Twee oude kaarten van de Vuursche uit de collectie Hingman in het Nationaal Archief te Den Haag.
Deel 3
Een Tour over de Vuursche
Yankel Kobalowitz
Inhoudsopgave
Het Zuiden
Wernaars Hofstede
Everts Huis
Wolfsdreuvik
Inham
Berechge
De VII morgen van Claes van Zuylen van der Haer
Buuten Gruppel
Wernaarsweg & de Nieuwe Weg
Punt a
Het Noordwesten
Laapersveen & Laapersveld
Laaperswegen
Gooier Schans
Ravesway
Jan Hubertsveen
Het Noordoosten
De Negen Roeden
Galg & Rad
— Galg & Rad, waar
— Galg & Rad, waarom
— Galg & Rad, waarom hier
— Galg & Rad, oorsprong
De Vuursche Dijk
De Noordelijke Erven
Het Oosten
Honderd Morgen, Vossenberg, 200 of 130 morgen
De Sloot naar de Veenhuizen
Nonnengrup
De Poel
De hoeve aan de Sloot naar de Veenhuizen
♥Hert
linkje naar deel 4
Noten
Een Tour over de Vuursche
Nu we een zo goed mogelijk context geschapen hebben, zowel fysiek als inhoudelijk, zijn we nu in staat al hetgene de kaarten ons mededelen te duiden. Van sommige dingen is meer te vertellen dan andere. Soms valt een kort verhaal te vertellen of is er aanleiding tot enkele historische hypotheses.
Hierbij komt het grote centrale gedeelte van de Vuursche nogal bekaaid er vanaf. We weten door de 1625 kaart wel hoe ver de oude Laapersweg van de Zes Wegen in het zuiden tot de inschinkeling in het noorden loopt. Veel meer informatie geven de kaarten echter niet en derhalve valt er niet meer in het kader van ons onderzoek erover mede te delen.
We zullen de rest van de heerlijkheid buurtgewijs nalopen.
Het Zuiden
Dit is de business end van de heerlijkheid. Er valt wel iets over te vertellen.


.
Wernaars Hofstede
Wernaars Hofstee, oftewel Drakensteyn, kortelijk ook Suylensteyn genoemd, is rond 1360 gebouwd door Wernaar van Drakenborg en heeft mede naam gegeven aan de heerlijkheid. Dit versterkte huis heeft oorspronkelijk nog militair-strategisch en politiek belang. Het was het administratieve centrum van de heerlijkheid en bood bescherming en een controlemogelijkheid.
noot 46
We mogen het huidige Drakensteyn niet gelijkstellen met het oude. Het huidige Drakensteyn, woning van HKH prinses Beatrix, voormalige koningin der Nederlanden, is in de jaren 1640 door Gerard van Reede, zoon en opvolger als heer de Vuursche en Drakensteyn van Ernst van Rheede. Gerard herbouwt Drakensteyn in de vorm van een achtkantig landhuis.
Er zijn voor wat het oude Drakensteyn betreft enkele zaken waarover onenigheid bestaat. Ten eerste wordt getwijfeld over de plaats van het oude Drakensteyn. Men voert hierover aan dat op enkele oude kaarten het kasteeltje is afgebeeld staande op een heuvel. Die is er nu niet, wel even verder op, ongeveer 200 ten noordoosten van huis huidige huis. Hoewel het terrein niet toegankelijk is, weten we dat we het hier hebben over de oude ijskelder van Drakensteyn. Dit sluit niet uit dat hier ooit een toren heeft gestaan. Er is misschien net ten zuiden hiervan een verdwenen hoogte. Ook zijn enkele heuveltjes ten noorden, dit zijn grafheuvels.
noot 47
Mijn inziens bevestigen onze kaarten echter dat Wernaars Hofstee op dezelfde plaats stond, waar nu Drakensteyn staat. Er zijn ook nog andere aanwijzingen hiervoor.
Een eerste bewijs op de 1597 kaart is dat de grenslijn van de heerlijkheid, de buuten gruppel, nu de zuidzijde van de Koudelaan precies in lijn is met de gracht om Drakensteyn. Op de Lattres kaart is deze welbeschouwd met de tweede gracht.
Nu is dit op zichzelf geen bewijs. Andere zaken op de kaart blijken vaak slechts in de buurt getekend te zijn van waar we ze in werkelijkheid kunnen terugvinden. Wel moet geconstateerd worden dat wanneer de maker op de Vuursche verkeerde, hij die greppel en grachten iedere dag zag. We weten dat de derde gracht in 1569 is gegraven. Vóór die tijd was de zuidgrens geraaid op de buitenste gracht van Wernaars Hofstee.
noot 48
Ten tweede bied de tekening uit 1625 weliswaar weinig houvast, te overdreven getekend. Wel heeft de maker enkele maten nauwkeurig genoteerd. Bij hem staat te lezen : Deze Polder bij Warnaer: is lanck 200 Roij:n en(de) 75. Dit komt op een paar meter na overeen met de lengte van de uiterste hoek van de Vuursche aan het eind van de Koudelaan en de gracht van Drakensteyn.
Op oudere topografische kaarten is een restant van een buitenste gracht te vinden. Als we deze in gedachten rondom trekken dan klopt die afstand precies. Een alle afstanden en oppervlaktes op zijn kaart blijken goed traceerbaar. Het zou nog kunnen dat deze lengte wel naar de hoek bij Drakensteyn verwijst maar dat de toren daar niet stond en dat Drakensteyn later daar wél gebouwd is. Dat zou erg toevallig zijn.

.
Een derde bewijs is die buitenste greppel. Op de hoogtekaart lijkt deze nog net waarneembaar. Maar goed, twee is geen drie. Een heuvel is iets anders dan de kleine diepte waar Drakensteyn nu in ligt.
Willen we aannemen dat Wernaars Hofstee hier niet gestaan heeft dienen we dus aan te nemen dat de oude toren niet op de grenshoek stond en toch drie grachten had, die allemaal zijn opgevuld, terwijl de heuvel wel of niet nog staat én dat op de nieuwe plaats, dat eerst nog van belang was als grensbepaling, alsnog gebouwd werd én dat ten minste anderhalve gracht weer eromheen is gegraven. Nog steeds mogelijk, steeds minder waarschijnlijk.

.
Een vierde bewijs is voor mij doorslaggevend en zal mij tot een verrassende conclusie leiden en een hypothese die ons van die heuvel af helpen.
Beschouwen we Drakensteyn vanuit de lucht. In elk geval valt ten eerste op dat de gracht rond het eilandje niet erg strak is gegraven. Het doet eerder middeleeuws aan dan gouden-eeuws. Maar hierbij valt de excentrische ligging van het huis op het eilandje op.

Om te accepteren dat Drakensteyn op een volledig nieuw plaats is opgetrokken, moeten we aldus er van uitgaan dat deze rijke 17de-eeuwer zijn oude toren gesloopt heeft, de greppels gestort heeft, vervolgens één of twee ronde grachten opnieuw heeft gegraven. Dan bouwt hij een prachtig symmetrisch octagonaal huis, dat hij vervolgens NIET midden op het speciaal hiervoor gemaakte eilandje plaatst. Hij heeft dan bovendien de binnenste gracht erg ruim bemeten en onregelmatig voltooid.
Indien dit zo gegaan is, hoop ik dat iemand slimmer mij kan uitleggen waarom. In mijn ogen geeft de situatie een evolutie weer en is het niet een strak geheel dat op een planmatige aanleg duidt.
Dit gezegd hebbende, hoe valt dan dat meermalen onafhankelijk van elkaar waargenomen heuveltje te verklaren?
Ik heb een hypothese die alles zou kunnen verklaren. Deze is tevens verifieerbaar.
De van Drakenborgs, oorspronkelijke bouwers van de hofstede hadden in de buurt nog een hofstede, namelijk Drakenburg. Hier is recentelijk enig archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het is waarschijnlijk dat in eerste aanleg we met een der eenvoudigste kasteelmodellen te maken hebben, de begraven hofstede.
noot 49
In essentie bestaat die uit vier stevige muren, vaak niet meer dan twee of drie verdiepingen met een redelijk beperkt vloeroppervlakte, soms slechts 5X5 meter. Deze “particuliere” kasteeltjes boden veiligheid tegen rondtrekkend gespuis maar beslist geen ridderlijke luxe. Er was vaak een boerderij aan verbonden waar het geld verdiend werd.

.
Deze torens werden menigmaal geïncorporeerd in het latere “echte” kasteel dat hieruit kon ontstaan. Dit is te zien bij Drakenburg op een tekening uit 1750 waarbij de oude toren als centrale toren is opgenomen in het geheel, waarbij het ook flink verbouwd is over tijd om aan de eisen en wensen van die tijd te voldoen. De grondvlak, die als laatste overblijft kan je wel terugvinden.

.
Hoek heeft in de jaren zestig uitgebreid studie naar deze torens gedaan in het maasmondgebied. Er zijn enkele eigenaardigheden verbonden met deze type torens. Oorspronkelijk hadden deze torens een ingang op de eerste verdieping. Wel zo handig als je jezelf en datgene wat je het dierbaarst en kostbaarst was wilde afsluiten van de buitenwereld. Een bijkomend eigenaardigheid was in ons platte en natte land om een gracht eromheen te graven en de vrijgekomen grond tegen de toren aan te leggen. Dubbele omgrachting kwam ook voor. Hier komt dus de term begraven hofstede vandaan. Op zo’n manier werd een kelder gecreëerd die, omdat die boven(op) het maaiveld lag, altijd droog bleef. De omringende gracht hielp natuurlijk ook de weerbaarheid te vergroten. Deze opgeworpen “heuvels” verdwenen meestal na verloop van tijd. Zij bleken onpraktisch zoals ook die ingang op hoogte en de gracht eromheen.

Een gave voorbeeld heeft Hoek onderzocht bij Vlaardingen, het oude torentje van de voormalige heerlijkheid Holy. Hier op de Vuursche was wellicht de druk de toren aan de eisen van de tijd aan te passen minder groot. De woonfunctie werd zolang beiden in dezelfde handen waren waarschijnlijk door Drakenburg vervuld, dat al vroeg als “riddermatig” wordt beschouwd. Ter plaatse lag het bedrijf aan de overkant van de weg. Dit relatieve isolement zal ertoe bijgedragen hebben de toren te laten zoals het was en heeft integratie met de rest van van het bedrijf tegengehouden.

.
Hiermee heb ik dan toch een heuvel “onder” de toren aangebracht. Dit verklaart dan ook het oudere voorkomen van de ringgracht, dat deze niet een gave cirkel is. Echter niet de excentrische ligging van het nieuwe huis.
Ik vermoed dat het volgende is gebeurd. De tegen de toren opgeworpen grond is terug gestort in de binnenste ringgracht (of als veen alsnog opgestookt waarbij er zand uit de buurt gehaald moet zijn om de gracht te vullen). De toren, die midden op het kleine eiland had gestaan is rond 1640 uit praktisch motief hierna geïncorporeerd aan de achterzijde van het nieuwe huis. Of en hoeveel van de oude toren in de resterende muurwerk is gebruikt, weet ik niet. De vloerplan van souterrain, begane grond en verdieping kunnen een aanwijzing kunnen geven.

.
Nu weet ik dat in 1963 bouwkundig onderzoek is gedaan naar het huis. Hieruit kwam naar voren dat de oudste gedeelten van het huis teruggaan naar de jaren 1640. Maar er is in elk geval geen archeologisch onderzoek geweest. Ik vraag me af of men toentertijd zich tot de stijlkenmerken heeft beperkt of dat men echt in de muren is gegaan. Als ik de foto van de kelder bekijk, kan ik me voorstellen dat die dikke muren onder de boog een afwijkend baksteenformaat zouden kunnen hebben. Dendrochronologisch onderzoek zou ook interessant zijn. Ook zou op de achterkant van het eilandje archeologisch een binnenste ringgracht moeten zijn vast te stellen. Of uit te sluiten..
De komende jaren is zulk onderzoek onmogelijk en laten we hopen noch vele jaren. Maar ooit in de toekomst zouden we helderheid hierover kunnen krijgen.

.
Everts Huis
Op de ±1625 kaart staat Everts Huis vermeld. Evert Hendriks was oud-schout van Oostveen toen hij op 15 december 1553 van Johan van Culemborgh de boerderij huurt aan de overkant van Wernaars Hofstee. Dit wordt herhaald op 14 februari 1563 in een overeenkomst met Karel van Bourgondië voor 10 jaar. Het was een gemengd bedrijf dat land over een groot deel van de Heerlijkheid omvatte. Ook zou hij de wallen over de Vuursche hebben aangelegd. Zijn functie beklijfde hem, hij wordt menigmaal eenvoudigweg Schout Evert genoemd.
noot 50
Waarschijnlijk werd dit huis vaker aan de schout op de Vuursche verhuurd. In de archieven is sprake van het Heren Erf. Deze is bijvoorbeeld in 1514 verhuurd aan Jacob Jacobs van Aken, die schout was op de Vuursche tot zijn ontslag in 1551, ongeveer 80 jaar oud.
noot 51
De huidige boerderij is volgens de gevelsteen staat in 1817 gebouwd, in 1940 door brand verwoest en in 1942 herbouwd. Ter linkerzijde is het oude bakhuis, gebouwd in de tweede helft van de 18de eeuw. De oorspronkelijke boerderij moet onder of nabij deze gebouwen archeologisch gezocht worden.
Wolfsdreuvik

Het is waarschijnlijk slechts aan een incident in 1569 dat wij op kaarten de opvallende vermelding van de Wolfsdreuvik te danken hebben. Schout Evert had een schaapsherder in dienst uit Maartensdijk, Jan Simons omtrent 90 jaar oud. Toen hij op een dag nabij deze Wolfsdreuvik zijn schapen aan het weiden was, hebben enkele mannen uit Naarden een twintigtal schapen gestolen. Dit heeft een flink juridisch dossier opgeleverd. Op de achtergrond speelde ook nog steeds verschil van mening of het hier Gooiland of Utrecht betrof. Daar hoeven wij hier niet op in te gaan.
noot 52

Er is één terrein dat in aanmerking komt hiervoor, een klein merkwaardig terrein iets ten oosten van de Kloosterlaan. Aanvullend bewijs hiervoor is te vinden op kaart 2584 van de collectie Hingman. Daarop zijn annotaties aangebracht door landmeter Sibrandt Hansz. Hoewel de Wolfsdreuvik zelf niet op de kaart voorkomt, zijn wel twee afstanden genoteerd. Van de Wolfsdreuvik tot het Gooiers Bos is de afstand 460 roede, hetgeen klopt. Tot de Laapersweg bedraagt de afstand 400 roede. Dit moet de oude Laapersweg zijn, je komt dan uit op die kaart bij de plaats van het kruis, op de 1597 kaart boven de inschinkeling, op het noordelijkst van de heerlijkheid.
noot 53
We kennen uit de geschiedenis twee dreuviks. Hun oorsprong is nogal verhuld in mysterie. De Hoge Dreuvik heeft ergens op de Trompenberg gelegen en is als naam overgegaan op die berg totdat het zijn latere naam kreeg.
We hebben er dus twee overgeleverd. In latere tijd zijn het beiden buurtnamen geworden. De Hoge Dreuvik werd Trompenberg en wellicht heeft dit men op het idee gebracht de Wolfsdreuvik aan de Hoge Vuursche te plaatsen. Beiden hebben ook naam gegeven aan huizen, de Hoge Dreuvik aan een villa aan de Bergweg in Hilversum, Wolfsdreuvik is een klein twintigste-eeuws “jachtslot” in het Smithuyserbos. In deze omgeving, ergens op de provinciegrens heeft Perk het als veldnaam geplaatst.

Het terrein van de Wolfsdreuvik heeft nog maar weinig aandacht gehad. Het veldje is omwald van binnenuit maar zonder greppels, waardoor het een kuil is. Het heeft een toegang gehad in de zuidwest hoek. Tot halverwege de twintigste eeuw is het als veldje onderhouden en als zodanig op topografische kaarten terug te vinden. Tegenwoordig is het onder een flinke houtopslag aan het oog onttrokken.
Nu vastgesteld kan worden dat een dreuvik een specifiek terrein kan zijn, is het de vraag wat voor terrein. Het ontbreken van greppels doet twijfelen of het ooit bedoeld is om beesten erin of buiten te houden. Dat hier de laatste wolf is gezien, kan niet worden uitgesloten maar lijkt vrij ver gezocht. Dat verklaart natuurlijk ook niets over wat voor functie het terrein gehad moet hebben. Bijenschansen hebben als dusdanig ook geen greppels maar hoewel die op de Vuursche wel geweest moeten zijn (zonder bijen geen boekweit!) is het terrein daarvoor wel erg ruim bemeten en zou je zoiets dichter op de akkers verwachten.

Het terrein heeft de kenmerken van een kuil voor buurspraak. Voor de invoering van de schepenrechtspraak in de Hollandse tijd was dit de wijze waarop de Gooise mannen “autonoom” over het gemeenschappelijke vergaderden. Het was vooral een verschijnsel van markenorganisaties. Ooit bestonden deze als dusdanig nog niet formeel. Hun taak en de betrokkenen echter wel. In verschillende marken zijn deze vergaderingen nog lang naast het schepenrecht blijven bestaan voor zaken die iedereen, met name financieel aangingen. In het Gooi is er nog tot de Franse tijd buurspraak gehouden.
noot 54
Zo’n vergaderplaats kon verbonden zijn aan een dorpsgemeenschap of aan een groter geheel. De Gooise dorpen kunnen ooit allemaal een vergaderplaats gehad hebben. Dit zouden dreuvikken geweest kunnen zijn. Maar hier weten we absoluut niets over. Etymologisch is het begrip ook niet evident. Er schuilt wellicht in dreuvik iets van “plaats van samendrijven”. Men zou dan eerder denken aan een plek voor meerdere “dorpen”.
Hierbij komt dat de Vuursche juist nooit een dorpsgemeenschap is geweest tot veel later, voor zover we weten. De Vuursche is zeer waarschijnlijk in oorsprong een allodiaal bezit geweest van de graaf van Hamaland en vervolgens van Elten. Aanwezigheid van een hof maakt een centrale functie aannemelijk. Dit sluit volgens mij een vergaderplaats voor alle Gooiers beslist niet uit.
Indien het er twee waren, waarom? Was het seizoensgebonden? Er valt weinig over te zeggen natuurlijk. Een bepaalde vergadering vond ongetwijfeld wel plaats op een bepaald moment in het jaar. Waren er rituele of historische redenen de plaats af te wisselen? Was er behoefte aan meerdere plaatsen? Zou dat niet tot verwarring kunnen leiden? Er was tenslotte ook maar één Engelanderveld.
Nu ik me een tijdje in deze materie heb verdiept, bied ik gaarne mijn vrijblijvende hypothese aan voor wat gebeurd kan zijn. In Hamalandse tijden was de Vuursche de centrale plaats voor heel het Gooi in bredere zin. Dus tenminste met Baarn en Soest. De Vuursche ligt ook centraal vanuit dit perspectief. Of de splitsing van het grotere Gooi onder Eltens bestuur hieraan een einde maakte, zou ik niet weten. Voor de “Eltense” Gooise dorpen hoeft dit niet veel uitgemaakt te hebben, indien zij hier altijd al vergaderden. De overgang van de graaf naar het abdij van zijn dochter veranderde de verhoudingen wellicht niet fundamenteel. Voor Soest en Baarn kon dat weleens anders hebben gelegen, hoewel dat niet per se hoeft.
Toen de Vuursche overging naar het kapittel van St. Jan in Utrecht, was dit wel een belangrijke verandering. De inwoners van het Gooi hadden een totaal ander relatie met het kapittel dan met de abdij. Die was historisch gegroeid. Met het kapittel had men geen relatie, of het moest met de nieuw opgenomen Naarders zijn. Het kapittel ook niet met de oude Gooiers. Ik stel me voor dat men na deze overgang men een nieuw vergaderplaats heeft gevonden op de berg ten oosten van Hilversum. Deze lag dan weliswaar niet centraal in het Gooi maar was wel voor alle dorpen dichterbij dan de oude.
Helaas kan ik mijn vermoedens bij gebrek aan gegevens niet bewijzen.
Dan blijft nog de kwestie van de prefix wolf over.
Op een enkel 17de eeuwse kaart komt in de buurt een Wolfs Betel voor. Deze moet blijkbaar geweest zijn even ten westen van de Vuursche, tussen de Zwarte Berg en Bosberg. Wat die Wolfsbetel geweest is is onduidelijk.
noot 55

De verre van onomstreden oprichter van het Gooische Museum, Frans Eduard Farwerck heeft uitgebreid studie gedaan naar voorchristelijk Europese rituelen. Zijn lijn volgend is wolf een geladen begrip. In zijn idee werden jongelieden ingewijd in de gemeenschap der volwassen op bepaalde zonnewenden of equinoxen op bijeenkomsten met heftige rituelen, waarbij dierenhuiden hielpen de ceremonieleider een alter ego aan te nemen. En wolven en beren waren favoriet. Beren kwamen hier niet voor. Dus met een wolvenhuid op, nam diegene de kracht en de geest van de wolf over.
Ongetwijfeld hebben soortgelijke inwijdingen wel plaats gehad. Het ligt voor de hand dit met een wolvenvergaderplaats in verband te brengen. Ironisch genoeg heeft Farwerck, die uit de verste uithoeken de obscuurste bronnen verzamelde, deze Wolfdreuvik nooit opgemerkt, terwijl hij woonde op de Hilversumse Emmastraat, waar de oude weg naar de Vuursche, die langs deze dreuvik liep, begon!
Hoewel dit zeer goed zou kunnen indien de vergaderplaats tot voorchristelijke tijden zou teruggaan (wat kan maar niet hoeft), zijn er ook prozaïsche verklaringen denkbaar. Zoals in de gevallen Hilversum en Blaricum zou wolfs bijvoorbeeld naar een persoonsnaam kunnen verwijzen. Of ze hebben daadwerkelijk ooit een roedel wolven op die plek aangetroffen.
Inham
De Inham is de naam voor het gebiedje ingeklemd tussen Drakensteyns gebied in het zuiden en de Vuursche ten oosten van de tegenwoordige Kloosterlaan. Het wordt vermeldt op de ±1625 kaart met een oppervlakte van 15 morgen. Deze komt menigmaal voor in de archieven, zowel in processtukken als contracten.
Op de 1597 kaart komt deze als dusdanig niet voor, wel een halfrond gebied over een stuk van de Inham dat landschappelijk blijkbaar afwijkt van de omgeving. De suggestie is dat dit stuk ontgonnen is gelijk de vierdels.

Op kaart 2584 van de collectie Hingman en overige kaarten van Sinck uit 1619 komt deze “inham” hier ook voor, al is het kaartbeeld voor de Vuursche wat schetsmatig. De annotatie van Sibrandt Hansz heeft hierop geen betrekking, doch beschrijft, als ik het goed lees, de afstand van de Inham langs de Kloosterlaan, namelijk twehondert en LIV (±953 meter, wat ongeveer klopt).
Deze halve cirkellijn is nog terug te vinden in de eerste helft 19de eeuw op maar dan iets kleiner en noordelijker gelegen. Tegenwoordig is deze lijn nauwelijks terug te vinden.

.
De naam moet derhalve verwijzen naar de situatie toen de centrale Vuursche hoogte bij het kapittel van St. Jan kwam en dit lagergelegen gebiedje bij de Vuursche werd opgenomen. Zijn extensie oostwaarts en de lijn van de oostgrens is afgeleid van die van het gebied van Drakensteyn. Waarom deze lijn precies hier is komen te liggen, terwijl de schenking 1085 nog een aaneengesloten gebied vanaf de Vecht tot aan de Vuursche betrof, is niet duidelijk.
Berechge
Berechge is de gebiedsomschrijving op de ±1625 kaart die samen met de polder bij Wernaars het gebied van Drakensteyn vormt. Twee rode cirkels, gelijk die ook bij Vossenberg zijn getekend suggereren twee discrete bergjes. In zoverre die er geweest zijn, tegenwoordig zijn die niet meer terug te vinden.

.
Janssen heeft in zijn boek Hilversumse Oudheden in 1856 gewag gemaakt van het verhaal rondom de steen aan de Vuursche dat in het verleden meer tumuli met grote stenen in de buurt waren geweest, die toen reeds verdwenen waren. Ook indien de goedgelovige Janssen hiermee weer eens in het ootje is genomen, kunnen hier vroeger enkele later vergraven grafheuvels wel zijn geweest.
noot 56
Echter het is heel goed mogelijk dat de term verwijst naar het relatief hogere land in de zuidwest hoek van het gebied ten opzichte van het land eromheen. Het effect zal in het kale, boomloze landschap van begin 17de eeuw nog wat opvallender geweest zijn. In dat geval zijn die heuveltjes meer symbolisch dan reëel.

.
De VII morgen van Claes van Zuylen van der Haer

.
Soms is het moeilijk precies je vinger erop te leggen. Een onderzoeker wil zoveel mogelijk de waarheid vertellen maar schikt zich, bij gebrek aan beter een zo’n groot mogelijk waarheid te vertellen. En toch blijft het soms knagen..
Claes was via zijn moeder Josina van Drakenborg voorbestemd haar goederen Drakenburg en Drakensteyn te erven. Toen hij nog maar kind was van ongeveer 10 jaar hebben zijn ouders in 1546 de Vuursche overgedaan aan Johan van Culemborg Heer van Renswoude maar hebben Drakensteyn behouden. Dat wil zeggen Wernaars Hofstee, alleen het hoekje ten oosten van de weg, die van Vrouwenklooster in Oostbroek werd gepacht waarop de eigenlijke hofstede stond. Hiermee waren de twee entiteiten, hofstad en heerlijkheid Drakensteyn gesplitst.
Onderzoekers hebben hiervoor een verklaring gezocht in de verbouwing van kasteel Haarzuylens, waar zijn ouders gingen wonen. De kosten hiervan zouden hun genoopt hebben de heerlijkheid van de hand te doen. Er zal een kern van waarheid hierin kunnen schuilen. Kastelen opknappen kost nu eenmaal wat. Er is wellicht toch iets meer aan de hand, waarvan de vermelding van het postzegeltje land op de 1597 kaart gewag maakt.
Dat zou in vroegere tijden niet zomaar hebben gekund maar in erfpacht gehouden lenen werden mettertijd veel meer een bezit zoals wij dat tegenwoordig begrijpen. Bovendien was met de vereniging der Nederlanden onder Karel V het land in rustiger vaarwater gekomen en waren er blijkbaar geen politieke bezwaren hiertegen.
Claes werd uiteindelijk heer van Drakenburg, de Haer, Zevender en Drakensteyn rond 1570. Echter vrijwel onmiddellijk heeft hij deze laatste overgedaan aan Karel van Bourgondië Heer van Falaise, schoonzoon van Johan van Culemborg. Claes heeft noch enkele malen als schout van Utrecht gediend hierna.
Hiermee waren Drakensteyn en de Vuursche wederom in één hand verenigd. Tot zover niets vreemd zou je zeggen. Drakenburg, de Haer en Zevender zou genoeg moeten zijn voor een Stichts edelman. Maar toen hij Drakensteyn overdroeg heeft hij blijkbaar de erfpacht behouden van 7 morgen land direct Wernaars Hofstee belendend. Je zou kunnen zeggen, hij verkocht het huis maar behield de achtertuin. Nog merkwaardiger is dat al in 1569 Karel een contract tekent met aan aantal lieden uit Baarn om een derde ringgracht rond Wernaars Hofstee te graven. Deze ging dus gedeeltelijk over het land van Claes. Dit is nog steeds de onopgeloste situatie in 1597.
noot 57
Het heeft dus blijkbaar niet geboterd tussen hen. Waarom heeft Claes de achtertuin niet gelijk met het huis verkocht? Waarom heeft Karel direct Claes geprovoceerd door hem een deel van zijn grond af te pakken? Wat interesseerde deze “internationale” edelman deze Utrechtse edelman dwars te zitten? Of was het anders om?
Mogelijk is enig kwaad bloed terug te voeren op veranderingen bij het kapittel van St. Jan.
Hoewel al sinds het midden van de 14de eeuw het kapittel niet meer zijn eigen proost kon kiezen, werden door het Vaticaan nog altijd proosten aangewezen die enig binding hadden met Utrecht. Deze hadden allemaal meer of minder een internationale carrière maar waren in de Nederlanden geboren. Ze spraken nog allemaal de zelfde taal.
De vereniging onder Karel V leidde tot een steeds sterkere invloed van het centrale gezag. Albert Pigge werd in 1542 opgevolgd door Charles Perrenot, broer van de beruchte kardinaal Antoine Perrenot de Granvelle, een zeer belangrijk staatsman in dienst van de Habsburgers. Hij was afkomstig uit de Franche-Comté, een deel van de Bourgondische erflanden. Op 12-jarige leeftijd (!) werd de toekomst blijkbaar voor Charles Perrenot al bepaald, want toen al werd er voor hem beslist, dat hij in het kapittel van St. Jan zou worden opgenomen. Wellicht sprak hij een beetje Nederlands, maar echt binding met Utrecht en Utrechters had hij niet.

.
Het keizerlijke hof in Brussel had het in de Lage Landen voor het zeggen gekregen. Het is goed voor te stellen dat Johan van Culemborgh en zeker zijn schoonzoon Karel van Bourgondië nauwer aan het hof gelinkt waren dan de van Drakenborgs of van Zuylen van de Haers. Het is goed voor te stellen dat de overdracht van de Vuursche en de economische waarden van Drakensteyn verband houden met een Brusselse politiek om vrienden lucratieve ambten en bezittingen te doen toekomen.
Het is jammer dat ik ook de overdrachtspapieren niet heb kunnen terug vinden. Op zich merkwaardig, daar van bijna alle andere overdrachten wat is terug te vinden in de archieven van de Vuursche. Deze zijn echter slechts gevuld met formele taal, echt motivatie zou uit een brief of iets dergelijks moeten blijken.
Wel heeft het archief van van Zuylen van der Haer nog een curieus document:
Een akte van belening van Johan van Zuylen van de Haar door de Staten van Utrecht met de oude hofstede Drakensteyn met gerecht, een veen daaraan grenzend, een weg tussen de Vuurse Berg en Barenberg en met een hofstede Drakensteyn in Wild Veen onder Baarn, na overlijden van zijn broeder Dirk, uit 1635.
noot 58
Deze waren zonen van Claes. In dezelfde tijd was Ernst van Rheede bezig deze heerlijkheid, verenigd en wel, tot allodiaal maken om het even later aan de prins van Oranje als graaf van Buren op te dragen. De Staten van Utrecht bedoelden uiteraard een leenbrief voor Drakenburg op te stellen. Materieel had dit geen consequenties voor het eigendom van Drakenburg of de Vuursche & Drakensteyn. Zij leefden immers niet meer in de dertiende eeuw.
Gewone vergissing? We kunnen slechts gissen wat Johan van Zuylen ervan gedacht zal hebben. Wel is het de laatste keer dat we deze formulering in de archieven nog tegenkomen.
Buuten Gruppel

.
Deze vormde de grens langs de zuidzijde van de tegenwoordige Koudelaan. De naam komt voor op de 1597 kaart. De greppel is geraaid op de huidige, toentertijd tweede ringgracht van Wernaars Hofstee. Hoewel de Lattre niet geometrisch exact alles op zijn kaart heeft verwerkt, valt op dat hij dit vrij precies heeft weergegeven. Waarschijnlijk omdat hij deze hoek van de heerlijkheid het beste kende.
Mogelijk bevindt zich een restant van deze buitengreppel aan het eind van de Koudelaan aan de zuidzijde.

.
De kaart ±1625 geeft ondanks de gekromde weergave van deze zuidgrens wel de correcte lengte van die greppel, getrokken vanaf de derde ringgracht tot aan het einde van de Koudelaan, namelijk 275 roede.
Wernaarsweg & de Nieuwe Weg
De beiden worden genoemd op de kaart ±1625: Dit is dye nijeuw wech; Warnaerswech. Op de 1597 is alleen de Nieuwe Weg expliciet weergegeven met een dubbele lijn. De oude weg, Wernaarsweg liep vlak voorlangs Wernaars Hofstee. Zijn verloop is nog redelijk op te maken uit de huidige situatie. De nieuwe weg is de latere Dorpsstraat en Vuursche Steeg. Hoewel nieuw, tegenover de oude weg, bestond deze weg tenminste al in 1597.

.
De Nieuwe Weg begint bij de steen aan de Vuursche. Er wordt vanuit gegaan dat de Dorpsstraat is opgebouwd na de herbouw van het huis Drakensteyn in de jaren 1640. Niets op de kaarten lijkt dit te weerspreken. Aldus moet geconcludeerd worden dat de weg minstens een halve eeuw ouder is dan de opbouw.
Wernaarsweg liep langs het land van Claes van Zuylen. Een nieuwe weg aanleggen parallel aan een oude gebeurd niet zomaar. Was die nieuwe weg beter? Het kost toch enig moeite en geld. Om een dorpsstraat op enig afstand van het kasteeltje op te bouwen lijkt niet mee te spelen want de nieuwe weg was al eerder aangelegd. Wellicht was zoiets nog in de planning maar dat is puur speculatie.
Hoe oud zal die Nieuwe Weg wel zijn De kwaliteit nieuw kan natuurlijk vrij lang blijven bestaan. Zeker zolang de oude weg nog in gebruik blijft. Het is aantrekkelijk deze in verband te brengen met ofwel de overname van de Vuursche door Johan van Culemborgh in 1546 of de overname van Wernaars Hofstee door Karel van Bourgondië rond 1570.
Wellicht is hier wel iets over te vinden maar ik heb er nog niets over teruggevonden.
Punt a

Op de 1597 kaart heeft de Lattre op de zuidwest punt van de heerlijkheid een a genoteerd. Het wordt hier ook wel de eerste kromte of Winkelhaak genoemd. Tezamen met een C bij de poel zijn dit de enige letters gebruikt op zijn kaart. Hoewel een interessant punt op de kaart is het niet duidelijk wat voor functie deze heeft.
noot 59
Vanaf hier loopt oostwaarts de buitengreppel richting Wernaars Hofstee. Naar het noorden loopt de westgrens van de heerlijkheid in dezelfde richting als de vierdels, langs Drakensteyn en de Inham, om daar een knik westwaarts te maken. Deze grens met de vierdels heeft nog enkele merkwaardigheden die later nog behandeld zullen worden.
Het Noordwesten

Dit is lang een zeer omstreden omgeving geweest, nog tijdens de periode waarin de kaarten gemaakt zijn. Het is de omgeving waar alles Laapers of Laperts samenkomt. Helaas ontbreken op de kaarten enkele zaken die nog meer informatie konden toevoegen. Zo worden de blokhuizen buiten beschouwing gelaten. Ook de plaats van het kruis is niet aangegeven. Toch geeft het interessante informatie over zijn geschiedenis en de dynamiek hier begin 17de eeuw.

.
Het gebied zal echter in de geschiedenis voor altijd verbonden blijven met de gebeurtenissen van 21 juni 1348. Op die dag is er slag geleverd tussen Utrechtse en Hollandse strijdkrachten. De Hollandse aanvoerder Melis van Mijnden wordt gevangengenomen en vele Eemnessers bleven dood of werden gevangen. De gevolgen werden hierboven reeds behandeld.
Laapersveen & Laapersveld
De Lattre heeft de linkerbovenhoek van zijn kaart in bruin inkt een extraterritoriaal gebied anoniem ingetekend. Vanaf een Laapersweg strekt een lijn noordwaarts tot de rand van de kaart. Meer informatie geeft hij niet.
Hoewel het Laapersveld door Pluim en Maris hier is geïdentificeerd, hebben veel onderzoekers zich afgevraagd of die zich hier of waar dan ook bevond. Vermoedelijk heeft dit mede te maken dat het huisarchief van de Vuursche zolang ontoegankelijk was. Uit diverse verwijzingen in het archief blijkt wel dat alles Laapers hier samenkomt en de door de Lattre getekend gebied het Laapersveld moet zijn.
noot 60
De begrenzing van dit terrein is een beetje moeilijk. Objectief moeten we ervan uitgaan van twee parallel noordwaarts lopende paden op oudere topografische kaarten, weerszijden van de provinciegrens met een op de ontginning afwijkende richting en een pad aan de noordzijde die deze twee verbindt. Aan Utrechtse zijde is deze nog behouden, in elk geval op actuele hoogte kaart. Hier vlakbij heeft zich enkele meters noordoostelijk van dit terrein het verdwenen boerderijtje Groeneveld zich bevonden. Direct ten noorden van het terrein aan Utrechtse zijde bevindt zich een kuil met kenmerken van een middeleeuws waterput.

.
Het terrein omvat aldus ongeveer 36½ hectare, een flink veldje. Ook valt het op dat er een groot landschappelijk verschil zit tussen de Hollandse zijde en de Utrechtse. Andere ontwikkelingen aan weerszijden van de grens kan veel verklaren. Toch lijkt het Utrechtse gedeelte veel egaler dan de ruige Hollandse kant. Die verschillen lijken niet helemaal door verschillen in beheer sinds de middeleeuwen te worden verklaard.
Probleem is ook dat niet duidelijk wat precies het groene veld dat Laapers heette, nu was. Als we van een boerenbedrijf uitgaan dan is het wellicht iets kleiner geweest. Een veenderij is goed mogelijk. Maar het is mij niet duidelijk of dit zo was. Wat het dan wel was is mij totaal onduidelijk. Ook de etymologie van Laapers is onduidelijk.
In 1471 wordt geschreven dat de Vuursche “tot Laeppaers toe” aan het kapittel van St. Jan en het sticht van Utrecht hoort. Wellicht heeft de Lattre het daarom op zijn kaart meegenomen.
noot 61
Verscheidene oudere kaarten wijzen hier aan de weg de plaats van het kruis aan. Een kruis duidt vaak op niet meer dan op een kruispunt van twee wegen. Hier heeft echter een echt kruis gestaan. Dit is opgericht ter nagedachtenis van den gevallenen bij die grote slag in 1348. Deze plaats is voor de één vooral van belang vanwege het correct trekken van de provincie grens. Helaas hebben onze kaarten het weggelaten, want blijkbaar in hun ogen niet belangrijk. Zo is het ook met de blokhuizen.
Op de ±1625 kaart ontbreekt enig verwijzing naar het Laapersveld. Wel heeft de maker een gebied van de Vuursche polder onderscheiden, namelijk het Labersseveen, 15 morgen groot. Reconstructie van deze laatste is afhankelijk hoe je de oude grens van de Vuursche polder ziet. De actuele hoogtekaart geeft weer een vingerwijzing hiervoor.
noot 62
In 1625 was het gebied hier blijkbaar nog niet geheel verveend. Het gebied van het Laapersveen werd nog niet door de Lattre in 1597 als een apart gebied beschouwd. Traditioneel worden de vierdels beschouwd als doorlopend tot aan de (oude) Laapersweg. Dit is in 1625 losgelaten. Deze Laapersveen wordt begrensd door het doortrekken van de westelijke en noordelijke grenzen van de Vuursche tot aan de grens met Holland. Het gebied is als dusdanig, met twee kleine correcties aan weerszijden definitief bij de Vuursche gekomen, blijkens de grenzen van de gemeente eerste helft 19de eeuw.

.
Laaperswegen
Twee wegen liepen over Laapers. De oudste was die van Laren op de Vuursche en Soest. Deze wordt reeds in 1464 genoemd. We moeten constateren dat aan Hollandse zijde deze vrijwel verdwenen is. Op Utrechtse zijde loopt deze vanaf de provinciegrens kaarsrecht op de Zes Wegen punt aan.

noot 63
De nieuwe Laapersweg, als dusdanig zo ook genoemd in de archieven, komt overeen met de Hilversumse/Soestdijkerstraatweg. Deze loopt ver van recht. De weg loopt langs de beuk aan de Hoge Vuursche (die beuken staan er nog) en over de vroegere hoeve aldaar. Het is voor te stellen dat deze is ontstaan uit een karrenspoor vanuit die hoeve richting Laapers en een richting Baarn.

.
Iets noordelijker loopt een wellicht oudere traject recht op de achterkant van die hoeve. Hierna geeft de actuele hoogtekaart mooie sporenbundels aan iets ten zuiden van de weg. Hoe deze sporenbundels ten westen van die hoeve liepen is niet meer goed na te gaan. Oudere topografische kaarten laten zien hoe de oudere tracé uitkomt op de kruising met de de Amsterdamse Straatweg (N221).

.
Gooier Schans
Op de kaart van 1597 is op de Laapersweg een cirkel getekend. Op de ±1625 kaart is in de vierdels iets ten zuiden van de weg onopvallend ook een cirkel getekend. We weten dat hier in de buurt blokhuizen en een kruis gestaan hebben. Maar met zo’n cirkel wordt ongetwijfeld verwezen naar de Gooier Schans. Een blokhuis kaan hier ook gestaan hebben of direct hierachter. Zij kunnen ook enigszins synoniem zijn. Beiden pleegt men op oude kaarten vaak met een cirkel aan te duiden.

.
In de archieven zijn grensbeschrijvingen van de Vuursche. Hierin wordt de Gooier Schans beschreven als gedeeltelijk staande op het territorium van de Vuursche. Hier bood vervening een mogelijkheid iets verder door te graven om ter controle van de oude Laapersweg karren of paarden op eenvoudige wijze te dwingen deze afgraving in te rijden. Een brandend baal hooi moet voldoende zijn geweest.
noot 64
Het streepje direct onder het cirkeltje op de 3018 kaart lijkt deze functie te bevestigen, voor zover dit al iets aanduidt. Oudere topografische kaarten laten hier ten zuiden nog een doorsteek van de oude Laapersweg naar de Hollandse Sloot zien maar deze zal in 1597 niet bedoeld zijn. Rond 1900 sluit deze aan op een noordwest lopend pad dat het laatste restje Ravenswaai ten zuiden voorbijgaat.

.
Vraag is of deze er al was ten tijden van de Slag op het Laapersveld. Vermoedelijk toen nog niet. Als dit wel zo was heeft het niet gewerkt. En gezien de spanningen, zou het toch wel bemand zijn geweest. Echter juist op het veld hierachter is slag geleverd. Waren de bisschops mannen hier in de val gelopen, was het wellicht heel anders verlopen en zou Eemnes nog Oost-Holland geheten hebben. Het zou kunnen dat Utrecht deze schans succesvol genomen hebben maar al met al is het toch waarschijnlijker dat de Hollanders deze schans gegraven hebben in latere tijd, bij een later conflict, wijs geworden door de gebeurtenissen van 1348.
Ravesway

.
Ravenswaai verwijst naar een veenplas waar raven gezien werden. De oude weg vanuit Hilversum naar de Vuursche liep precies tussen twee van dit soort plassen door. De één is het Hilversums Wasmeer. Aan de andere zijde van de weg was ook een plas, reeds in de 18de-eeuw leeggelopen en opgedroogd. Vroeger was de hele omgeving veel natter. Bij de aanleg van die oude weg moest met deze watertjes rekening worden gehouden.

.
En hier weer naast is nog een voormalige plas, Ravenswaai waar nu de golfclub banen heeft. Deze stak de vierdels over en kwam tot aan de grenzen van de Vuursche. Op 18de-eeuwse kaarten van het Gooi is deze ook met de naam Kievitsdel aangeduid. Later werd dit een boerderijnaam en lag de Kievitsdal (het watertje) op de kaart van Perk uit 1843 dichter bij de Soestdijker Straatweg.

Jan Hubertsveen
Jan Huberts is hier midden 16de eeuw actief geweest. Hij is rond 1520 geboren en woonde op de Vuursche. In 1552 en 1553 attesteert hij in gerechtsonderzoeken. Er wordt over hem vermeld dat Jan Huberts in de jaren 1564-1565 beboet is door schout en schepenen van Blaricum en van Laren.
noot 65
Het terrein bevond zich ten noorden van de Vuursche. De kern van van zijn verveningshoeve bevond zich aan de zuidzijde van de Kaapweg bij de knik in de weg, in het Baarnsveen. Hier aldus treffen we een nog gedeeltelijk omwald terrein aan, ruim een half hectare groot. Het tegenwoordig bebost terrein aan de overkant van de Kaapweg heeft hier ook bij gehoord en wellicht de belendende terreinen direct ten oosten hiervan.

.
Een vervening strekt zich natuurlijk uit tot haar te vervenen omgeving. Het valt op dat de dubbele gracht aan de oostzijde van het terrein lijkt deel uit te maken van een veel groter terrein ten westen hiervan, direct ten noorden van de Negen Roeden ruim 30 hectare groot. Dit vertegenwoordigd naar alle waarschijnlijkheid de totale omvang van Jan Hubertsveen. Deze overlapt in het westen gedeeltelijk het Laapersveld.
Het Noordoosten

Deze hoek van de Vuursche bevind zich onder de Baarnse Berg. In de tijd dat kaarten gemaakt zijn is dit een rustig uithoekje van de heerlijkheid. Het meest opvallende is natuurlijk de galg en rad van de Vuursche die zich hier ooit bevonden.

.
De Negen Roeden
Het noorden en noordoosten van beide kaarten wordt gedomineerd door een lange strook.
Op de 1597 kaart is hier vrij klein geschreven Baern. Op de kaart loopt hier een weg van de Vuursche Dijk naar de Laapersweg in het noordwesten van de heerlijkheid. Ten oosten van de Vuursche Dijk is deze strook smaller dan naar het westen. In het uiterst noordoosten maakt deze een knik naar buiten.

Op de ±1625 kaart is hier iets meer ingevuld: dit zijn dije negen Roijen Veens dye van Barenaers gerojt is.
Beide sroken lopen aan de oostzijde zuidwaatrs door naar het blok bij de Lattre met Die hondert merghen, ±1625 met Vossenberch aangegeven.

Naar de Negenroeden wordt mogelijk al verwezen in de overeenkomst van Drakenborg met de stad Baarn in 1390. Met name genoemd worden de Negen Roeden genoemd in de overeenkomst van de Vuursche met Baarn in 1464 waarbij ook de honderd morgen voor vervening vrijkomen.
noot 66
De Negen Roeden zijn getrokken vanaf de Baarnse Berg, vanaf een punt een paar meter van het begin van de Domlaan (volgens sommigen heeft deze zijn naam ontleend aan de Dom van Utrecht waar die op geraaid zou zijn, dat is deze echter niet).

De Negen Roeden loopt in het noorden vanaf de Vuursche Dijk met oorspronkelijk twee goed afwaterende sloten 9 roeden breed door tot aan de diepe sloot naast het Zouthuisje. Hier maakte hij een knik richting de kleine inschinkeling ter hoogte van de Gooier Schans. Later is het blijkbaar vanaf die knik recht doorgetrokken naar een plaats aan het einde van de Roeterswal ten zuiden van de Hilversumsestraatweg.
Of vanaf de Vuursche Dijk oostwaarts de berg op de Negen Roeden versmalde is niet helemaal duidelijk. Op de berg zelf zijn de overblijfselen weggesleten. Deze waren hier wellicht ook niet meer dan twee kleine symbolische greppels, als het al twee waren.
Op de berg aan de Domlaan heeft de Negen Roeden geen wallen of greppels voor ons nog waarneembaar nagelaten. Maar verderop, over de spoorlijn langs het Roosterbos bevind zich (hier naast de Domlaan) een strook van 6 roeden breed, dus ⅓ smaller dan het noordelijke tracé. Dit is gelijk aan wat de Lattre hier aangeeft.
De ±1625 kaart laat de Negen Roeden breed met een flauw bochtje vanaf de Laapersweg lopen tot aan de Vuursche Dijk en laat deze even breed tot op de sloot richting de Veenhuizen doorlopen.
Het is een kwestie van interpretatie van het streepje op de de Lattre kaart, of dit ook deze sloot is. In dat geval laat de Lattre de Negen Roeden een stukje doorlopen.
De buitengreppel van de oostelijke Negen Roeden loopt aan tot een meter links van de hoogste punt van de Vuursche Berg en maakt daar een inschinkeling zelf naar het oosten om te eindigen ter hoogte van deze voormalige sloot, achter het erf of hoeve daaraan.
Beide kaarten hebben galg en rad op of aan de Negen Roeden. Voorts heeft de Lattre een kleine erf ter hoogte van de Vuursche Dijk nog getekend.
Het mag duidelijk dat beide kaarten, zelfs al zien wij over het hooft dat de één een bocht maakt en de andere knikt, niet dezelfde Negen Roeden kunnen voorstellen.
In het westen is dit niet direct evident. De Lattre houdt de oude grens van de Vuursche aan waarbij enkele vierdels uit zouden moeten komen op de (oude) Laapersweg. De maker van de ±1625 kaart heeft de viedels ook weliswaar doorgetrokken tot een Laapersweg, echter omdat hij het Laapersveen, 15 morgen groot bij de heerlijkheid trekt, kan bij hem dit niet meer kloppen. Bij hem grenst het territorium van de heerlijkheid aan Hilversum. Dus impliciet gaat hij uit van de doorgetrokken lijn. Die tracé bestaat dus ook. Het zal jonger zijn dan de knik.
In het oosten is er een duidelijk verschil. De Lattre laat de Negen Roeden, 6 roeden breed vanaf de Baarnse Berg, op de Vuursche Berg lopen, zoals de oude leenbrieven voorschrijven. De maker van de ±1625 kaart laat de Negen Roeden tot aan de Vuursche Dijk lopen en langs deze naar het zuiden lopen.
noot 67
In het westen is het mogelijk dat de Baarnaars reeds eerder hun eigen negen roeden brede strook, over hun eigen territorium, in het Baarnsveen hebben doortrokken. Kan ook pas begin 17de eeuw zijn gebeurd.
In het oosten laat niets blijken dat de oude Negen Roeden in zijn geheel verplaatst zijn naar het westen. Als de hele strook tussen Vuursche Dijk en Domlaan als schrale heide in eigendom van Baarn was gekomen, was dat ook niet nodig. Wel interessant voor een analyse hoe formeel de grens moest lopen maar in de praktijk zal dat heel weinig hebben uitgemaakt.
In hoeverre de Negen Roede zelf noch territoriaal tot de heerlijkheid gerekend mogen worden, is ook de vraag. In het oud volksrecht bleef een leen een leen, een achterleen een achterleen en een pacht een pacht. Voor verveningen golden wellicht nog nadere, regionale regels. Maar met de receptie van romeins recht krijgt eigendom steeds meer zijn moderne betekenis. In 1564 is uitgesproken dat de Negen Roeden “eigendom” blijven van Baarn. Of ze nog tot het territorium van de Vuursche gerekend moeten worden is als een moderne vraag niet dezelfde als in de 16de eeuw.
noot 68
Het beste is wellicht los te laten hoe het indertijd “echt” was en ons te beperken wat de kaartmakers geloofden wat de situatie was. We constateren dat beiden de Negen Roeden zien als “op de Vuursche” in eigendom van Baarn.
— De Lattre geloofde in de oude grenzen van de heerlijkheid met de strook tussen Domlaan en Vuursche Dijk, zonder Laapersveld of -veen.
— De maker van de ±1625 kaart heeft de strook tussen Domlaan en Vuursche Dijk niet getekend of laten opmeten en dus niet als “Vuursche” beschouwd maar eist wel expliciet 15 morgen Laapersveen op. Hij is hier min of meer door de latere geschiedenis gevolgd.
Galg & Rad
Op beide kaarten vormt de galg (en rad) een saillant detail. Hier valt dan ook wel het één en ander te vertellen.
Op beide kaarten is de galgenberg in het uiterst noordoosten van de heerlijkheid getekend.
Op de de Lattre kaart zijn drie kleine cirkels getekend en staat er de galgeberg.

Op de ±1625 kaart zijn hier twee cirkels, met de omtrekkende lijn aan de oostzijde voorzien van enkele slingerende accenten om iets te suggereren. Mogelijk is hier ook een derde cirkel getekend, in elk geval zit hier nog een half cirkeltje. Hier staat gallich berge.

Tot zover bezitten ze aldus een grote overeenkomst. De latere kaart heeft dit wellicht van de de Lattre kaart. We hebben echter reeds gezien dat beide kaarten een ander noordoost hoek aangeven. Terwijl de Lattre een plaats bovenop de Baarnse Berg eigenlijk aangeeft, geeft de ±1625 kaart aan dat de bergjes gedeeltelijk nog op de Negen Roeden staan, aan of direct bij de Vuursche Dijk.
Galg & Rad, waar

In de archieven wordt verwezen naar galg en rad als staande op twee “discrete” of “kleine” bergjes staande op de rand van de Vuursche bij Baarn. Wanneer wij nu op zoek gaan naar kandidaten hiervoor, ontbreken bovenop de Baarnse Berg enig aanwijzing. Er zijn wel bovenop deze berg enkele “kleine bergjes” maar deze bevinden zich iets ten noorden van de Negen Roeden, op het tegenwoordige terrein van scoutcentrum Buitenzorg. Wanneer wij aannemen dat zulke bergjes toch wel enige sporen op de grond hier moeten hebben achtergelaten, mogen we concluderen dat de Lattre zijn drie bergjes hier foutief heeft geplaatst.
noot 69
We moeten derhalve iets ten westen hiervan kijken, in de buurt van de Vuursche Dijk. Er bevindt zich nog iets ten westen van deze een terrein, direct ten noorden van de spoorlijn, waarop diverse bergjes, zo’n twee meter hoog zich bevinden. De bergjes zijn wel klein maar wellicht niet discreet. En deze bevinden zich een stuk westelijker van de oude weg. Maar een doorslaggevend argument om dezen als plaats voor galg en rad over het hoofd te zien is hun enigszins geïsoleerde ligging. Het hele idee van een galg en rad was, al kwam hier nimmer iemand daadwerkelijk te hangen, dat het gezien werd en dat daarmee het hoge gerecht van de heerlijkheid voor iedereen kenbaar werd gemaakt.
Wanneer wij de Vuursche Dijk beschouwen, ontbreken direct aan de Negen Roeden ieder spoor van (voormalige) bergjes. Naar het zuiden toe is het terrein nabij de spoorlijn en ten zuiden hiervan door vervening danig afgegraven. De oude Vuursche Dijk is hier verdwenen. De tegenwoordige Bosbadlaan moet vroeger vrijwel rechtdoor zijn gelopen om aan te sluiten met een noordelijker stuk boven de de spoorlijn. Maar of enkele bergjes hier ooit gestaan ook in hun geheel zijn weggegraven, moet toch betwijfeld worden. Waarschijnlijk zouden die heuveltjes niet zijn opgeworpen met pure turf. Zo niet geheel uit zand opgebouwd zullen ze op zijn minst een groot deel uit zand hebben bestaan. Dan is het moeilijk denkbaar dat later iemand de moeite neemt om zomaar die heuveltjes weg te maken, tenzij deze toevallig precies ter hoogte van een toen aan te leggen spoorlijn lagen.
Er zijn echter twee plaatsen langs de Vuursche Dijk die in aanmerking nog komen. De eerste is aan het begin van de Bosbadlaan, waar het zich tussen twee kleine bergjes door loopt. Deze vormen als het ware een poort naar het noorden van de oude weg en de heerlijkheid. Deze bevindt zich vlakbij de Erf Op De Hoge Vuursche, de hoeve direct bij de grote beuk hier, vermeld op oude kaarten. Deze plaats voldoet nog maar weinig aan het gegeven aan de rand van de Vuursche te staan. Ook zijn dit niet echt discrete bergjes.
Verderop bevinden zich echter nog een paar bergjes die het beste voldoen aan de omschrijvingen en verwachtingen. Aan het einde van de Bosbadlaan, achter de parkeerplaats bevinden zich enkele merkwaardige bergjes waar mijns inziens de galg & rad op de Vuursche gezocht moeten worden. Komend vanuit Eembrugge vormden ze zo een duidelijk vignet van de hoge rechtsmacht van heerlijkheid hier. De westelijke berg is minder geprononceerd dan de oostelijke berg maar zoals de oude weg hier voorbij ging nog altijd meer dan manshoog. Misschien was de westelijke berg de galg en de oostelijke de rad, de kaarten zijn echter niet helemaal duidelijk wat dit betreft.
Galg & Rad, waarom
De hoge heerlijkheid kon het kapittel afleiden van de schenking in 1085, zoals het deze voor Achttienhoven deed. Verder was er een sterk argument in verband met met een ruil met de abdij van Elten van de Vuursche hoogte maar hiervan waren geen documenten, vervalst of authentiek. Er was dus wel een claim hiervoor te maken. Het hof van Utrecht kon echter als wereldlijke overheid hier ook zeker enig kanttekeningen bij maken.
noot 70
Rond 1471 komen er onderhandelingen op gang of de Vuursche Hollands of Utrechts is. Er wordt van Hollandse zijde aangevoerd dat in het verleden verschillende overtredingen op de Vuursche gepleegd door de baljuw van Gooiland en niet door de maarschalk van Eemland behandeld zijn. Zeker één geval van doodslag. Twee paardendieven gepakt op de Vuursche zijn gehangen te Hilversum. Van Utrechtse zijde zijn hier geen gevallen aangedragen die het tegendeel zouden bewijzen. Als die er waren geweest, hadden ze dat zeker gedaan. Ook indien op de Vuursche ooit een galg had gestaan, was dit ongetwijfeld toen vermeld.
noot 71
De turbe, een onderzoek bij de oude lui hoe iets ook al weer zat, waarin verklaard wordt over het hoge gerecht van de Vuursche, dateren uit de periode rond 1550 en later. In het archief wordt een verzoek gemeld door Johan van Culemborg met het verzoek een galg en rad op te richten op de Vuursche. De hoge heerlijkheid van de Vuursche en de hieraan verbonden status is een belangrijk ding in deze jaren, gezien het uitgebreide onderzoek en procedures toen gepleegd. En een galg en rad bracht dit tot uitdrukking. Blijkbaar is dit toegekend.
noot 72
Het valt te betwijfelen of galg en rad ooit echt gebruikt zijn. Er zijn in de tweede helft 16de eeuw diverse zware overtredingen op de Vuursche nog gepleegd en een vermoedelijke dader wordt gevangen gehouden op kasteel Ter Eem door de maarschalk van Eemland. We komen echter nergens een terechtstelling op de Vuursche tegen.
noot 73
Galg & Rad, waarom hier
Een galg en rad vormden een vignet in het landschap om de mensen te laten zien dat je territorium die hoge recht bezat en als waarschuwing wat er kon gebeuren indien je hiervoor geen respect toonde.
Een galg en rad pleegt men te plaatsen aan een weg aan de rand van een territorium. Voor het geval dezen echt gebruikt zouden worden, werden ze met voorkeur nooit geplaatst waar het chique zich ophield. Als je het recht had ze te hebben, mochten ze staan waar je wilde. Om die stinkende, afzichtelijke lijken te hebben vlakbij de plaats waar je met vrienden en vrouwen eventueel vertoefde, ligt niet voor de hand.
Hoewel er wel enige kwesties met Baarn nog spelen, zoals het eigendom van die Negen Roeden, is het niet met hen waarmee de grote problemen zijn. Hoewel niet uitsluitend van die zijde, is toch het merendeel van de incidenten die zich in het midden van de 16de eeuw voordoen van de kant van het Gooiland. Waarom heeft men niet een galg en rad aan die zijde opgericht? Wellicht vond men dat moeilijk te controleren. Niet onwaarschijnlijk hadden Gooilanders die niet met rust gelaten, als zij de kans kregen.
noot 74
Een ander overweging moet toch ook geweest zijn, dat hoewel dit eigenlijk de logische plaats was geweest aan het Laapersveld, dit te provocatief zou zijn geweest. Er blijkt daar een kruis gestaan te hebben ter nagedachtenis van gevallen broeders in 1348. Een kruis en een galg & rad vlak bij elkaar zou waarschijnlijk als totaal respectloos door de Gooilanders zijn ervaren. Hierbij was de provinciale status van het westelijke deel van de heerlijkheid nog niet helemaal geregeld. Aan de Vuursche Dijk stonden ze volledig op Stichtse bodem en dat kon niemand ontkennen.
noot 75
Galg & Rad, oorsprong
Deze “discrete” bergjes zouden oude grafheuvels kunnen zijn. Er zijn dichtbij in het Roosterbos ook grafheuvels. Maar het significante is, denk ik dat ze deel uitmaken van een richel om de oude weg.
Mijns inziens is dit een schans die zijn oorsprong heeft in de strubbeling rond Eemnes tussen bisschop Jan van Arkel en het graafschap Holland. Twee belangrijke tegenstanders stonden hier tegenover elkaar.
De proost van het kapittel van St. Jan, Hendrik van Rijn was voorman van de “Hollandse” factie en werd hierbij waarschijnlijk breed gesteund door het kapittel. Wernaer van Drakenborg was nog niet de pachter van de Vuursche maar was wel reeds bezig met verveningen iets noordelijker bij Drakenburg. Hij was verzwagerd met en een belangrijke voorman van de heersende Lichtenbergse factie van de Utrechtse stadspatriciaat.
In 1346 was Eemnes reeds tweemaal geplunderd en verbrand door de bisschop. Oost-Holland en de “Hollandse” partij verwachtten, niet ten onrechte, nog een derde aanslag van de bisschop na zijn terugkeer uit het buitenland in 1348.
Of Hendrik zelf hierbij actief was of de Eemnessers/Hollanders alleen gelegenheid heeft gegeven aan de weg van Utrecht naar Eemnes een schans op te zetten, het is op zich heel logisch dat ze iets aan hun hachelijke positie probeerden te doen.
Er valt een hypothese te maken over wat er rond de slag aan het Laapersveld gebeurde.
Wernaer van Drakenborg heeft dit allemaal vlak bij zijn verveningsbedrijf zien gebeuren en heeft dit natuurlijk kunnen en moeten doorgeven. Op 21 juni hebben de bisschops lieden niet de verwachtte directe route over de Vuursche Dijk genomen maar zijn zij blijkbaar linksaf geslagen bij de Zes Wegen om over de (oude) Laapersweg (Stulpselaan) te gaan met als gevolg de bekende slag op het Laapersveld (op 3018 in bruin getekend door Franchois de Latere in de linkerbovenhoek).
Had aan het Laapersveld de Gooier Schans reeds gestaan, dan heeft deze in elk geval niet gewerkt. Misschien was deze slecht bemand en zijn de Hollandse strijders overvallen door deze manoeuvre. Als deze als een Hollandse voorpost de Utrechters even heeft kunnen ophouden om de Hollandse ridders tijd te geven zich naar het Laapersveld te begeven, was dit blijkbaar niet voldoende.
Zoveel details over de slag zijn niet overgeleverd. Het lijkt mij niet direct waarschijnlijk dat een schans daar niet paraat was. Vanuit het Gooi kon men de Stichtse lieden lang van tevoren zien naderen en hun aanval werd verwacht. Waarschijnlijk hadden de Hollandse ridders net genoeg tijd zich van de Oost-Hollandse schans naar het Laapersveld te begeven. De Utrechters bedoelden waarschijnlijk Oost Holland in de rug aan te vallen via de Gooise heide en de Zuidwend. Maar een slag aan het Laapersveld, eenmaal hier met Hollandse strijdkrachten geconfronteerd, konden de Utrechters moeilijk ontlopen. Het blijkt echter voor hun goed te zijn afgelopen.
De Vuursche Dijk
De Vuursche Dijk wordt op de ±1625 kaart genoemd in het noordoost uiterste van de kaart, op Baarns gebied. Deze komt overeen met de anonieme weg in 1597 de gehele heerlijkheid doorkruisend van noord naar zuid. Het is een oud weg gezien het feit dat de Hof van Elten hier reeds aan lag. Deze volgt nog min of meer het oorspronkelijke tracé over de Zevenlindenlaan en de Bosbadlaan en voor een gedeelte ten noorden van de spoorlijn als bospad.
De Noordelijke Erven
De hoeven op de de Lattre kaart zijn alle anoniem en vrij klein getekend. Op de ±1625 kaart hebben de meeste wel een eigen vermelding en zijn vrij groot getekend. Van twee hoeven hier op de Hoge Vuursche komen hun relatieve ligging vrij goed overeen. Op de ±1625 kaart worden ze erf genoemd. Het valt op dat alle erven op de Vuursche ten oosten van de oude grens tussen de Vuursche in het Sticht en de Hollandse Vuursche zich bevinden.
De eerste hoeve wordt op de ±1625 kaart heeft de volgende vermelding:
Dit is dat erve aen dye hoge vuijrsche.
Aan de westzijde lijkt het een dubbele stippellijn te hebben en een stukje extra streep. Op zich lijkt zo’n detail te weinig om van betekenis te zijn. Als we deze hoeve op de kaart terugzoeken, blijkt deze te liggen dwars over de huidige grote weg, de Hilversumsestraatweg, direct ten westen van de oude Vuursche Dijk. En dat blijkt uiteraard niet toevallig zo. De achterkant van deze hoeve komt precies overeen met de beroemde grote beuk aan de Hoge Vuursche en met de oude grens tussen Holland en het Sticht.

Van de originele omwalling is maar weinig over maar zijn omvang en dimensie verraad zich nog op de moderne topografische kaart en op de actuele hoogtekaart. Op oudere topografisch kaarten valt te zien hoe de oudere versie van de grote weg vanuit het westen recht op het midden van deze hoeve aanliep iets ten noorden van de huidige weg en dat er vanaf de hoeve ten zuiden van de grote weg een weg op Baarn oostwaarts liep. Toen de hoeve in onbruik raakte was er geen bezwaar een grotere weg dwars over deze aan te leggen, die vervolgens steeds breder gemaakt kon worden.

Wellicht liep hier aan de westzijde een dubbele rij beukenbomen of iets wat de oude grens bepaalde in de vorm van een wal of greppel. De aanduiding hiervoor is dan erg subtiel en summier.
Bij de volgende hoeve heeft de ±1625 maker het volgend geschreven:
Noch dat erve aen dye Vuijrse.
Naast wat hier taalkundig over te vermelden valt, kunnen we tenminste deze hoeve in relatief ongeschonden staat terug vinden. Er loopt wel een spoorlijn doorheen. Voor de rest komt het overeen met de Zes Woningen, die hier als zes woningen tot ver in de 20ste eeuw nog stonden.
Deze wijkt in zoverre af van alle andere hoeven op de kaarten van de Vuursche, dat deze zich niet direct aan de Vuursche Dijk staat maar een stuk westwaarts hiervan. Maar nog steeds op “Stichtse” gebied.

De Lattre geeft op zijn kaart nog één kleine hoeve aan gelegen ook direct aan westzijde van de Vuursche Dijk in de Negen Roeden. Hiervandaan loopt de zuidelijke greppel van die Negen Roeden vandaan om met enkele knikken bij de weilanden achter landgoed Groeneveld en Ravenstein uit te komen. Vroeger moet deze aangesloten hebben op de Drakenburgse Wetering. Het is derhalve dus ook duidelijk dat deze greppel hier niet verder liep dan tot aan deze hoeve. Een aardig detail is een natuurstenen grenssteen die zich nog op de zuidoost hoek van de hoeve bevindt.

.
Het Oosten
Het gebied wordt vooral gekenmerkt door het gebied de Stulp die vanaf 1464 ter beschikking kwam van Baarn maar territoriaal tot de Vuursche werd gerekend. Hier kwam ook de “weg” uit vanaf de Baarnse Berg op de Vuursche Berg. Hier kwam ook een oude weg uit op de Hof van Elten.


.
Honderd Morgen, Vossenberg, 200 of 130 morgen.
In het onderzoek naar de verschillende grenzen die de kaarten impliceren is hier al enigszins op ingegaan. De grenzen zijn daar zo logisch mogelijk op grond van het bewijsmateriaal gereconstrueerd.
Daarmee is nog niets gezegd over de status van die termen. Heette het gebied Vossenbergen of niet? Het blijkt dat in oude stukken, waarin bijvoorbeeld die Baarnse mensen worden opgenoemd die het gebied gebruikten in de 16de eeuw, dat het gebied De Hondert Mergen wordt genoemd. Het is een omvang beschrijvende veldnaam maar zijn naam niettemin.
noot 76
Aldus neig ik tot de conclusie dat Vossenberg de naam is van twee achter elkaar liggende bergjes die de oude weg naar de Hof van Elten spleten, alternatieve routes boden. Of hier ooit vossen woonden of dat je er heerlijke vossenbessen kon plukken blijft duister. Vossen komt als geografische prefix wel vaker voor, zoals het Vossenveld bij Soest.
De Vossenberg is bekend uit het proces-verbaal uit 1449 waarin de Hof van Elten beschreven wordt staande tussen deze Vossenberg en het Gooiersbos.
noot 77
200 en 130 morgen zijn vermeld omdat de ±1625 kaart sowieso alles opmeet maar ook omdat je een gebied van 130 of zelfs 200 morgen niet de Hondert Mergen kon noemen. Ze duiden dan ook respectievelijk andere oppervlakten aan.

.
De Sloot naar de Veenhuizen
Deze is de reeds hierboven behandelde wetering van 1239. Het eerste stuk ten noorden van de Zevenlindenlaan is nog aanwezig als een droge greppel. De rest is archeologisch min of meer goed te reconstrueren.


Op de ±1625 kaart is in tegenstelling tot de Nonnengrup deze het niet doorgetrokken. Op de kaart van Sinck uit stopt deze eveneens een stukje verder ter hoogte van de Poel, het tegenwoordige Paardengat. Waarschijnlijk klopt dit en is het tracé reeds grotendeels vergraven in de 17de eeuw. De vermelding op de kaart: Dit is dye sloet Lopende nae dye veenhuijssen
Het is heel goed mogelijk dat nae hier nog slechts betekent “in de richting van” in plaats van “naar toe”.

.
De Veenhuizen is een wijkje onder Soest waar de oorspronkelijke wetering een bocht richting de Eem maakt. Deze is genoemd naar het veen dat hier vroeger was en heeft nu weilanden.
Op de de Lattre kaart is een eenvoudig streepje getrokken dat een beetje geïsoleerd ten noorden van de Hondert Mergen getrokken is. Het heeft wellicht meer weg van een hulpstreepje maar heeft hier weinig functie. Aldus mogen we concluderen dat de Lattre hier deze sloot enigszins minimaal heeft willen weergeven.
Nonnengrup
Het blok van de Hondert Mergen wordt aan de westzijde afgesloten door de Nonnengrup, waarachter het land van Vrouwenklooster was. De Stulpselaan heeft aan beide zijden herinneringen aan greppels. De Nonnengrup was ongetwijfeld geraaid op de Zes Wegen. Uitgaand van oude ansichtkaarten met de oude grenspaal aldaar, zal de Nonnengrup aan de oostzijde van de weg gelopen hebben en heeft de Stulpselaan op het terrein van Vrouwenklooster gestaan hebben.
Op de ±1625 kaart is de lijn doorgetrokken en staat hier: Dit is Dye Nonengroep
Op de de Lattre kaart is deze ook doorgetrokken zonder nadere vermelding. Wel heeft de maker een extra lijn gedeeltelijk getrokken. Mijns inziens moet dit als een mislukt aanzet worden beschouwd. Zo’n lijn is niet op de grond terug te vinden. Ook bij de VII morgen heeft de maker een oorspronkelijke aanzet herzien. Zou ook niet weten wat zo’n streep hier zou moeten voorstellen.
De kaart heeft hier een klein beetje waterschade opgelopen.
De Poel
De Lattre heeft hier de Poel tegen de Hondert Mergen aan getekend. Hierin heeft hij een C geschreven, indien dit niet gewoon voor een kras moet worden gezien. Hierbij heeft hij nog net leesbaar geschreven poel.

Deze is heden terug te vinden als het Paardengat. Het is een merkwaardige gat met zijn steile wanden. Het staat er bij als een leeggelopen zwembad. Op het eind van de 16de eeuw stond hier dus nog water. Het staat ook als poel aangegeven op de kaart van Sinck uit 1619.
Mogelijk gaat het verhaal hier terug tot Hamalandse ijzeroerwinning. Waarschijnlijk was dit ooit een vennetje dat met het zakken van het waterniveau steeds een beetje is uitgegraven om nat te blijven. Iemand met meer geologische kijk zou hier moeten gaan kijken.
noot 78
De hoeve aan de Sloot naar de Veenhuizen
Deze komt voor op de ±1625 kaart zonder nadere duiding. De omwalling is nog goed terug te vinden. Later is het terrein aan Domeinen toegevallen. Het complexe terrein binnenin zou nadere analyse verdienen.

.
♥ Hert
Nog heet het terrein ten zuiden van de Stulp en het Pluismeer het Hart. De Lattre heeft hier genoteerd: ♥ hert. Het hartvormpje vormt een aardig detail. Het heeft ook naamgegeven aan de wijk in Soest aan de overkant van de weg. Waarschijnlijk heeft de naam geen romantische connotaties maar betekent het “hard”, in de zin van harde grond tegenover sompige grond.

De Lattre geeft aan dat het hier in cultuur gebracht is. De ontginningsrichting is zuidwest/noordoost. Deze loopt door tot het terrein achter Soestdijk. Tegenwoordig domineren de noordwest/zuidoost lopende greppels.
Het ontgonnen terrein wordt door een lijn duidelijk gescheiden van het onontgonnen land. De ±1625 kaart heeft daar een rood lijntje getekend. Dit komt overeen met die grens en was een pad in het verlengde van de 100 Morgen richting Soestdijk.
Noten
79)
Hisgis project van de Fryske Akademy:
http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/utrecht/utrecht-1/Historisch-grondbezit-utrecht
80)
ibidem
81)
82)
http://www.famkroon.nl/genealogie/stamtak/ROSENDAA.html
83)
transcript Ha[2-585]
84)
Ha[6-450,451]
85)
Ha[6-452→454]
86)
Hisgis project van de Fryske Akademy:
http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/utrecht/utrecht-1/Historisch-grondbezit-utrecht
87)
ibidem
88)
ibidem
