Juli 2024
de kaart van M. Raven

aantekeningen van Raven


bij aantekeningen op de kaart
B, steen op die plaats is verder onbekend, wel kennen we de grensstenen aan de Larenseweg ter hoogte van de oude banscheiding.
Aardjes Berg, het is niet zo dat een Arend niet op de Lange Heul zijn boerderij kan hebben gehad, die zich tot aan een naar hem vernoemde berg kan hebben uitgestrekt. Alleen geeft het onderzoek geen aanleiding hiervoor. Die boerderij heeft bestaan in de 12de en 13de eeuw. “Saksische” verwijst naar de Karolingische tijd, enkele eeuwen eerder. Een nog niet teruggevonden boerderij uit die tijd kan er geweest zijn met een Aard als eigenaar. De berg heeft nog veel oudere vondsten gegeven. Een “Saksisch” Gooiland lijkt een beetje een obsessie voor Raven.
DO, Raven ziet in de Viskom, achter Drakesteijn boven de 300 Roedenlaan, de oorsprong van de toponiem Dolder. Lijkt speculatief. Grotere, al minder geprononceerde dolders zijn zuidwaarts ook te vinden.
DW, de Domproosten Wetering maakt bij Raven duidelijk, komend vanuit het noorden, een slag naar het westen. Raven zegt dat de wetering “nog mooi te zien” was. Wellicht was dat toen nog zo. Nu is de situatie aldaar een stuk minder duidelijk geworden.
E & EW, de hofstede van Elten plaatst hij, met een vette cirkel, iets ten zuiden van de Koude Laan op de Lage Vuursche. In zoverre een wetering richting Pijnenburger Graft, Praamgracht ging, zou dit een Eltense Wetering zijn, analoog aan hierboven.
Wat de wetering betreft, is die in de 17de eeuw mogelijk, in 1448 als die hofstede genoemd wordt hoogst onwaarschijnlijk en rond het jaar 1000 onmogelijk.
In maandblad Oud-Utrecht noemt Raven vier bronnen die ons kunnen inlichten over de plaats van de Hofstede. Bij zijn locatie voor de Hofstede van Elten ten zuiden van de Koude Laan volgt hij de Ronde Kaart van ’t Gooi, uit de jaren ’20 van de 16de eeuw, in combinatie met “omtrent halfweg Gooierbos—Vosbergen, met de lijn Hoge Vuurse-Drakestein en verder „rechtuut” in 1449.
Andere bronnen suggereren plaatsen het juist ten noordwesten van Koude Laan of bij Drakesteijn. Nog andere plaatsen worden gesuggereerd in de 16de eeuw, die Raven niet noemt. Twee plaatsen vindt hij geloofwaardig, die „op die laen die tot den boessce loept tot Seystwert an, mer wat uytwaert.” (1472) kunnen liggen. Waar hij onbewust vanuit gaat dat in 1449 “ van de Vuurse boom (bij de Hoge Vuurse, aan de straatweg Hilversum-Soestdijk) naar de Hofstede van Elten (omtrent halfweg tussen Gooierbos en Vosbergen) en van daar, met een hoek, „noirt ommegaens” naar Breukeleveen”.

Die hoek, door keizer Karel V in 1535 gemaakt toen hij Drakestein als hoekpunt aanwees, heeft lang doorgewerkt bij onderzoekers. Er staat echter in 1449 over dit gedeelte van de grens “dat int noortoisteynde van Goylant gaet een wech, geheten Wackerswech, die leecht in Goylant ende gaet up tot den Vuyrsboom toe, ende van den Vuersboom tot up Soeststapel, van Zoeststapel tot upten hoffstede, die tussen den tween harden leecht omtrent halfwegen tussen Goyersbosch ende den Vosbergen int Sticht ende toebehoeren plach der abdisse van Elten, ende van dien hofstede noirt ommegaens, alst over C of IIC jair gedeelt heeft geweest, tot Brueckelveen wairt,” Top op of op tot, nergens staat met zoveel woorden een hoek. Sluit niet uit dat die er geweest is, maar het hoeft dus ook niet er geweest te zijn. Er zijn tenslotte vele mogelijke lanen die op de weg naar Zeist uit kunnen komen.
F, Fürs, de Hoge Vuursche. Een link met Fornhese (777) klopt niet. Dit heeft, zoals alle toen genoemde domeinen gelegen aan de Eem. In deze lag het aan de westzijde van de Eem tussen Isselt, de berg en de rivier. De grens met Hees zal ook wel niet zover hebben doorgelopen, al weten we van die grens weinig. Begin dertienhonderd is het gerecht Soest, waar Hees in is opgegaan, hier op enige afstand.
De grens Laren-Hilversum uit 1428 moet hier wel gelopen hebben, immers staat er “die husinge die nu in die Wuers betymmert staen”. Op de Vuursche vinden wij daar niets van terug, ook een door hem gevonden merkwaardig smalle terrein met de juiste oriëntatie, 750m van de hoogste punt van de Hoge Vuursche Weg niet.
Voor zijn hypothese “dat deze Banscheiding berustte op een véél oudere, op Soeststapel gerichte grens Laren-Wolfsbergen.” geeft Raven geen handvatten. De wüstung tussen Hilversum en Bussum kan Wolfsbergen geweest zijn. Het zou zelfs ouder dan Hilversum kunnen zijn. Dat weten we nog niet. Maar een administratief onderverdeling van Larenkarspel rond het jaar duizend lijkt onmogelijk, of die vanuit een Hilversum of een Wolfsbergen plaatsvond. De relatie tussen de twee is super interessant en we weten er helemaal niets van, vooralsnog..
WB, de steen met twee klimmende leeuwen en jaartal is op inspectie niet teruggevonden.
SW, Rust denkt dat de tegenwoordig aangewezen banscheiding deze niet is. Die grens zal, volgens hem, tussen twee vermelde stenen lopen. Die bij langs de hek van de waterleiding kennen we die niet, wel één in het zuidtraject van die scheiding aan de Larenseweg.
Zijn duiding hiervan als schaapswal, zoals voor hem Perk met zijn “schapen”kampen, is een gissing. Raven associatie tussen die kampen en deze wal lijkt overigens geforceerd. De kampen bevinden zich op enig afstand van deze wal én er lopen wel meer wallen in de buurt die voor “schaapwal” dan nog kunnen doorgaan.
VO, Vosbergen plaatst hij aan de Stulpselaan. Dit is afgeleid van zijn plaatsing van de Soeststapel & de Hof van Elten. Later hebben sommigen hier meteen een kloosterhoeve, wat dat moge zijn, van die naam dáár gefilosofeerd. Raven gelukkig niet.
Er zijn redenen dus die Vossenbergen verderop te zoeken. Zijn plaatsing is afhankelijk van twee andere namen, waar wij ook onze twijfels bij hebben. De kaart Hingman 3019, door ieder toen nog uit rond 1550 geschat, inmiddels bewezen uit 1625, is de enige andere bron voor de Vossenberg. Helaas niet in het archief van de Vuursche verder opgedoken. Deze suggereert ook een ander plek.
W, de Wolfsdreuvik is inderdaad door Perk verkeerd geplaatst. De verhalen van Pluim en de wolvenjacht aldaar is echter toponymisch erg wankel. Niet overal waar deze prefix opduikt, kan die op het beest, laat staan de jacht erop, worden geplakt.
Wat Raven echter zeker fout doet, en daarmee het fout plaatst, is het als hoek van de grens te beschouwen. Het was echter een discreet klein terrein helemaal op de Vuursche op enig afstand van de grens. Dat blijkt uit tekst op de grote kaart van Sinck van de Vuursche uit 1619 en uit de kaart van 1625. De Lattre tekent in 1597 het weliswaar op de grens maar niet op het hoekje. Sinds toen heeft de Wolfsdreuvik een hele zwerftocht gemaakt.

.
S, Soeststapel plaatst hij bij de Zes Wegen. In het maandblad Oud Utrecht schrijft hij “Het enige markante punt waar we dit kunnen zoeken is het z.g.n. 6 wegen-punt Stulpse-laan—7 lindense weg, waar ook nog een oude grenssteen van Drakenstein is te vinden.” Al eerder is de kwestie behandeld in het stuk over de Stoeststapel op de website.
Een ander Soeststapel vinden wij aan de andere kant van Soest. Dr. J. A. Bakker heeft dit ook genoteerd op de kaart (Hilhorst & Hilhorst, 2001). Die lag trouwens ook in 1310 nog ver buiten het gerecht Soest. Deze stapel lag tegen Amersfoort aan, in een hoek met De Birkt ten noorden en een Schotelberg ongeveer een kilometer zuidwaarts. Daar lag in 1601 nog een grote grenssteen. We kunnen vaststellen dat we kunnen spreken over soeststapels. De Amersfoortse stapel bevond zich aan het Hezerspoor, een belangrijk oude, interlokale weg. Deze steen had dus een functie om de gerechtsgrens aan te geven.
De Vuurscher stapel lag ook al op een grens. De Zes Wegen lag dus ook op de grens. Geen gekke gedachte, dus. Helaas draagt het huisarchief van de Vuursche geen nieuwe vermeldingen aan. De Zes Wegen is een markant punt. Heel vroeg is daar de meest noordelijke strekking van Zeist, land later door de bisschop vergund aan het vrouwenklooster aldaar.
Toen was de Zeister taartpunt nog niet uitgegraven. Toch zijn kruisingen van drie of meer wegen altijd markant. Voor iemand die een kaart tekent des temeer. Het heeft altijd iets bedacht, bewust georganiseerd. Vele komen voor, ook in onze streken, meestal anoniem op de hei of in het bos. Toch zal er achter ieder een verborgen verhaal zitten. Maar wat bedoeld Raven met “Het enige markante punt waar we dit kunnen zoeken”? Dat is erg straf aangezet. Hoezo? Van elk denkbaar punt dat op een lijn vanaf de Hoge Boom aan de Vuursche tot een verondersteld hofstede ergens in de buurt van de Koude Laan is dit het enige markante, zegt Raven.
Het is zeker een markant punt. Zelfs een grenspunt! Maar wat daar opviel, volgens Raven was op zich niet het wegenpatroon maar een grote stapel stenen die als stapel was opgeworpen. De steen aan de Lage Vuursche ontbreekt op een bekend oud prentje van het dorp en was dus niet een echt hunebed. “Deze zou dan bij de stichting van het dorp Z-W., waarts verplaatst zijn: Craandijk vermeldt een traditie dat het ,,van de 7 linden” afkomstig zou zijn” & “De Soeststapel uit 1449 lag bij het Zes Wegen kruispunt “ waarschijnlijk in het jaar 1000, maar misschien al veel eerder, een van verre zichtbare hoop zwerfblokken en veldkeien waarvan het zogenaamde hunnebed te Lage Vuursche het laatste, verplaatste overblijfsel is.””!
Als die stenen niet verplaatst zouden zijn, kan de hunebed echt zijn en als grensstapel gebruikt zijn. Want wat Raven niet kon bevroeden is dat Dr. Bakker de steen wel aantrof op het origineel van die oude prent. Kan het natuurlijk wel nog vanaf de Zes Wegen verplaatst zijn in theorie maar nu ontbreekt alle bewijs daarvoor. Of zoals Raven het zelf formuleerde “Deze geven beide aanleiding tot soortgelijke opmerkingen als over de grens Gooi-Sticht van 1535 te maken vielen, en bewijzen hoe voorzichtig men moet zijn met het toekennen van bewijskracht aan schijnbaar duidelijke détails.”
Als we een lijn trekken van de Vuursche Boom tot aan het markante Zes Wegen punt komen wij immers wél een bergje tegen. Ook die voldoet, zoals de denkbeeldige steenstapel op de Zes Wegen of de Hunebed aan het begin van het dorp, aan wat te verwachting van een stapel. Als de Zes Wegen in 1449 een grenspunt zou zijn, was in elk geval dat bergje het ook. Twee kandidaten, één anoniem, de ander benoemd, unisono door de oude wijzen van het Gooiland. Welk is welk?
YR, De Negen Roeden had Raven al netjes uitgeplozen. Een watertje met micrscopische IJstijd Relicten, begrijpt u wel? Aan de oude grens tussen Baarn en de Vuursche. Reeds eerder in onze reeks uitgebreid behandeld. Hier heeft het huisarchief inmiddels ruimschoots in voorzien. Wanneer er een bioloog onder ons is en de bijzondere beestjes kan terugvinden, als die er nog zijn, wij houden ons van harte aanbevolen een addendum hierover te plaatsen.
L, Lapersveld. Dat had Raven ook al goed. Het huisarchief vermeldt over waar die slag heeft plaats gehad, niet waar het veld lag, helaas. Wel blijken beide Laperswegen elkaar daar te kruisen. Daar liggen ook de Lapersvenen. Alles Lapers komt dáár uit. Dus hoewel geen expliciet bewijs toch een groot hoeveelheid indirect bewijs bovenop wat Raven al kende. Ook een een met bruin aangeven, anonieme veld op de kaart Hingman 3018 van de Lattre uit 1597 lijkt daar naar te verwijzen. (Het veld lag buiten de Vuursche.)

.
de kaart van Raven
De kaart meet 245 X 370 mm. het is met de hand getekend op transparant papier. Begin jaren ’50 waren er nog geen kleuren kopieermachines of digitale printers. De weinige exemplaren moesten steeds overtrokken worden met de hand. Niet ongewoon in die dagen.
Raven had ook een exemplaar in het museum met zijn verdere, overgeschreven aantekening gedeponeerd. Toen een slimme strategie om je bevindingen niet verloren te laten gaan of ze onder een klein maar geïnteresseerde publiek te kunnen delen, op afstand. We nemen aan dat hij het Museum voor Gooi en Omstreken bedoelde. Die collectie is naar het provinciaal depot in Castricum gegaan en slechts nog zeer fragmentarisch geïnventariseerd.
het dossier
Het dossier waar kaart en aantekeningen deel vanuit maken is afkomstig uit de bibliotheek van Dr. Jan Albert Bakker. De toen nog aankomend student Bakker onderhoudt met de bekende illustrator en schilder tekenaar, Johan Briedé een correspondentie. Deze heeft zichzelf als oudheidkundige geschoold. Bij de grote archeologische onderzoekingen van de Zeven Bergjes en de boerderij op de Lange Heul, waar Briedé Rust in 1938 met het onderzoek geholpen heeft. Zijn tekenkunde is zowel cultureel als wetenschappelijk een juweel voor ons.
Bij de stukken die Briedé in 1957 aan Bakker overdoet, zit een aantal stukken van Raven en twee brieven van de Friese archeoloog Hendrik Jan Popping (23-04 1885 – 10-08 1950) uit het Friese Oosterwolde uit 1931.
Op het archief in Hilversum zijn ook een aantal brieven van Bakker aan Briedé. Oudheidkundig interesse bond hen. De jonge Bakker wil in de voetsproren van van Giffen treden en spreekt dat uit. Misschien niet qua naamsbekendheid bij het grote publiek, er kan maar één vader der neêrlands archeologie zijn, academisch bleek hij in niets de mindere van zijn inspirator. Briedé kent van Giffen, zij kennen beiden Rust.
Bakker wil alle bekende vondsten uit de steentijd in kaart brengen. Dit lijkt de aanleiding tot het contact. Als vrijwilliger van het museum voor Gooi en omstreken wil Bakker ook graag stukken uit ’t Gooi afkomstig voor het museum in bruikleen krijgen. Briedé ziet dat eigenlijk niet zitten. Wel is hij bereid een deel van zijn verzameling aan het museum te verkopen. Dat heeft er eigenlijk geen fondsen voor..

Er is tussen de oudere en de jongeling respect en interesse. In die sfeer doet Briedé de convoluut aan Bakker toekomen. Er ontbreken brieven van Raven aan Briedé, er moeten er meer geweest zijn. Er zijn ook meer brieven van de jonge Bakker aan Biedé dan in het streekarchief. Het zijn maar fragmenten. Het zijn wel fragmenten volgens de ontvanger de moeite waard door te geven. De moeite waard zijn ze. Ze geven inzicht in hun denken, onderlinge relaties en prioriteiten. Van onze map heeft Bakker alles bestudeerd, hier en daar een annotatie geplaatst. In 2022 is het bij de schrijver dezes gekomen. We houden het vuur brandende.
Ravens werk
Het publiek kent Ravens werk van bijdragen voor het maandblad Oud Utrecht. Als Raven in 1953 debuteert met KLEINE KRONIEK VAN HOLLANDSCHE RADING EN WEER is zijn visie uitgewerkt op grond van eigen onderzoek. Naast de streekgeschiedenis mag de toponymie, de plaatsnamenkunde zijn interesse genieten. Van groot belang zijn beschouwing van anomalieën op enkele historische en wetenschappelijke topografische kaarten.
De kroniek combineert niet alleen chronologisch alle archivalische gegevens van deze strook, tot op zijn tijd, de beschouwing van alle stenen en palen langs deze strook, bekend en onbekend, waarin een scherpe geest met oprechte nieuwsgierigheid zich openbaart, mag als voorbeeldig gelden. In het volgend nummer van OU komt hij kort erop terug in DE STICHTS-GOOISE GRENSPALEN. Sommige palen zijn er nog, anderen helaas alweer verdwenen. Dus als Raven er niet over geschreven had, waren zij voor altijd aan de historische aandacht ontsnapt.

In de jaren ’50 maakt hij al zijn bevindingen wereld kundig, in de jaren ’60 komt hij nog kort terug op enkele zaken. Hij is bereid nieuwe informatie over te nemen en zaken open te laten of te herzien. Waardevol zijn scherpe vragen die hij onder zijn hypothesen steekt. Zijn aanpak is wetenschappelijk analytisch. Zijn conclusies zijn soms echter erg enthousiast, waarin hij zich soms echt een kind van zijn tijd toont. “m.i. moet er een zijweg naar het Gooi zijn geweest met als eindpunt Muiderberg, en de twee voor laatste stations kunnen dan geweest zijn” de boerderij op de Lange Heul & de latere hofstede van Elten.

“langs die Werdense Weg zou de Saksische invloed naar het Gooi zijn gevloeid,heel geleidelijk dus (culturele en raciale infiltratie, niet migratie)” Wie denkt tegenwoordig nog zo? Wat betekent een voortdurend raciale infiltratie vanuit het oosten in zijn hoofd? Een ras is nú een taboe maar zelfs waar we tegenwoordig stam of bevolkingskern zouden zeggen, de probleemstelling lijkt in onze ogen vaag en onbegrijpelijk, of tenminste vergezocht.

Raven onderhoudt echter ook uitgebreid correspondentie, “als er nieuwe kinderpostzegels zijn, raak ik altijd enthousiast aan het brieven schrijven.” Niet slechts met Johan Briedé deelt hij zijn gedachtes. Het aller hoogste lijkt het componeren van topografische sonetten, waarin de woorden naar bepaalde historische feiten verwijzen, een sleutelroman in 14 regels. Bij de paperassen één van zijn slechtste, naar eigen woorden, Het huis van Verkade aan de Vecht. Hij heeft het zelf voorzien van een tekening. Hij was Uomo Universale. Nog drie anderen zijn in het dossier in handschrift aanwezig. Bij een bezoek aan het Hoge Slot aan de Gooiersgracht, tekent hij op hoe het oude slot Ruysdael, waar een vochtschuwe onkruid de fundamenten doet afsteken met een L-vorm van de omgeving ( █▀ ). Zeker trokken ook allerlei oudheidkundige bijzonderheden buiten onze regio zijn aandacht. Hij trekt er vaak op uit en vertelt er graag over.

Zijn stukken uit het maandblad laat hij nadrukken op mooi zwaar papier. Ook heeft hij op een gegeven moment een Speurtocht langs de Stichts-Gooische Grensbedacht gemaakt. Gezien, dat het begint op pagina 9, is het ergens in gepubliceerd. Als u weet waarin, houden wij ons van harte aanbevolen erover geïnformeerd te worden.

de spelers
Jan Albert Bakker
Wie zijn nu de lieden die een rol spelen in het dossier. Student Bakker werd doctor Jan Albert Bakker. Was van Giffen de Vader van de Neêrlandse prehistorie, dan is Jan Albert de koning van de Westgroep van de Trechterbekercultuur, al zal hij zich er niet op laten voorstaan. Hij leeft nog en gaat binnenkort een magnum opus publiceren, een monografie van de door hem ontgraven hunebed D26, met alles wat erover te zeggen valt. Reeds op jonge leeftijd blijkt hij toegewijd aan de zaak. Met al zijn talent heeft hij de wetenschappelijke archeologie vooruit geholpen. U begrijpt dat de schrijver dezes hem hoog heeft zitten, ik sta er niet geheel onpartijdig in maar schrijf ook niet bezijden de waarheid!
Johan Briedé


Johan Briedé (Rotterdam, 02-05 1885 – Amsterdam, 05-04 1980) was een zeer gewaardeerde grafisch vormgever en kunstenaar in ’t Gooi. Op 4 april 1912 huwde hij Mary Grietje Brandsma. In 1916 vestigden zich toen in Laren. Hier waren zij tot 1959 woonachtig. Daarna woonden zij tot medio 1979 in Amsterdam. Na het overlijden van zijn vrouw verbleef Briedé ongeveer een jaar in een verpleeghuis, waar hij overleed.
Reeds in de jaren ’20 had hij Remouchamps met zijn onderzoek van de Zeven Bergjes kunnen bijgestaan, later was hij ook op de Lang Heul erbij. Naast zijn uitgebreide oeuvre als illustrator is voor ons zijn beeldbeschrijving van die onderzoeken van groot belang. Maar ook schetste of schilderde archeologen aan het werk, de omgeving, zandverstuivingen of markante personen.
Ook zijn oudheidkundige interesse blijkt oprecht. Na de ontledingen van de Zeven Bergjes gaat zijn interesse verder naar archeologische objecten uit. Het Gooiland ligt immers bezaaid met archeologica. Neolithische bijlen of strijdhamers zijn nog eenvoudig te herkennen, zelfs als fragment. Maar hoe zat dat bij oudere, meer rudimentaire werktuigen en microlithen? Het bestond niet als opleiding, foto’s waren nog erg grijs en tekeningen interpretabel.
In najaar ’31 correspondeert Briedé met de Friese Jan Hendriks, geschiedkundige en oudheidkundige. Hij tempert Briedé’s hoge verwachtingen, doet wetenschappelijk goed.
Een kwart eeuw later heeft Briedé een uitgebreid collectie en veel historische kennis. Raven acht hem hoog en komt met vele vragen. Ook wel veel jeugd nostalgie, maar goed, het is hun privé correspondentie..

Enkele jaren later is de jonge Bakker geïnteresseerd in zijn kennis en vooral het gedeelte van zijn archeologica uit ’t Gooi. Briedé weet niet precies meer wáár alles afkomstig van was. Toch lijkt hun contact wederzijds de moeite waard en na enig tijd schenkt Briedé de papieren aan Bakker.
Hendrik Jan Popping

Hendrik Jan Popping (23-04 1885 – 10-06 1950) uit het Friese Oosterwolde was aanvankelijk verslaggever van verschillende plaatselijke en regionale kranten, maar maakte naam als lokaal historisch expert en pleitbezorger voor de Stellingwerfse taal. Van zijn vader kreeg hij de liefde voor archeologie mee. Toen deze in 1927 overleed, liet hij zijn zoon een drukkerij annex boek-, papier- en muziekhandel, een uitgeverij, een advertentiebureau en het regionale nieuwsblad De Ooststellingwerver na. Het geheel zorgde deels voor een inkomen om zijn archeologische activiteiten te blijven ontplooien en daarnaast een podium om te publiceren.
Hij bleek een zeer goede archeoloog in het veld. Popping deed tussen 1920 en 1940 een aantal belangrijke ontdekkingen over de prehistorie in Nederland. In een tijd waarin woeste gronden werden gecultiveerd, benutte Popping elke kans om de door ontginning bedreigde heidevelden in de Stellingwerven te doorzoeken naar archeologische vondsten. Popping was misschien wel de eerste in Nederland die aantoonde dat het in de tijd van het Mesolithicum bewoond werd. Bij de KNAG publiceerde hij ‘Eene palaeolithische nederzetting aan het Kuinder-dal nabij Oosterwolde (Fr.)” in 1933. Bij Appelscha onthulde hij mesolithische vuurplaatsen. Hij werd betiteld als Vader van het Friese Mesolithicum. Postuum heeft zijn ONZE VOORHISTORIE – OVERZICHT VAN DE VOORGESCHIEDENIS VAN NEDERLAND uit 1952 nog een redelijke verspreiding gehad.
Hij schreef ook historisch jeugdromans, die voor hun verhaal wel gewaardeerd worden, al is dat geen wetenschap. Namen als Sieger de bronsman, de Vluchteling, een verhaal uit het midden steentijdperk en het vervolg, de Wilde Jager – een vluchteling handhaaft zich in de steentijd. Voor ons is echter van meer belang zijn studie op het Fochteloerveen. “Praehistorie in Een Veengebied” uit 1935.
Dat Popping toch niet in de eregalerij van de Nederlandse archeologie is terechtgekomen, heeft er zeer waarschijnlijk te maken met zijn onconventioneel politieke carrière die hij in de tweede helft van de jaren ’30 tot aan zijn dood heeft gehad.

.
M. Raven
Wie was M. Raven? Waar staat die M voor? In zijn stukken voor het maandblad ondertekent hij altijd met die naam. Soms, naar gewoonte, zoals in de Navorser gebruikelijk was, slechts met de initialen M.R.. Af en toe schrijft hij M. Raven den Dolder. Eén enkel keer M. RAVEN Van ’t Hoff paviljoen Den Dolder. Een instituut voor geesteszieken. Was hij daar patiënt, arts, beheerder?

Het is opvallend hoe onvindbaar M. Raven uit den Dolder blijkt, buiten zijn publicaties voor OU zelf. Nog in de jaren ’70 zal M. Raven uit den Dolder als lid van Oud Utrecht vermeld blijven. Daarbuiten niets! Voor zo’n belangrijk persoon is dat merkwaardig. Zijn briefwisseling met Briedé geeft gelukkig enkele aanwijzingen voor zijn identiteit.

Met nieuwjaar 1959 schrijft hij “Wij kwamen in 1901 in Hilversum wonen, waar mijn moeder omging met Prof v Rees, Mevr v Anrooij en de nieuw lichters van de Humanitaire Broederschap in Blaricum.”
Zij nemen volop deel aan het culturele leven. Zij kochten een tekening van Mauve die geveild werd in het Volkshuis op de Neuweg ten bate van de slachtoffers van de grote spoorwegstaking in 1903. “Wat waren er toen een miskende genieën in het Gooi!” en “Ik ben hier temidden van de algemene onrust uit puur zelfbehoud creatief geworden.”

Enig tijd later, maar nog voor 26 mei van dat jaar, weet hij nóg iets uit zijn jeugd te melden. Naar aanleiding van Briedé’s vorige brief, “ Dat karrespoor tussen de 7 bergjes herinner ik me ook nog van de wandelingen met mijn Moeder ± 1902, alweer een halve eeuw geleden”
Met snel even googleën lijkt één persoon in aanmerking te komen. Uitgaande van die brieven gaan onze gedachten uit naar een Maarten Raven, geboren op 15 februari 1896 in Kortenhoef, overleden op 28 oktober 1975 in Hilversum. Hij is getrouwd te Hilversum met Hielke Raven (1921-1996) maar scheidt op 5 februari 1947. Maarten was stoker, bleeker, kantine-beheerder.
Dat laatste lijkt dan goed aan te sluiten bij werk op een paviljoen. Na zijn scheiding zal hij dus wel een nieuw begin hebben willen maken op een korte afstand van zijn oude leven. Dáár vindt hij de rust om zich aan zijn onderzoek en sonnetten te wijden. Zijn passie bloeit daar op. De M. van Maarten. Als hij in Hilversum bleef wonen, zich niet uitschreef, was hij verder in den Dolder niet te vinden en correspondeerde hij op zijn werk. Zijn dochter en man zijn reeds kinderloos gestorven, dus we kunnen het niet meer navragen. Maar!!!

We zouden met deze conclusie gebleven zijn. Echter schrijft Raven Briedé op 26 mei dat zijn schoonzuster dochter is van de kunstschilder W. O. J. Nieuwenkamp. Vanuit Syrië schrijft zij dat het bezoek van Briedé’s vrouw aan het museum in Edam (atelierschip De Zwerver) en dat haar lof hierover zeer gewaardeerd wordt. Vereniging Oud Edam weet nog erover te melden “De laatste twee jaar stond het opnieuw te koop. Sloop dreigde, maar schenking aan de Stichting Museum Nieuwenkamp bracht (voorlopig) uitkomst. Thans probeert de Stichting De Zwerver deze woonboot, de oudste in Nederland gebouwd, te behouden en is op zoek naar sponsors en in relatie daarmee een ligplaats, zo ook een bestemming. Het schip is inmiddels overgebracht naar de museumwerf Vreeswijk in Utrecht.” Maarten is het dus niet onze M.
Er bestaat echter wel een Raven die schoonzoon van de ooit beroemde schilder van de Zuiderzee en Indische taferelen. Inderdaad blijkt die zelfs binding met Syria te hebben. Prof. Dr. Theodoor Raven , geboren te Hilversum, 19.1.1908, Hij studeerde in 1932 af in de geologie. Zijn proefschrift was “Etude géologique de la région Morez – Les Rousses (dép. Jura)”. Hij was eerst werkzaam bij de Rijksuniversiteit Utrecht als conservator bij het Geologisch-mineralogisch instituut waar hij in 1947 een tijd lang het onderwijs gaf. In 1967 blijkt hij nog hoogleraar op de Universiteit te Damascus. (Phil. nat. doct.). Ook blijkt hij later verbonden aan de Amerikaanse Universiteit te Beiroet.

.
Zijn broer Max is op 7 augustus 1892 te Nieuwer-Amstel geboren. Veel is er op internet niet over hem te vinden. Inderdaad is het gezin in 1901 naar Hilversum gekomen. Hij blijkt in 1909 met zeven andere geslaagd van de hogere burgerschool te Hilversum.
Hij blijkt in 1930 adjunct bibliothecaris in Blaricum en woonde toen ook in Blaricum. Er moet een pasfoto van hem in omloop zijn, maar die is nog niet achterhaald.
We kunnen zelfs geen enkel foto vinden van onze held, Max. Wat zijn relatie met het Van ’t Hoff paviljoen in den Dolder was, is helaas onduidelijk. Hij zou niet de eerste heldere onderzoeker zijn die last kreeg van stemmingen. Een geestesziekte sluit geenszins uit dat je achter dingen kunt komen en een goed verhaal te vertellen hebt. Hij zegt immers uit puur zelfbehoud creatief geworden te zijn. Maar evengoed werkte hij aldaar.
Als arts is hij daar vooralsnog niet te vinden maar kan ook gewerkt hebben in de verpleging of bijvoorbeeld als conciërge. Zelfs over het overlijden van Max tasten we in het duister. Een dan is het moeilijk iemand te rusten te leggen. Gezien zijn bijdragen aan de regionale oudheidkunde verdient die man een levensbeschrijving met foto. (zijn jongere broer, de professor heeft in 1967 nog de bladen gehaald, dus dan maar een foto van die broer)

Wie weet?
feedback & aanvulling geven?
YJK
Raven in Oud Utrecht
Titel: Kleine kroniek van Hollandsche Rading en Weer
In: Maandblad Oud-Utrecht, 26 (1953), p. 29-33
Gebied: Hollandsche Rading
Trefwoord: Kronieken
Titel: DE STICHTS-GOOISE GRENSPALEN.
In: Maandblad Oud-Utrecht, 26 (1953), p. 62
Gebied: Utrecht (stad)
Trefwoord: Kapittels Dom Visserij Zeventiende eeuw
Titel: Het Domkapittel en de visrechten op het Naardermeer
In: Maandblad Oud-Utrecht, 26 (1953), p. 63
Gebied: Utrecht (stad)
Trefwoord: Kapittels Dom Visserij Zeventiende eeuw
Titel: Waar stond de hofstede van Elten?
In: Maandblad Oud-Utrecht, 26 (1953), p. 71-72
Gebied: Hooge Vuursche : Baarn
Trefwoord: Hofsteden
Titel: Soeststapel, een oud grenspunt
In: Maandblad Oud-Utrecht, 26 (1953), p. 92-93, 110
Gebied: Soest
Trefwoord: Grenzen
Inhoud: Grenspunt tussen Het Gooi en Sticht
Titel: De grens Gooi-Sticht van 1535
In: Maandblad Oud-Utrecht, 27 (1954), p. 94-95
Gebied: Baarn
Trefwoord: Grenzen Zestiende eeuw
Titel: Iets over oude kaarten
In: Maandblad Oud-Utrecht, 28 (1955), p. 6-7
Gebied: Heuvelrug
Trefwoord: Kaarten Zeventiende eeuw Achttiende eeuw
Titel: DE GRENS GOOI—STICHT IN HET KAARTBEELD.
In: Maandblad Oud-Utrecht, 28 (1955), p. 24-25
Gebied: Heuvelrug
Trefwoord: Grenzen Kaarten Zeventiende eeuw Achttiende eeuw
Titel: Iets over de ontginningsgeschiedenis van Oostveen, Riddervenen, Nonnenland en Vuurse
In: Maandblad Oud-Utrecht, 28 (1955), p. 47-51
Gebied: Heuvelrug
Trefwoord: Ontginningen
Titel: Iets over topografische namen
In: Maandblad Oud-Utrecht, 28 (1955), p. 90-93
Gebied: Utrecht (prov.)
Trefwoord: Boerderijen (bouwkundig) Naamkunde
Titel: Fornhese, Hees en de Nonnengroepen
In: Maandblad Oud-Utrecht, 30 (1957), p. 9-11
Gebied: Hees Zeist Soest
Inhoud: Over de grens Zeist-Hees en Zeist-Soest
Titel: Hees en Den Dolder
In: Maandblad van Oud-Utrecht, jg. 37 (1964), p. 5-6
Gebied: Den Dolder Soest
Trefwoord: Archeologie
Titel: De grenzen van “Den Dolder”
In: Maandblad van Oud-Utrecht, jg. 38 (1965), p. 71-72
Gebied: Den Dolder Zeist
Trefwoord: Grenzen Middeleeuwen
Titel: Nog iets over oude verkeerswegen en grenzen
In: Maandblad van Oud-Utrecht, jg. 40 (1967), p. 93-94
Gebied: Eemnes Baarn Zeist
Trefwoord: Wegen Grenzen
Titel: Drake(n)steyn en het Nonnenland
In: Maandblad van Oud-Utrecht, jg. 40 (1967), p. 91-92
Gebied: De Bilt Vuursche Baarn
Trefwoord: Kaarten Drakestein Hofsteden
Titel: Merkwaardige grensrelicten in en bij het Gooi
In: Maandblad van Oud-Utrecht, jg. 41 (1968), p. 57-58
Gebied: Eemnes Baarn De Bilt
Trefwoord: Grenzen
