aan het pad vroeger bekend als het Roskammerspoor), naar het hof van Elten (ter verduidelijking voegden zij hieraan toe dat dit gelegen was tussen de Vossenberg en het Gooiersbos) en zo voort tot aan de Weer. Dat deze mensen het verloop precies wisten te noemen, doet vermoeden dat zij ook nog begrepen wat met die toponiemen bedoeld werd.

Ook de naam Raweg voor die Wakkeredijk in oude stukken verwijst naar die grens. In het vele dat te doen was over Eemnes, is er tot het midden van de 14de eeuw dan ook steeds sprake van “over de ra in het Gooiland” of in dergelijke bewoordingen.

noot 16

Toen in 1472 het Sticht met Holland over de juiste grens wilden onderhandelen, konden de afgevaardigden van de Hollandse graaf het Hof van Elten niet terugvinden. Op zoek naar resten van een kasteel of grote grachten was het omwalde terrein van de curtis, 80 meter breed en ruim 400 meter lang voor hun onzichtbaar of in elk geval niet waar ze naar opzoek dachten te zijn. Het één en ander is opgetekend op een Utrechts kaartje, waar de gestelde plaats is aangegeven met de toevoeging mer is nyt.

noot 17, 18

Utrechts schetskaartje met de Hof van Elten mer is nyt

Hadden deze ridders te paard een eenvoudige dorpeling meegenomen, had deze wellicht alles gewoon kunnen aanwijzen. In 1449 spraken alle grensobjecten voor zich behalve het hof van Elten. Vandaar dat deze nader geduid moest worden. Had men de Vossenberg geweten en hier tegenover aan de Vuursche dijk gekeken was men wellicht ook verder gekomen. Maar ook de Soeststapel wisten deze ridders blijkbaar niet terug te vinden.

Allen aan Utrechts zijde hadden geen belang de Hollanders wijzer dan nodig te maken. De Utrechters wisten dat Drakensteyn voor de hof aan te zien, sowieso niet klopte.

Hadden de kleine luiden van Gooiland de Zes Wegen, dat ook op de oude grens lag, nog meegenomen in hun beschrijving, had het wellicht nog kunnen goed komen. Latere historici hebben deze juist weer met de Soeststapel geïdentificeerd, waarna het hof van Elten volledig onvindbaar bleek.

Of hooghartigheid van ’s graven lieden tot het verlies van de “oude” Vuursche heeft geleid, zou ik niet kunnen zeggen. Te verdedigen is een hier later uiteen te zetten Utrechts standpunt. Maar vast staat dat zij de belangen van de Gooise onderdanen van de graaf met hun handelen niet bepaald geholpen hebben.

3) 1085: usque ad Trenscoten et Furs

De Vuursche wordt voor het eerst rond 1200 genoemd. De oudste vermelding betreft waarschijnlijk het zogenaamde falsum van 1085. Hieruit blijkt een schenking van de bisschop van Utrecht aan het kapittel van St. Jan aldaar. Er blijken meerdere documenten in die tijd vervalst. Deze vervalsing moet zijn gefabriceerd tussen 1180 en de pauselijk bevestiging hiervan in 1216. De inhoud is naar men aanneemt wel authentiek. Is het opgesteld aan de hand van een informele afschrift van de afspraken of aan de hand van mondeling gemaakte afspraken, met getuigen aanwezig of van een verloren geraakte origineel? Enkele onderzoekers hebben erop gewezen dat het ook enkele formuleringen bevat die in 1085 nooit zo opgeschreven kunnen zijn.

noot 19, 20

falsum schenking 1085

Deze betreffen dan bijvoorbeeld de westelijke grens van de Prosdijlanden rond Vilnis. De trek westwaarts de wildernis in ten koste van van Holland zou bij een te duidelijk omschreven grens gehinderd worden. Achteraf heeft men, de slag geslagen hebbende, dit nader ingevuld naar een situatie van rond 1200.

Het lijkt mij daarom dat er nooit een charter is opgesteld in 1085 en dat die dus ook niet mede door de Hollandse graaf als getuige is ondertekend. In deze vroege tijd was dat ook niet vanzelfsprekend.

Ten aanzien van ons deel van de wereld is dit waarschijnlijk niet aan de hand. Voor ons is de vijfde regel van belang:

terram palustrem in Everkestorpe tante latitudinis superius quante erat terra eorum inferius in longitudine pertingentem usque ad Trenscoten et Furs

hetgeen zich vertaalt als:

moerassige grond in Everkestorpe zo breed als het hogere land het lage land in lengte oplopend tot aan Trenscoten en Furs

Everkestorpe, het dorp van Everik was aan de (oude) Vecht ter hoogte van het latere Achtienhoven. Trenscoten moet waarschijnlijk gelezen worden als de drie bergen, namelijk Horneboegse, Zwarte en Bosberg, de uitlopers van het hoge land van het Gooi. Het wordt later hier en daar een enkel keer nog in de archieven genoemd.

Waarom tot Furs? Op de kaart vormt deze schenking een merkwaardig lange strook. Er was geen natuurlijke verbinding tussen de Vecht en onze streek. Het zou eeuwen duren voordat de wildernis hiertussen ontgonnen zou worden. En hoewel men vanaf de Vecht onze richting voortschreed, zou het land rond de Vuursche vanuit aangrenzende gerechten uiteindelijk ontgonnen worden. Eigenlijk waren het twee schenkingen met een wildernis ertussen. Waarschijnlijk was het voornaamste dat de bossen aan een oude weg lagen, later de Vuursche Dijk, waarmee je over Zeist Utrecht kon bereiken. Strategisch zorgde de bisschop hiermee dat de weg bruikbaar bleef, een route over land naar de Eem.

moerassige grond in Everkestorpe zo breed als het hogere land het lage land in lengte oplopend tot aan Trenscoten en Furs

.

Furs is later de Vuursche. Dit is onomstreden. Hiermee hebben we de oudste vermelding. Maar welke Vuursche?

Furs begrensde het land van St. Jan. De schenking gaf in het geheel geen recht op meer dan het zegt. Het lage veenland mochten zij gaan ontginnen. Furs, zoals Trenscoten was het hoge land. In dit verband kun je ook zeggen het oude land. Furs zoals de hoogte kaart aangeeft, een hoogte was aan de rand van een Eltense Gooi. Het lage land eromheen was op enkele wegen na wildernis, waar voorlopig niet zo veel drukte om was. En in 1085 heeft deze Furs ten zuiden nieuwe buren gekregen, het kapittel van St. Jan. Er is geen reden aan te nemen dat het geen goede buren waren die elkaars gebied direct wilden usurperen.

.

Rampspoed zou echter, niet voor het laatst, tot een nieuwe situatie leiden.

4) Storm over Nederland: de Allerheiligenvloed van 1170

Niet alleen aan zijn oostzijde grensde het land van Elten aan land van het kapittel van St. Jan. Ook ten noorden van het Gooi strekte zich ooit een uitgebreid veengebied uit waar het kapittel rechten over had verkregen. Een reeds oude nederzetting had zich daar ontwikkeld, Naruthi, het aller oudste Naarden. Het moet gelegen hebben in het huidige Gooimeer ongeveer voor Almere Haven rond de tegenwoordige vaargeul.

Toen moet de oude Eem hierlangs hebben gestroomd om verderop met de Vecht samen te komen om noordelijk traag voort te gaan richting de Vliestroom. Dat Naruthi van enig betekenis was blijkt uit het feit dat het een kerk had. Heel Gooiland, de Vuursche incluis had noch geen kerk en de Oer-Gooiers moesten hiernaartoe voor hun kerkelijke verplichtingen, de christelijke doop en begrafenis.

noot 21

Enkele eeuwen had een verbeterde klimaat ontginning van het drassige veen, ontstaan in de transgressieperioden na de Romeinse tijd, mogelijk gemaakt. Een instituut als het kapittel had kapitaal en kennis zulke klussen aan te vatten en politieke goedkeuring van de bisschop. De oude nederzetting was hier al voordat het kapittel werd opgericht. Ze zullen tot een aanvaardbare vergelijk zijn gekomen. Zij hadden elkaar dan ook nodig.

noot 22

Het derde kwart van de 12de eeuw kenmerkt zich door een aantal grote stormen die in combinatie met een stijgend zeespiegelstijging veel schade aanrichtten in het Nederlandse laagland. De grootste en bekendste was de Allerheiligenvloed in de nacht van 1 op 2 november 1170.

Het oude Naruthi is hierbij verdronken en zijn bewoners zijn als vluchtelingen opgenomen in het aangrenzende Gooi. Later is in de bronnen, voor dat men over het Gooiland gaat spreken, zelfs steeds sprake van Naerdincklant. Bijkomend feit is dat de Naarders hun kerk, dat wil zeggen het altaar (en hun pastoor) meenamen. Voor hun heel logisch.

Hierdoor was het kapittel erg benadeeld. Er was het grote kapitaal verlies maar die kerk was politiek erg gevoelig. Deze rechten konden niet zomaar verloren gaan. Harry van der Voort heeft hiernaar een studie gedaan. Er moet ter compensatie rond 1180 een ingewikkelde ruil zijn gebeurd. St. Jan kreeg een rol in het land van Elten. De kerk zou gezamenlijk beheerd worden. Het op dat moment vrijwel onbruikbare land ten noorden mocht door de Gooiers worden teruggewonnen, waarbij het kapittel eigendom over stukken maatland (verdronken veenland) behield. Dit werd aan het territorium van het land van Elten toegevoegd. Hiervoor heeft dan het kapittel de hoogte de Vuursche, met hoge en lage heerlijkheid gekregen.

noot 23, 24

Overeenkomst-tussen-proost-en-kapittel-van St. Jan te Utrecht en-het-klooster-te-Elten-over-de-collatie-bij-toerbeurt-van-het-personaat-van-Naardingerland-1176-1186

De gevolgen van deze reeks overstromingen gingen nog verder. Na de St. Nicolaasvloed van 1196 ligt ’t Gooi aan de Zuiderzee. Van groot belang zal de verbeterde afwatering blijken. De waterlijn bij eb is hierdoor vele decimeters lager gekomen. Na de vloed van 1170 wordt aangenomen dat deze al 35 cm lager wordt dan ervoor. Met alle overstromingsgevaar voor het lage land, maakte het dit land, voor zo ver het de waterwolf te weer kon staan, weer veel geschikter voor ontginning dan tevoren.

De sompige oevers van de Eem werden toegankelijker, ten noorden van ’t Gooi slibden de maatlanden langzaam aan. En stroomafwaarts aan de Eem ontstaat een vlek aan beide oevers waaruit drie middeleeuwse stadjes zouden ontstaan en waar de brug een strategisch verbinding was op de landroute tussen Holland en Gelre en een kasteel had, Ter Eem.

De Vuursche was nog steeds Eltens territorium maar het kapittel bezat hier land nu aan beide zijden van de oude grens. Elten zou de tijnsen waar zij recht op had, in elk geval dat van zijn buitengebied van Baarn en Soest niet meer op de oude hof innen. In latere tijden werd die ingenomen onder de lindeboom bij de kerk in Baarn.

Het is haast logische dat in de toekomst het kapittel zijn oog zou laten vallen op het andere veen, westelijk en noordelijk van de oude Vuursche hoogte. Recht van opstrek was immers een oud middeleeuws recht. Uit die tijd zal ook de term Inham bij de Vuursche stammen voor het stukje land als een taartpunt tussen de Vuursche hoogte en de oude weg naar Hilversum, nu Kloosterlaan.

Net zo logisch dat de Gooische bevolking exclusieve claims op die venen ervoeren als een onrechtmatige inbreuk op hun rechten op hun gemeenschappelijke land, hun achtertuin. Het zou de komende eeuwen tot veel strijd en kommernis leiden.

5) De wetering van 1239

De noordgrens van het oorspronkelijke land van St. Jan aan de Vuursche is dan redelijk duidelijk.

Wat de zuidgrens betreft blijven de bronnen enigszins onduidelijk. De veel latere historische situatie kan een aanwijzing zijn. Ook uitgezette tiendblokken kunnen een aanwijzing zijn maar helpen ons hier nauwelijks verder. 22 februari 1308 schonk bisschop Guy van Avesnes (1301-1317) aan het Vrouwenklooster 8 hoeven land in de wildernis tussen Overhese en De Bilt en tussen Vuurse en Scoutginshegge. Dit land, het latere Vrouwenland zal toen nog onontgonnen zijn.

Naast de vergunning door de bisschop van een groot strook wildernis vanaf de Vecht oostwaarts vindt er later vanuit het zuiden de verkaveling plaats noordwaarts, de langgerekte vierdels.

Op een gegeven moment moesten die elkaar wel gaan kruisen maar dat was in deze vroege jaren nog heel ver weg. Het is al met al moeilijk aan te geven hoe ver zuidwaarts de schenking van 1085 zich moest uitstrekken. Wellicht was oorspronkelijk het idee: Maak ervan, wat je ervan maken kan.

Dan blijft de vraag hoe ver oostwaarts hun land mocht strekken. Wij zijn hierover geïnformeerd via een document uit 1239 waarin de bisschop het kapittel vergunt een wetering te graven “ adiacente silva ipsorum que vocatur Vurs” oftewel “naast hun bos die Vurs heet” richting Soest en vanaf daar richting de Eem (de oude gracht van Soest). Op de kaart 3019 staat die aangegeven als de sloot richting de veenhuizen. Deze staat ook aangegeven op de bekende kaart van Sinck uit 1619.

noot 25 afb. 13

Vergunning van elect Otto voor het kapittel om een wetering te graven in het veen naast het bos van het kapittel de Vuursche 1239, met bevestiging bisschop David 1461

Het eerste stuk hiervan is als droge greppel noch terug te vinden tussen het Roskammerspoor en de Zevenlindenlaan en zeer vaag in het verlengde hiervan langs de oude hoeve. Op de kaarten is de wetering niet doorgetrokken. Waarschijnlijk komt dat ook overeen met de 17de-eeuwse situatie. De vervening heeft hier de bovenlaag weggehaald. Op grond van de overgebleven relicten valt wel een reconstructie te maken.

Afwatering in een veengebied was dus van groot belang. Veen moest droog gestookt en ook droog verhandeld worden. Het veen werd hiertoe ook eerst te drogen gelegd. Ieder druppel die je van tevoren kon afvoeren was er één minder die je hoefde te tillen. Dat dit tevens hielp een gracht bevaarbaar te maken voor het afvoeren van het zelfde veen, verklaart mede waarom het kapittel bereid was zo’n grote inspanning te doen.

Ook hier geeft de tekst letterlijk een antwoord. Deze wetering liep naast het land van St. Jan aan de Vuursche. Zij vormde de toenmalige grens.

6) 1280 Floris V & Holland

Toen op 6 mei 1280 Floris V van abdis Godelinde van Elten op het kasteel van Vreeland de terra Naerdincklant in erfpacht nam, was de politieke realiteit in de regio voor goed veranderd.

Menig onderzoeker duidt erop dat hiermee een Hollandse wurggreep op het Stichtse territorium vergroot werd en dat strategische belangen uit Utrecht zich hier tegen moesten doen gelden. Een kern van waarheid schuilt hierin, zeker achteraf bezien. Echter, anderzijds is het de vraag of dit toen allemaal zo ervaren werd.

noot 26, 27 afb. 14

Akte-van-verpachting-door-Godelindis-abdis-van-Elten-van-het-land-Naardinkland-met-toebehoren-aan-graaf-Floris-V

De bisschop had zelf enkele jaren eerder hulp van de graaf ingeroepen. De overdracht in 1280 is ook uit te leggen als een gemeenschappelijk optreden tegen de van Amstels als onbetrouwbare, eigengereide lokale machthebbers. Elten kreeg een betrouwbare en invloedrijke leenman, in staat structureel goede inkomsten op te brengen. De bisschop heeft dit ook goedgekeurd.

Utrecht kon voor Holland even goed een partner zijn als een tegenstander. Beiden zouden in de komende tijd rijk en machtig nog worden. De 14de eeuw wordt niet voor niets geduid als de Utrechtse gouden eeuw. In Utrecht is in de middeleeuwen steeds, zo geen Hollandse partij dan toch een Hollandse stroming actief.

Het waren aldus net zo goed interne Utrechtse verwikkelingen als Hollandse pogingen zich te bemoeien die in de komende eeuwen tot narigheid zouden leiden. Wel zou het verloop van deze verwikkelingen en een formeel gerechtvaardigde maar politiek onfortuinlijke claim van de Hollandse graaf, aanleiding geven tot een grote veldslag en hierna een nieuw politieke realiteit voor de Vuursche halverwege de volgende eeuw. Het zou uiteindelijk een verenigde Vuursche geheel onder het Sticht brengen.

7) 1348 Oost Holland & de Slag op het Laapersveld; context en gevolgen

Toen op 4 februari 1394 de eerste leenbrief van de Vuursche werd opgesteld, bestond deze uit twee gedeelten. Het eerste gedeelte noemt Die hofstede toe Drakensteyne enzovoort en een veen daaraan gelegen. Dan volgt item een wech tusschen Vuerzeberch ende Baernerberch also als die gelegen is.

Een op het oog merkwaardige stelling. Een weg tussen twee bergen definieert niet meteen een territoriale leen. Een ander vraag is dan wat wij onder Vuursche Berg en Baarnse Berg moeten verstaan.

noot 28

Het gaat om de Domlaan, of eigenlijk een strook direct ten westen hiervan dat deel uitmaakte van de zogenaamde Negen Roeden, waarvan de buitenste greppel doorloopt tot die Vuursche Berg. Ingetekend op de kaart van de ontwikkeling van de Vuursche kunnen we zien dat het hier de doorgetrokken grens betreft, waarmee het kapittel zijn strook langs de Vuursche Dijk uitbreidde.

Ellen Palmboom heeft geconstateerd dat de Utrechtse kapittels in de loop van de 13de eeuw vele ver weg gelegen eigendommen hebben afgestoten om die te vervangen door bisschoppelijke goederen gelegen bij reeds verworven eigendommen, om hiermee zoveel mogelijk tot een aaneengesloten geheel te komen. Zeer vaak is hier geen overeenkomst van terug te vinden, zo die ooit op schrift gesteld is. De strook tusschen Vuerzeberch ende Baernerberch voldoet volledig aan die beschrijving.

noot 29

Let wel, de bisschop had slechts het land aan zijn zijde van de grens te vergeven. De Vuursche lag over de grens van twee landen. Om even kort door de bocht te gaan, de strijd tussen Utrecht en Holland zou, in elk geval wat Utrecht betreft, hier verandering in brengen.

De slag op het Laapersveld was niet de laatste slag in bisschop Jan van Arkels strijd met Holland en deze strijd zou niet eens de laatste oorlog zijn tussen Utrecht en Holland. Wel heeft het heel Eemnes onder Utrecht gebracht. En wat hun betreft, vanaf de Leeuwenpaal bij Huizen geraaid op de Domtoren een nieuwe grens. Een verenigde Vuursche op Stichts territorium.

noot 30

Niet alleen dit. De Vuursche was tot dan door het kapittel zelf beheerd. De proost van het kapittel, Hendrik van Rijn was voorman van de “pro-Hollandse” factie geweest. Wernaer van Drakenborg was een van de voorlieden van de regerende Lichtenberger factie van het Utrechtse stadspatriciaat.

Deze was al een vervening begonnen direct ten noorden van de Vuursche, het goed Drakenburg.

Voor de winnaars moest het blijkbaar afgelopen zijn met al die onzin.

Proost en kapittel blijven formeel nog na afloop van het conflict in bezit van alle bezit en eerbiedwaardigheden (de middeleeuwer zou zeggen dat St. Jan dit zelf bleef, met het kapittel slechts als zijn aardse dienaren). Wel zijn zij gedwongen, na de strijd de Vuursche aan van Drakenborg ter exploitatie te geven in 1359. Eerst 28 jaar “op proef” en hierna in erfpacht. En daar zat het echte geld in. En daarmee in de praktijk de politieke macht.

noot 31

De van Drakenborgs waren politiek veilige handen op Utrechts landroute naar de Eem. De vrouwenklooster van Oostbroek viel de eer toe aan de rand van hun in 1307 van bisschop Guy van Avesnes gekregen gebied, tegen de Vuursche aan, een stukje land te beschikking te geven om een nieuw sterkte te bouwen. Wellicht was dit nog een schoffering van het Kapittel. Drakensteyn zou samen met het reeds door hem gebouwde Drakenburg en kasteel Ter Eem reeks sterkten vormen, in beheer van burgerridders uit Utrecht, die toegang tot en controle op de Eem moesten garanderen en tevens een oogje in het zeil van de beide Eemnessen kon houden.

Hendrik zou de rest van zijn leven tot 1363 proost blijven en heeft ons een memorietafel met zijn portret nagelaten (oudste van Noord-Nederland!). De klimmende leeuwen op de vergulde tegels hierop verwijzen zowel naar het wapenschild van de familie van Rijn als impliciet naar Holland. Hij zou wel de laatste proost zijn die als locale kerel vanuit hun midden door het kapittel gekozen zou worden. Maar dit was sowieso de trend, kerkelijke machtposities werden vergeven door de paus als uitvloeisel van de internationale politiek.

Hendrik van Rijn op zijn memorietafel uit 1363

.

Bisschop Jan zou de eerste 14de eeuwse bisschop zijn die geen eigen memoriedienst in de Utrechtse St. Janskerk zou krijgen. Wel is hij driemaal afgebeeld op de stadswapen van Eemnes, één voor elke aanslag op de stad!

Wernaers zoon Frederik zou als eerste in 1387 de leen in eeuwige erfpacht krijgen.

De orde was voor wat het bisdom betreft hersteld en na verloop van tijd zou niemand meer anders weten.

noot 32

8) 1460 Hendrik van Amersfoort & Baarn

De van Amersfoorts, later de van Stoutenburgs zijn eerder in de middeleeuwen de machtsfactor in het Eemland, met vele rechten en voorrechten. Na verloop van tijd verliezen zij steeds meer hun machtsbasis.

Al in 1310 heeft Evert van Amersfoort de tienden van Baarn moeten afstaan aan het kapittel van St. Jan. Over nieuw uit te geven tienden, de zogenaamde novale tienden ontstaat een conflict met bisschop Jan van Arkel, opgelost in 1346, waarbij het kapittel voor deze belooft voor de bisschops voorgangers gezamenlijk en na zijn overlijden mede voor hem (!) een jaarlijkse memoriedienst te houden.

noot 33

Baarn was niet de Vuursche. Maar ze hadden natuurlijk wel met elkaar te maken. De van Amersfoorts hadden nog een oude claim op een gebied ten oosten van de Vuursche. Op de kaart van 1597 is deze aangeduid met Die hondert merghen, op de kaart uit 1625 met vossenberch. Wij kennen het als de Stulp en het aangrenzende Pluismeer.

Toen dit geregeld was, kon in 1464 een overeenkomst opgesteld worden ter vervening van het gebied tussen kapittel, de van Drakenborgs en die van Baarn. Dit schijnt met enig voortvarendheid ter hand te zijn genomen. Veen was een uiterst gewild product.

Hier is ook voor het eerst sprake van de Negen Roeden aan de limieten van de heerlijkheid.

noot 34, 35

9) Tussen 1597 & 1625

Hiermee had de Vuursche haar omvang gekregen zoals Francois de Latere die in 1597 zou optekenen. De politieke wereld was echter totaal veranderd. De betekenis van een heerlijkheid was veranderd. Er was een proces in werking getreden van receptie van romeins recht in het oude gewoonte recht. Tevens was er een grote dynamiek in sociale en politieke verhoudingen. Het kapitaal van het kapittel was niet meer eigendom van St. Jan de Doper voor de eeuwigheid maar van de Staten van Utrecht als soeverein zolang men nog niet tot privatisering overging.

noot 36

Er was natuurlijk heel veel gebeurd. De kaart verwijst naar veel van de 16de eeuwse incidenten. Riddermatigheid was niet meer hetzelfde als toen het er militair daadwerkelijk op aan kwam. Inmiddels was de heerlijkheid ook even verdeeld geraakt tussen de Vuursche & het land van Drakensteyn en Wernaers Hofstee maar zou uiteindelijk snel weer verenigd worden.

De aanvang van de 17de eeuw was een fluïde tijd waar culturele, religieuze, staatkundige en juridische zaken zich snel ontwikkelden.

De kaart van rond 1625 geeft nader beschouwd in drie aspecten een ander territorium aan.

Hoewel beide kaarten de Negen Roeden aangeven, heeft de tekenaar van de ±1625 kaart het oostelijke gedeelte direct aan de Vuursche Dijk geplaatst. Hierbij heeft deze ruim 44 morgen aan Baarn laten toevallen. Ik heb nog geen stuk hiervan teruggevonden hoewel die er ongetwijfeld geweest moet zijn. Wel was het aan die van Baarn ter exploitatie gegeven.

Het betreft hier echter waarschijnlijk in 1625 uitgeveend, schrale heide zonder al te veel waarde.

noot 37

Ooit was de omschrijving van de heerlijkheid verbonden aan de lijn tussen de Vuursche en Baarnse Berg. Deze omschrijving komt in 1611 nog voor. Dit is blijkbaar niet meer zo belangrijk in de 17de eeuw. Als eigenaar Ernst van Rheede in 1637 de heerlijkheid opdraagt aan de prins van Oranje, in de hoedanigheid van graaf van Buren om het in leen weer terug te krijgen, luidt de omschrijving: gelegen tussen de dorpen Baarn, Soest, Oostveen en Hilversum, ten dele (!) in het Gesticht van Utrecht.

noot 38, 39

Hieruit voort komt tevens een verschil tussen de twee kaartmakers wat het zogenaamde Vrouwenland van Oostbroek betreft. De Lattre gaat uit van één streep lopende van de Baarnse Berg over de Vuursche Berg recht op Wernaars hofstee. Die lijn, achter de Stulp langs, is nog goed te traceren op de topografische kaart heden ten dage. De kaart van 1625 lijkt dus de Vuursche dijk aan te houden, of een smalle strook hieraan parallel. Dan kom je op de welbekende Zes Wegen uit. Hiermee heeft Vrouwenklooster een groot taartpunt tussen de Stulpselaan en Vuursche Dijk (Zevenlindenlaan) erbij gekregen, hetgeen zij altijd tot het hunne hadden gerekend. Tot de eerste helft twintigste eeuw heeft aan de Zes Wegen een grenspaaltje gestaan, die voorkomt op een paar oude ansichten.

paal aan de Zes Wegen

.

Wel zien we op de kaart van ±1625 in het noordwesten een nieuw claim. Het Laapersveen groot 15 morgen. Veen en dus wel van waarde. In 1609 geeft de rentmeester van de Vuursche, Kristoffel de Neckere ene Jacob Jacobs toestemming veen te graven op het door deze gekochte land aan de Laapersweg in de Negen Roeden. Had hij deze wel mogen geven?

In 1564 zijn de Negen Roeden aan Baarn in eigendom toegevallen, na gerechtelijk uitspraak. Het land zou dus hier in het zuiden aan de vierdel eigenaars moeten vallen, ten noorden van de weg aan Baarn. Ook hier heb ik geen duidelijk overdracht of iets teruggevonden. De kaartmaker onderscheidt deze veen expliciet van de Vuursche. Hoe dan ook, deze claim heeft redelijk stand gehouden. Op één morgen in het zuiden en één morgen in het noorden na heeft deze veen tot de opheffing van de gemeente deel uitgemaakt van de Vuursche.

noot 40

10) Verdere ontwikkeling van het grondgebied van de heerlijkheid de Vuursche

Het territorium beschreven op de kaart van rond 1625 wijkt behoorlijk af van de latere grenzen van de gemeente de Vuursche. In het noorden is een groot stuk weg en in het zuiden heeft de Vuursche een flink stuk erbij.

Voor wat het noorden betreft het volgende. Het herstel van het stadhouderschap in 1672 vormde eigenlijk een revolutie in Nederland. De politieke verhoudingen werden danig omgegooid. De prins van Oranje, graaf van Buren werd het centrum van de macht, zoals in de Republiek nog nooit het geval was geweest. In 1674 kocht hij het huis op Soestdijk. Uit dankbaarheid werd hem de hoge, middelbare en lage heerlijkheid vergund van Soest, Baarn, Eembrugge en de beide Eemnessen.

De jacht was zo gezegd echt zijn ding. In 1681 heeft hij zijn jachtgebied afgepaald. Twee kringen heeft hij doen instellen, de wijdere Vrijheid van Jacht en de kleinere Privatieve of Keuken Jacht van Soestdijk. Ten behoeve van deze laatste heeft de prins zich verwaardigd een grote hap van de schrale heide in het noordelijk gedeelte van de Vuursche hierbij te betrekken. Als leenheer had hij hier misschien formeel wel het recht toe. In elk geval wel de macht toe. Voor de heer van de Vuursche, of wie dan ook, was het politiek niet bepaald handig geweest zich tegen zo’n redelijk verzoek te verzetten in 1681. En zoals gezegd, het land was verder niet meer van veel waarde.

Een leenheer betaamt het natuurlijk niet van zijn leenman een stuk land als achterleen te aanvaarden. Het stuk land dat hij voor deze hobby behoefde kwam aldus aan Baarn, waarvan hij dus reeds heer was geworden in 1674.

noot 41

Voor wat het land in het zuiden betreft, waar reeds eeuwen de heerlijkheid de Vuursche het van het vrouwenklooster van Oostbroek in leen hield, blijkt heel laat in het ancien regime, namelijk in 1797 de erfpacht te zijn afgekocht. Dit land kwam hiermee aan de heerlijkheid en maakte even later dus deel uit van de gemeente de Vuursche.

noot 42

gemeente De Vuursche begin 19de eeuw

Welke Provincie?

Op onze kaarten is er nergens sprake van een provincie grens. Sinds de middeleeuwen was de Vuursche politiek en economisch gericht op Baarn en Utrecht. Niemand kon erkennen dat er ooit een grens liep. Ondanks de inspanningen van Karel V was men er onderling aan het begin van de 17de eeuw het er nog niet over eens. Ernst van Rheede maakte de heerlijkheid in 1634 allodiaal, kocht het vrij van het kapittel, om in 1637 het op te dragen aan de prins van Oranje als graaf van Buren. In de leenbrief wordt de Vuursche omschreven als gedeeltelijk staande in Holland. Verschillende kaarten uit de 17de eeuw bevestigen dit. Er wordt een lijn getrokken van de plaats van de beuk op de Hoge Vuursche naar Drakensteyn (men was immers de hof van Elten in 1472 “kwijtgeraakt”) en vanaf hier naar het uiterste van het Gooiersbos.

Volgens dit lag het kasteeltje nu eigenlijk in Holland. Had bisschop Guy dan in 1307 het Vrouwenklooster beleend met Hollandse bodem? De staten van Utrecht kennen Drakensteyn in 1671 wel de status toe van ridderhofstad. Deden zij dit aan een extraterritoriaal gelegen goed?

In hun beleving was dit nog altijd Utrecht, net zoals het Baarns territorium in het westen, Baarnsveen. Ook de vierdels ten westen van de Vuursche, die onder drie verschillende gerechten vielen, waren wat hun betreft Utrechts.

Kaartmakers, ook al betrof het een kaart van het Sticht, hielden zich vaak aan de Hollandse conventie. Volgens deze lijn zouden dus eigenlijk vijf verschillende gerechten zich gedeeltelijk in Holland bevinden. Maar de facto waren deze allen volledig Stichts. Pas in 1719 komt er uiteindelijk een aller definitiefst wederzijdse overeenkomst tussen ’t Sticht en Holland over de grens, die wordt gevierd met de aanleg van de serie Leeuwenpalen tussen Huizen en Loosdrecht. Het Sticht had deze eeuwendurende strijd ten langen leste gewonnen.

Noten

1)

Collectie Hingmans Nationaal Archief Den Haag:

VTH 3018 Kaart van de heerlijkheid de Vuursche. 1597 Afmetingen 0.44 x 0.41 m

Manuscript

VTH 3019 Kaart van den polder de Vuursche. 16de eeuw. Afmetingen 0.42 x 0.30 m

Manuscript

2)

Onder andere onlangs Groeneveld in Tussen Vecht & Eem 2014. Hij paste een projectie methode toe.

3)

Van het huisarchief van de Vuursche zijn in de jaren vijftig & zestig van de twintigste eeuw films gemaakt die sinds kort via het internet toegankelijk gemaakt zijn.

http://www.hetutrechtsarchief.nl/collectie/archiefbank/archieftoegangen/zoekresultaat?mivast=39&mizig=210&miadt=39&micode=635&miview=inv2

of gewoon even googelen. Het betreft een zevental films.

Hiernaar wordt verwzen met Ha(huisarchief)[filmnummer-fotonummer]

Deze hebben het meest bijgedragen. Verder heeft het nationaal Archief, enkele streek archieven, historische kring en zelfs kasteel Groeneveld te Baarn informatie aangeleverd. Waar het onderzoek naar particuliere eigenaars van de vierdels betreft is het vooral een kwestie van zoeken, vooral op het internet.

4)

Ha[2-585]

5)

Actule Hoogtebestand Nederland:

http://ahn.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=c3c98b8a4ff84ff4938fafe7cc106e88

6)

Hisgis project van de Fryske Akademy:

http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/utrecht/utrecht-1/Historisch-grondbezit-utrecht

7)

Nationaal archief Den Haag Grafelijkheid van Holland, Rekenkamer, toegang 3.01.27.02, no. 755f.

8)

Algemeen Rijksarchief Utrecht. Studiezaal en bibliotheek Alexander Numankade 199

Open: di t/m vr: 09.00 – 17.00 uur. Donderdag tot 21.00 uur

Postbus 131 3500 AC Utrecht (030) 286 66 11

T: (030) 286 66 11 – of deze reactieformulier

9)

Streekarchief Gooi en Vechtstreek

Oude Enghweg 23, 1217 JB

Postbus 9900 1201 GM Hilversum

tel. 035-629 26 46

e-mail: streekarchief@hilversum.nl

10)

Gemeentearchief Gooise Meren en Huizen

Bezoekadres: Cattenhagestraat 8, 1411 CT Naarden

tel. 035-2070 999

e-mail: gemeentearchief@gooisemeren.nl

Postbusadres: Gemeente Gooise Meren Postbus 6000 1400 HA BUSSUM

11)

Postadres Historische Kring Baerne

Postbus 326 3740 AH Baarn

Bezoekadres Oudheidkamer (toegang gratis)

Hoofdstraat 1a 3741 AC Baarn

(035) 54 303 77 (tijdens openingsuren)

Openingstijden: woensdag 14 – 16 uur , zaterdag 11 – 13 uur.

Algemeen e-mail adres: info@HistorischeKringBaerne.nl

12)

http://www.delpher.nl/

13)

Kanttekeningen, Bakker, Baarn 2004 blz. 10

14)

Congres 8 juni 2012 over middeleeuwse hoven in Nederland;

Jan van Doesburg De hof van de Hamalandse graven in Appel (gem. Nijkerk)

Tevens Westerheem-special “Graven in Holland” 2012

15)

Proces verbaal van de informatie, 23 juli 1449;

afgedrukt bij Middeleeuwsche Rechtsbronnen van Stad en Lande van Gooiland, Enklaar, Utrecht 1932 blz. 35

16)

bijvoorbeeld Verklaring schepenen en gemene buren Eemnes 20 october 1339;

afgedrukt bij Middeleeuwsche Rechtsbronnen van Stad en Lande van Gooiland, Enklaar, Utrecht 1932 blz. 12

17)

Kaart aanwezig in map Nationaal archief Den Haag Grafelijkheid van Holland, Rekenkamer, toegang 3.01.27.02, no. 755f.

18)

Kaart behandeld in Nederlandsch Archievenblad 1932, Enklaar blz. 185

19)

origineel Utrechts Archief (kapittel van St. Jan, 940-1.) (regel 6)

20)

Oa. behandeld in Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel 1, Koch, ’s Gravenhage 1970;

De heerschappij van de Proost van St. Jan in de Middeleeuwen, Doeleman, Zutphen 1982;

Het Kapittel van St. Jan te Utrecht, Palmboom, Hilversum 1992.

21)

Over de ontwikkeling praktijk van het vroege christendom heeft onder andere Georges Duby veel geschreven. Een inzichtelijk boek van zijn hand is bijvoorbeeld Ridder, vrouw en priester.

22)

Naruthi wordt omstreeks 900 vermeld op de Heberolle (Grondboek) van de abdij van Werden, gedrukt bij Ernst Friedländer, Ostfriesisches Urkundenbuch (Band 2): 1471 – 1500 Anhang A Die Heberegister der Abtei Werden (v.a. blz. 772) (1881): An Naruthi thiu kirica endi kiricland fan Almeri te Tafalbergon

(Bij Naarden de kerk en kerkland van het Almeer tot de Tafelbergen)

23)

In Tussen Vecht en Eem 2010 De Sint-Vituskerk op het Sint-Janskerkhof te Laren, Harry van der Voort

24)

Aanwezig te Utrecht; Overeenkomst tussen proost en kapittel en het klooster te Elten over de collatie bij toerbeurt van het personaat van Naardingerland, (1176-1186) NL-UtHUA_A70648_000001

25)

Aanwezig te Utrecht; Vergunning van elect Otto voor het kapittel om een wetering te graven in het veen naast het bos van het kapittel de Vuursche 1239, met bevestiging bisschop David 1461 NL-UtHUA_A70633; derde regel heeft de tekst.

26)

Hier afgebeeld is 3.01.01 4.1.07 1124 Akte van verpachting door Godelindis, abdis van Elten, van het land Naardinkland met toebehoren aan graaf Floris V voor vijfentwintig pond Utrechts jaarlijks. 1280 mei 6; Gedrukt: OSU., IV, 2031. Kruisheer, OHZ., IV, 1903. Aanwezig te Den Haag

27)

Bijvoorbeeld in Oorlog om Holland, 1000-1375, de Graaf, Hilversum 2004

28)

Repertorium op de Stichtse leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), Maris, ‘s-Gravenhage, 1956. blz. 24.

29)

Het Kapittel van Sint Jan te Utrecht, Palmboom, Hilversum 1995 blz.307.

30)

De slag wordt voor het eerst beschreven bij JOHANNES DE BEKE,CRONIKEN VAN DEN

STICHTE VAN UTRECHTENDE VAN HOLLANT; Uitgegeven door Dr. H. BRUCH, ’s Gravenhage 1982.

De Bekeschrijft:

” In den jaer m ccc xlviii des achtendaghes na sunte Margarieten daghe, alse die vrede ende ghenomen hadde tusschen Hollant ende den ghestichte, toech bisscop Jan uut mitter stat van Utrecht op een velt bi Emenesse, dat Lapers hiet, daer hem die Hollanders stoutelike tieghens quamen, mer si verloeren den strijt. Daer bleef ghevanghen haer Melis van Mijnden ende vele goeder lude mit hem, daer die bisscop groten scat of hadde, ende vele bleven daer doot ende ghevangen van Emenesse, sodat si bi node horen nywen name mosten oflaten, dat si Oosthollant hieten, ende nemen horen ouden name weder ende bliven bisdomer, als si tevoren waren.”

Een kernachtige opsomming van de gebeurtenissen met betrekking tot dedirecte omgeving is te vinden in de Kroniek van Eemnes door Jan Oud:

http://www.historischekringeemnes.nl/KRONIEK%20EEMNES%20(HKE).pdf

Voor een grotere context zijn diverse bronnen, onder andere Oorlog om Holland, 1000-1375 Ronald P. de Graaf 2004

31)

transcript Ha[2-487]

32)

transcript Ha[2-490]

33)

Archief van het Kapittel van St. Jan te Utrecht nr. 79 (14 juni 1310)

34)

Archief van het Kapittel van St. Jan te Utrecht nr. 7 folio 72 verso-73 recto (01 februari en 21 april 1464)

35)

Archief van het Kapittel van St. Jan te Utrecht nr. 146 folio 206-207 (11 februari 1550)

36)

Over het proces van receptie van het Romeins recht geeft Voortgangh des Rechtes, Gerbenzon en Algra, Groningen 1972 een vrij heldere uiteenzetting.

37)

transcript Ha[3-72-76]

38)

transcript Ha[3-14]

39)

transcript Ha[3-11-13]

40)

transcript Ha[4-175-176]

41)

Lyste van Paalen en Beschryvinge van Dezelven Uitmaakende de Jacht van het Koninglyke Lust-Huis Soest-Dyk, Langerak Oosterland en Praalder, Utrecht 1789; ook beschikbaar op Delpher

42)

vermeld Ha[1-177]