Waarom archeologen (soms) naar de rechter gaan. Archeologievrijwilligers en de Nieuwe Kerk Delft

Het artikel ‘Delftse Middeleeuwers moeten wijken’, (Volkskrant 24-2) sluit af met de opmerking dat archeologen de neiging hebben voortdurend naar de rechter te stappen bij een hun onwelgevallig beslissing. “Daarmee zetten ze het openbaar bestuur met oneigenlijke middelen onder druk. Neemt een gemeente weloverwogen een beslissing waarmee jij het niet eens bent? Het zij zo”.

Wij, een vereniging van archeologievrijwilligers, zijn samen met Oudheidkundige Werkgemeenschap Delft degenen die naar de rechter zijn gestapt. We doen dat zo min mogelijk en niet om het democratische besluitvormingsproces te dwarsbomen, maar juist om dat in evenwicht te houden. In ons rechtstelsel staan overheidsbesluiten gelukkig open voor bezwaar en beroep. Ons systeem is daarop gebouwd.

In deze zaak gaat het ons om meer dan de Nieuwe Kerk in Delft. Het gaat over hoe ons systeem voor archeologische monumentenzorg werkt. De Erfgoedwet bevat geen inhoudelijke kaders voor de afweging van gemeenten voor de erfgoedzorg. Bij de voorbereiding van de Erfgoedwet hebben wij aan minister en Kamers onze zorgen daarover kenbaar gemaakt. Deze kwestie onderstreept onze zorg.

Wanneer een gemeente een weloverwogen beslissing neemt, accepteren wij dat. Bij de gang van zaken in Delft zetten we daar onze vraagtekens bij. Het advies van de eigen archeologische dienst is genegeerd. Er is voor zover wij zien geen onafhankelijk deskundigenadvies gevraagd om die afwijking te onderbouwen. Nádat tussen gemeente en Protestantse Gemeente Delft de financiële ruimte was bepaald, is bekeken wat daarbinnen aan archeologisch onderzoek mogelijk was. Het was daarmee een financiële afweging, geen belangenafweging met oog voor de erfgoedwaarde. Helaas heeft de rechter anders geoordeeld.

Bij de behandeling van de Erfgoedwet zijn in beide Kamers vragen gesteld over het ontbreken van kaders. Vergeefs. In de Memorie van Toelichting schrijft de minister ‘de huidige beleidsinstrumenten en Awb zijn voldoende om de kwaliteit van de archeologische monumentenzorg te waarborgen. De minister wijst dus zelf op de rol van burgers bij het bewaken van de kwaliteit.

In beide kamers ging de zorg voornamelijk uit naar vervreemding van onroerende cultuurgoederen. Onzes inziens zijn voor archeologie de risico’s voor ‘verdwijnen’ van erfgoed extra groot. Er wordt over beslist zonder altijd goed te weten waarover wordt beslist. En wat ons vooral bevreemd, er wordt binnen de ruimtelijke ordening een besluit genomen over wetenschappelijk onderzoek, zonder daaraan de verplichting te verbinden van een onafhankelijk wetenschappelijk advies. In welke andere wetenschapssector zou dat denkbaar zijn?

De minister verwijst voor vervreemding van cultuurgoederen naar regelingen van musea en de VNG. In het VNG-reglement staat dat bij vervreemding de inhoudelijke overwegingen zwaarder moeten wegen dan de financiële en liefst aan de hand van een beleidsvisie/plan.
De Erfgoedwet geeft een procedure bij vervreemding van cultuurgoederen die niet in bezit zijn van de overheid. Voordat een beslissing wordt genomen dient er een onafhankelijk advies over het cultuurgoed in kwestie te worden uitgebracht. Dit advies biedt, aldus de minister, ‘democratische controleorganen een belangrijk handvat om over de vervreemding in discussie te gaan met het bestuur’. Mag bij een bouwproject ons archeologisch erfgoed dan zelfs vernietigd worden zonder zo’n onafhankelijk advies?

Wanneer er voor de archeologische monumentenzorg dergelijke regelingen zouden bestaan is ons probleem opgelost. Dan hoeven wij niet meer naar de rechter.
We hopen dat de zaak Delft tot nadenken stemt en tot een heroverweging van de wetgeving voor de archeologische monumentenzorg zal leiden .

Tonnie van de Rijdt- van de Ven
Voorzitter AWN Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie

Plaats een reactie